Haar ogen lichten op als ik binnenkom. Terwijl ze een handdoek vouwt, zeg ik: “Er zijn verkiezingen vandaag, mam.” “Dan moeten we gaan stemmen”, antwoordt ze resoluut. “Maar dan moet ik zo’n papier hebben.” Ik loop naar haar postvak en daar ligt het bovenop. Ik ben opgelucht. Mijn moeder mag dan niet meer weten welke dag het is, wat politiek is, weet ze nog al te goed. En ook wat ze vindt. Ik pak een rolstoel en een vest en we gaan op pad. "Wat ga je stemmen?", vraag ik onderweg. "Wat ik meestal stem." Ze blijft er tamelijk rustig onder, kalmer dan toen ik er een paar dagen geleden over begon.
“Het is koud zeg”, bibbert mijn moeder voor mij. Ik loop in de luwte, maar zij vangt de onverwachte wind. Gelukkig is het niet ver en nog gelukkiger is het stembureau in een verzorgingshuis. Hier zijn ze goed ingericht op rollend materieel en kijken ze ook niet vreemd op dat ik mijn moeder nog even moet uitleggen hoe het formulier ook alweer werkt. “Zie je de partij waar je op wilt stemmen?” “Ja, die heb ik hier. Maar nu?” Ik kijk over haar schouder mee. “Dan kleur je zo’n rondje rood met dit potlood.” “Welk rondje?” “Welke vind je er goed uitzien? Op wie wil je stemmen?” “Is deze goed?” Ik heb mijn bril niet op en kijk ook niet echt. Intussen word ik gelukkig streng in de gaten gehouden door de medewerkers. “Ja hoor, dat is prima.” Dat wil ze horen.
“Ik parkeer je even hier hoor, dan ga ik nu zelf”, en ik verdwijn in het hokje. Achter mij wordt druk gebabbeld. “We gaan vanavond die papieren tellen. Eerder was er de stemcomputer”, hoor ik de medewerker van het stembureau uitleggen. “Maar nu moet het weer met potlood.” In gedachten zie ik mijn moeder heel begripvol knikken. Ja, ze begrijpt het, dat is veel werk, de arme man. Waar zou hij het over hebben? Een stemcomputer? Wat is dat in ’s hemelsnaam? Maar daar ziet de man niets van.
Ik laat mijn formulier in de stembus vallen en haal de rolstoel van de rem. “Kom mam, we gaan weer.” “Goedendag heren”, groet mijn moeder vrolijk. We rijden de straat weer op. Bij de hoek lopen we een andere dochter en moeder tegemoet. “Het stembureau?”, vraagt de dochter. Ik wijs, bij het gele bordje linksaf. “Waar gaan wij nu heen?”, vraagt mijn moeder. “Naar jouw huis.” “Mijn huis? Waar is dat dan?” “Daarachter, voorbij de winkels.” “O, als jij het maar weet is het goed. Fijn dat je meeging, als ik jou toch niet had.” “Dan had je niet gestemd.” “Zo is het, dan had ik niet kunnen stemmen.”
Posts tonen met het label ondersteuning. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ondersteuning. Alle posts tonen
woensdag 12 september 2012
woensdag 18 januari 2012
Een brief met een rand – de laatste voorbereidingen
“Zal ik even de rolstoel halen”, biedt David aan. Ik heb mijn ogen nog bijna dicht. “Ik moet toch mee.” En dus ga ik zelf, terwijl hij andere dingen doet. Met de rolstoel leen ik een fijn, dik kussen, bedoeld voor decubituspatiënten, dus dat zit ongetwijfeld heerlijk. Na thuiskomst bel ik nog even met Heleen. “Nou, ze wist het hoor”, vertelt ze. “Toen ik binnenkwam, kwam ze uit de badkamer en begon meteen te huilen.” Het voelt nu extra goed dat we morgen naar de begrafenis gaan. De kleren hangen klaar en de schoenen zijn gepoetst. “Ik heb ook je moeder even verzorgd, zodat ze er morgen goed uitziet,” besluit Heleen. Wat vullen we elkaar toch vaak mooi aan; ik zou daar totaal niet aan gedacht hebben tot het moment dat we er waren. Bovendien geeft het mij een zetje om eens aan mijn eigen kleding te gaan denken. De wasmachine kan meteen aan de slag.
Na mijn afspraken van vandaag fiets ik even snel langs Blokker. Daar hebben ze wel fleecedekens, meende Heleen. En inderdaad, turquoise fleecedekens liggen er buiten in een bak. Niet echt een goede begrafeniskleur, maar wel beter dan niets. Bij navraag blijken er binnen nog meer te zijn, ook effen grijs, kleurend bij de kleding van mijn moeder. Ik vind het zo koud dat ik er meteen maar twee meeneem.
Eenmaal thuis ga ik serieus rekenen. Om 13 uur is de uitvaart. Het is ruim een uur rijden, we moeten nog lunchen en misschien is er nog een sanitaire stop nodig. Ik bel de verzorging. “Je moeder gaat om 9 uur ontbijten”, weet ze. Ik besluit om die tijd van huis te vertrekken, even aan te schuiven als dat nodig is en om uiterlijk 10 uur te vertrekken vanaf mijn moeder. Dan zit er voldoende speling in het programma. Niets gaat immers snel: even in- en uitstappen duurt achtmaal zo lang als bij mij, nog exclusief het uit- en invouwen van de rolstoel.
Zo, de planning is klaar, de warme fleecedekens staan klaar in een tas en ik heb nog wat drinken voor onderweg meegenomen. Er is nog maar een klein restje middag en het weer is koud maar prachtig. Misschien een mooi moment om nu even naar het postkantoor te fietsen. Postkantoor?? Dat zit vlak bij de bloemenzaak! Bloemen!!! Ik ren naar de buurvrouw om haar auto te lenen en haast me naar de bloemenwinkel. Bloemen uitkiezen, midden in de winter. Het valt me even niet mee. Gelukkig begrijpt de verkoopster het na lange tijd en begint ze mee te denken. Terwijl ze geschikt worden tot een mooie bos, loop ik even langs het postkantoor. Daar kom ik nog net op tijd binnen. Op de terugweg neem ik van een andere winkel nog een paar warme handschoenen mee, want waar mijn moeder die heeft, zou ik niet weten.
Met een prachtig boeket haast ik me naar huis. Intussen is David thuisgekomen met de auto, waar ik meteen weer mee vertrek om te gaan tanken. Ondanks alles moet ik lachen om mezelf: zo georganiseerd ga ik nooit van huis. Maar op pad met iemand met dementie vraagt om een heldere planning met voldoende speling. Dus alles wat niet per se morgen hoeft, doe ik nu.
Wanneer ik eindelijk toe ben aan de bank, komt de buurvrouw nog even een wijntje drinken. Goed idee. Even ontspannen zitten en het geheel doorspreken. “Reservekleding”, oppert ze. “Goed idee, ik noteer het meteen.” En dan ben ik eindelijk startklaar.
Na mijn afspraken van vandaag fiets ik even snel langs Blokker. Daar hebben ze wel fleecedekens, meende Heleen. En inderdaad, turquoise fleecedekens liggen er buiten in een bak. Niet echt een goede begrafeniskleur, maar wel beter dan niets. Bij navraag blijken er binnen nog meer te zijn, ook effen grijs, kleurend bij de kleding van mijn moeder. Ik vind het zo koud dat ik er meteen maar twee meeneem.
Eenmaal thuis ga ik serieus rekenen. Om 13 uur is de uitvaart. Het is ruim een uur rijden, we moeten nog lunchen en misschien is er nog een sanitaire stop nodig. Ik bel de verzorging. “Je moeder gaat om 9 uur ontbijten”, weet ze. Ik besluit om die tijd van huis te vertrekken, even aan te schuiven als dat nodig is en om uiterlijk 10 uur te vertrekken vanaf mijn moeder. Dan zit er voldoende speling in het programma. Niets gaat immers snel: even in- en uitstappen duurt achtmaal zo lang als bij mij, nog exclusief het uit- en invouwen van de rolstoel.
Zo, de planning is klaar, de warme fleecedekens staan klaar in een tas en ik heb nog wat drinken voor onderweg meegenomen. Er is nog maar een klein restje middag en het weer is koud maar prachtig. Misschien een mooi moment om nu even naar het postkantoor te fietsen. Postkantoor?? Dat zit vlak bij de bloemenzaak! Bloemen!!! Ik ren naar de buurvrouw om haar auto te lenen en haast me naar de bloemenwinkel. Bloemen uitkiezen, midden in de winter. Het valt me even niet mee. Gelukkig begrijpt de verkoopster het na lange tijd en begint ze mee te denken. Terwijl ze geschikt worden tot een mooie bos, loop ik even langs het postkantoor. Daar kom ik nog net op tijd binnen. Op de terugweg neem ik van een andere winkel nog een paar warme handschoenen mee, want waar mijn moeder die heeft, zou ik niet weten.
Met een prachtig boeket haast ik me naar huis. Intussen is David thuisgekomen met de auto, waar ik meteen weer mee vertrek om te gaan tanken. Ondanks alles moet ik lachen om mezelf: zo georganiseerd ga ik nooit van huis. Maar op pad met iemand met dementie vraagt om een heldere planning met voldoende speling. Dus alles wat niet per se morgen hoeft, doe ik nu.
Wanneer ik eindelijk toe ben aan de bank, komt de buurvrouw nog even een wijntje drinken. Goed idee. Even ontspannen zitten en het geheel doorspreken. “Reservekleding”, oppert ze. “Goed idee, ik noteer het meteen.” En dan ben ik eindelijk startklaar.
zondag 15 januari 2012
Een brief met een rand - vervolg
Mijn moeder zit al in de grote huiskamer als ik aankom. Misschien ook wel goed. Dan is ze in ieder geval niet alleen wanneer ik weer wegga. “Heb je iets voor me meegenomen?”, vraagt ze al snel. Hoe kan ze dat weten, schiet door me heen, maar het maakt niet uit, ik open mijn tas. Ik geef haar de kopie van de rouwkaart.
Ze schrikt. Even denkt ze dat het mijn neef betreft, maar dan begrijpt ze dat het zijn vader is, haar zwager. Ze schrikt opnieuw, want in haar beleving is hij nog niet zo oud. “Wat erg voor Anne”, verzucht ze. “Ze heeft al zoveel meegemaakt. Nu is ze helemaal alleen.” Ik slik een brok weg. Anne is nu net zo alleen als mijn moeder, zou ze dat bedoelen? Zou ze bedoelen dat ze het zelf elke ochtend zo zwaar vindt om in haar eentje wakker te worden, zonder iemand die zachtjes “goedemorgen” prevelt? Die alvast het koffiezetapparaat aanzet terwijl zij haar haren schikt en die haar boterham gesmeerd en gesneden voor haar neerzet wanneer ze op haar plekje op de bank neerzakt, met de krant naast zich.
Dat ben ik, die al die plaatjes op elkaar plakt. Mijn moeder denkt alleen maar aan haar zus. “Ga jij erheen?”, vraagt ze. Ik knik. “Dan wil ik wel graag met je mee. Ik zie er niet overheen om alleen te gaan.” “Nee, natuurlijk niet. Je gaat daar toch niet alleen naar toe, dan haal ik je op”, stel ik haar gerust. “Op dit soort momenten moet je achter elkaar staan”, zegt ze beslist. “Dat klopt niet he? Achter elkaar klinkt een beetje vreemd. Naast elkaar, dat bedoel ik. Je snapt me wel he?” “Ja mam, ik begrijp het helemaal. Achter elkaar vind ik ook mooi klinken.”
“O, o, overleden. Hoe oud was hij? Drieëntachtig? Dat is ook al een hele leeftijd.” Ik realiseer me dat het niet eens zoveel ouder is dan mijn moeder zelf, maar gelukkig lijkt mijn moeder daar nog ver van verwijderd. “Ga jij naar de begrafenis? Dan wil ik graag meerijden.” “Ja, mam, dat is goed. Maar ik wil nog even met Anne overleggen.” “Dat is een goed idee. Misschien vindt ze het veel fijner als ik een ander moment kom”, bedenkt mijn moeder. “Ik zal haar in ieder geval bellen.” Ik vermoed dat ze dat over een paar uur wel vergeten zal zijn, maar ik neem me voor toch met Anne te overleggen wat ze wil.
De volgende dag bel ik mijn nicht en leg haar mijn dilemma voor. We komen er niet helemaal uit. “Mail mijn moeder”, stelt ze voor. “Ik spreek haar straks, dan heeft ze even tijd om erover na te denken.” Annes antwoord is snel en helder. Ik begin mijn planning voor de dag van de begrafenis. Eerst een telefoontje naar Heleen. Die denkt meteen mee en belooft de kleding klaar te hangen. “En dan ga ik later deze week nog even langs om te kijken hoe het gaat. Ze zal wel een paar dagen van slag zijn.” Wanneer ik David spreek, blijkt dat hij op de dag van de uitvaart een officiële bespreking met zijn projectgroep heeft. “Ik zal wel kijken of het ook zonder mij kan”, belooft hij. Ik plan alvast dat ik een rolstoel haal en langzaam groeit de dag in mijn hoofd. Ik krijg de tijden nog niet helemaal helder. Rust in het programma is belangrijk, om onrust bij mijn moeder te voorkomen. Maar als we al uren op pad zijn voordat het begint, vrees ik dat mijn moeder volkomen verward zal zijn van vermoeidheid, nog voor er een woord gesproken is. Ik besluit haar in ieder geval de rouwkaart in handen te geven onderweg, zodat ze steeds weer even kan zien waar we heengaan.
Ze schrikt. Even denkt ze dat het mijn neef betreft, maar dan begrijpt ze dat het zijn vader is, haar zwager. Ze schrikt opnieuw, want in haar beleving is hij nog niet zo oud. “Wat erg voor Anne”, verzucht ze. “Ze heeft al zoveel meegemaakt. Nu is ze helemaal alleen.” Ik slik een brok weg. Anne is nu net zo alleen als mijn moeder, zou ze dat bedoelen? Zou ze bedoelen dat ze het zelf elke ochtend zo zwaar vindt om in haar eentje wakker te worden, zonder iemand die zachtjes “goedemorgen” prevelt? Die alvast het koffiezetapparaat aanzet terwijl zij haar haren schikt en die haar boterham gesmeerd en gesneden voor haar neerzet wanneer ze op haar plekje op de bank neerzakt, met de krant naast zich.
Dat ben ik, die al die plaatjes op elkaar plakt. Mijn moeder denkt alleen maar aan haar zus. “Ga jij erheen?”, vraagt ze. Ik knik. “Dan wil ik wel graag met je mee. Ik zie er niet overheen om alleen te gaan.” “Nee, natuurlijk niet. Je gaat daar toch niet alleen naar toe, dan haal ik je op”, stel ik haar gerust. “Op dit soort momenten moet je achter elkaar staan”, zegt ze beslist. “Dat klopt niet he? Achter elkaar klinkt een beetje vreemd. Naast elkaar, dat bedoel ik. Je snapt me wel he?” “Ja mam, ik begrijp het helemaal. Achter elkaar vind ik ook mooi klinken.”
“O, o, overleden. Hoe oud was hij? Drieëntachtig? Dat is ook al een hele leeftijd.” Ik realiseer me dat het niet eens zoveel ouder is dan mijn moeder zelf, maar gelukkig lijkt mijn moeder daar nog ver van verwijderd. “Ga jij naar de begrafenis? Dan wil ik graag meerijden.” “Ja, mam, dat is goed. Maar ik wil nog even met Anne overleggen.” “Dat is een goed idee. Misschien vindt ze het veel fijner als ik een ander moment kom”, bedenkt mijn moeder. “Ik zal haar in ieder geval bellen.” Ik vermoed dat ze dat over een paar uur wel vergeten zal zijn, maar ik neem me voor toch met Anne te overleggen wat ze wil.
De volgende dag bel ik mijn nicht en leg haar mijn dilemma voor. We komen er niet helemaal uit. “Mail mijn moeder”, stelt ze voor. “Ik spreek haar straks, dan heeft ze even tijd om erover na te denken.” Annes antwoord is snel en helder. Ik begin mijn planning voor de dag van de begrafenis. Eerst een telefoontje naar Heleen. Die denkt meteen mee en belooft de kleding klaar te hangen. “En dan ga ik later deze week nog even langs om te kijken hoe het gaat. Ze zal wel een paar dagen van slag zijn.” Wanneer ik David spreek, blijkt dat hij op de dag van de uitvaart een officiële bespreking met zijn projectgroep heeft. “Ik zal wel kijken of het ook zonder mij kan”, belooft hij. Ik plan alvast dat ik een rolstoel haal en langzaam groeit de dag in mijn hoofd. Ik krijg de tijden nog niet helemaal helder. Rust in het programma is belangrijk, om onrust bij mijn moeder te voorkomen. Maar als we al uren op pad zijn voordat het begint, vrees ik dat mijn moeder volkomen verward zal zijn van vermoeidheid, nog voor er een woord gesproken is. Ik besluit haar in ieder geval de rouwkaart in handen te geven onderweg, zodat ze steeds weer even kan zien waar we heengaan.
Labels:
contact,
familie,
hulpmiddelen,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning
zaterdag 14 januari 2012
Een brief met een rand
Als ik de post uit de brievenbus haal, zie ik het al. Het handschrift herken ik uit duizenden en de zwarte rand eromheen vertelt me alles wat ik niet wil weten. De envelop is aan mij en aan David gestuurd, dus mijn moeder heeft haar eigen kaart gekregen. In één seconden schiet er zoveel door mijn hoofd, maar de grote bal die plotseling in mijn maag landt, verdooft alle gedachten. Verlies went niet.
Na de eerste tranen dringt de situatie tot me door. Ik ga naar de uitvaart, dat staat vast. De afspraak voor die dag moet ik zo snel mogelijk verzetten. Maar dan. David kan niet mee, zegt hij. Ik antwoord wat hij mij in zulke situaties vertelt: laat het even bezinken en bekijk het even rustig. Wil je mee, zo ja, dan moet je schuiven met je afspraken. Voor afscheid krijg je geen tweede kans.
En dan mijn moeder. Het is haar zwager die op de kaart staat. Bijna zestig jaar kent ze hem. Nog maar kort geleden bekeek ik foto’s waarop mijn moeder, haar zus en de beide geliefden hun spullen inladen voor een vakantie in het buitenland. Jong zijn ze nog, zorgeloos. Inmiddels zijn de beide zussen niet meer in staat elkaar te bezoeken. Ze hebben elkaar dan ook al een paar jaar niet meer gezien. Jaren waarin mijn moeder veel verloren heeft, maar wie haar zwager is, weet ze maar al te goed.
Ik overleg met de verzorging. Kan mijn moeder nog mee? De uitvaart is op de tijd dat ze normaal slaapt. “De maaltijden zijn misschien een probleem”, oppert de verzorgende. Het is de minste van mijn zorgen. Eten verzorg ik wel. Maar het hele ritme wordt overhoop gegooid. “Ze weet nog wie hij is? Dan moet ze zeker gaan”, vindt de verzorgende. In dat geval moet David mee, dan heb ik hem nodig. Iedere minuut is mijn moeder kwijt waar we naar toe gaan en waarom. Het is ruim anderhalf uur rijden…
Hoe kom ik toe aan mijn eigen verdriet als ik mijn moeder moet ondersteunen? Alles in mij protesteert, maar het mag niet om mij gaan. Het gaat om de beide zussen. Ik ga overleggen met mijn moeder en zoek mijn tante. Uiteindelijk hebben zij tweeën de laatste stem. Of meer nog: de stem van mijn tante zal de doorslag geven. Wil zij juist nu haar zusje bij zich hebben? Of wordt die confrontatie teveel op deze toch al zo verdrietige dag?
Eerst mijn moeder. Misschien weet ze nog van niets. “Rouwkaarten halen we er altijd tussenuit”, vertelt de verzorgende me. “Die brengen we persoonlijk aan de mensen, zodat ze niet alleen zijn als ze ze open maken. Je moeder heeft er nog geen gehad.” Ik zal de mijne maar meenemen.
Na de eerste tranen dringt de situatie tot me door. Ik ga naar de uitvaart, dat staat vast. De afspraak voor die dag moet ik zo snel mogelijk verzetten. Maar dan. David kan niet mee, zegt hij. Ik antwoord wat hij mij in zulke situaties vertelt: laat het even bezinken en bekijk het even rustig. Wil je mee, zo ja, dan moet je schuiven met je afspraken. Voor afscheid krijg je geen tweede kans.
En dan mijn moeder. Het is haar zwager die op de kaart staat. Bijna zestig jaar kent ze hem. Nog maar kort geleden bekeek ik foto’s waarop mijn moeder, haar zus en de beide geliefden hun spullen inladen voor een vakantie in het buitenland. Jong zijn ze nog, zorgeloos. Inmiddels zijn de beide zussen niet meer in staat elkaar te bezoeken. Ze hebben elkaar dan ook al een paar jaar niet meer gezien. Jaren waarin mijn moeder veel verloren heeft, maar wie haar zwager is, weet ze maar al te goed.
Ik overleg met de verzorging. Kan mijn moeder nog mee? De uitvaart is op de tijd dat ze normaal slaapt. “De maaltijden zijn misschien een probleem”, oppert de verzorgende. Het is de minste van mijn zorgen. Eten verzorg ik wel. Maar het hele ritme wordt overhoop gegooid. “Ze weet nog wie hij is? Dan moet ze zeker gaan”, vindt de verzorgende. In dat geval moet David mee, dan heb ik hem nodig. Iedere minuut is mijn moeder kwijt waar we naar toe gaan en waarom. Het is ruim anderhalf uur rijden…
Hoe kom ik toe aan mijn eigen verdriet als ik mijn moeder moet ondersteunen? Alles in mij protesteert, maar het mag niet om mij gaan. Het gaat om de beide zussen. Ik ga overleggen met mijn moeder en zoek mijn tante. Uiteindelijk hebben zij tweeën de laatste stem. Of meer nog: de stem van mijn tante zal de doorslag geven. Wil zij juist nu haar zusje bij zich hebben? Of wordt die confrontatie teveel op deze toch al zo verdrietige dag?
Eerst mijn moeder. Misschien weet ze nog van niets. “Rouwkaarten halen we er altijd tussenuit”, vertelt de verzorgende me. “Die brengen we persoonlijk aan de mensen, zodat ze niet alleen zijn als ze ze open maken. Je moeder heeft er nog geen gehad.” Ik zal de mijne maar meenemen.
woensdag 14 december 2011
Verdwaald
“Het kan dus goed zijn dat wij dat helemaal niet mogen.” De vrouw zit tegenover me en kijkt me begripvol aan. “Je hebt het nog niet gekocht, toch?”, vraagt ze nog even voor de zekerheid. Nee, ik heb me alleen nog maar georiënteerd. Ik zoek een gps-systeem zodat mijn moeder traceerbaar is wanneer ze verdwaald is. Verdwaald betekent in dit geval: al wel erg lang aan het wandelen. Het is de eerste actie die ik nam nadat het verzorgingshuis me belde met de mededeling dat ik moest gaan uitkijken voor een ander huis voor mijn moeder, omdat ze steeds meer wandelt en soms blijkt te verdwalen.
Mijn moeder wandelt omdat ze van lopen en van de buitenlucht houdt en omdat ze niet meer kan fietsen. Voorheen, toen haar hoofd nog helder was, fietste ze dagelijks vele kilometers. Uitwaaien langs het kanaal, met halverwege een kopje koffie bij een restaurant op de route. Ze weet niet dat ze niet meer fietst, maar ze weet wel dat ze loopt. Want dat prijkt vet bovenaan haar lijst “Dingen die ik graag doe”. De mensen van Het Huis gunnen haar haar wandelrondjes wel, maar kunnen haar niet steeds gaan zoeken als ze na een uur nog niet is teruggekeerd. Met een gps-systeem hoeft er op zijn minst niet meer gezocht te worden, maar geeft de computer of een hippe smartphone meteen duidelijkheid over de verblijfplaats van mijn moeder. Met nog wat meer techniek kan ze vervolgens teruggepraat worden naar huis, zonder dat er iemand achter een balie vandaan hoeft te gaan. Sterker nog, dat kan ik zelfs, vanachter mijn bureau kilometers verderop.
Maar nu kan het dus zijn dat er een stokje voor gestoken wordt. “Het klinkt als een vrijheidsbeperkende maatregel en die mogen wij niet uitvoeren”, vertelt de vrouw. “Dus als ik het goed begrijp mag zo’n gps-systeem niet omdat het vrijheidsbeperkend is, met als gevolg dat mijn moeder naar een gesloten afdeling moet, waar ze helemaal niet meer kan wandelen, want gesloten afdelingen hebben vanwege de kosten nooit een tuin.” “Precies, zo zit het.”
Inmiddels is het een paar maanden later. Ik krijg een mail en ja, het is zoals de vrouw al vreesde. Het mag niet. Ze biedt me de maas in de wet, maar ik wil meer: een betere wet. Want wie die maas niet kan gebruiken wordt opgesloten, weggestopt.
Mijn moeder wandelt omdat ze van lopen en van de buitenlucht houdt en omdat ze niet meer kan fietsen. Voorheen, toen haar hoofd nog helder was, fietste ze dagelijks vele kilometers. Uitwaaien langs het kanaal, met halverwege een kopje koffie bij een restaurant op de route. Ze weet niet dat ze niet meer fietst, maar ze weet wel dat ze loopt. Want dat prijkt vet bovenaan haar lijst “Dingen die ik graag doe”. De mensen van Het Huis gunnen haar haar wandelrondjes wel, maar kunnen haar niet steeds gaan zoeken als ze na een uur nog niet is teruggekeerd. Met een gps-systeem hoeft er op zijn minst niet meer gezocht te worden, maar geeft de computer of een hippe smartphone meteen duidelijkheid over de verblijfplaats van mijn moeder. Met nog wat meer techniek kan ze vervolgens teruggepraat worden naar huis, zonder dat er iemand achter een balie vandaan hoeft te gaan. Sterker nog, dat kan ik zelfs, vanachter mijn bureau kilometers verderop.
Maar nu kan het dus zijn dat er een stokje voor gestoken wordt. “Het klinkt als een vrijheidsbeperkende maatregel en die mogen wij niet uitvoeren”, vertelt de vrouw. “Dus als ik het goed begrijp mag zo’n gps-systeem niet omdat het vrijheidsbeperkend is, met als gevolg dat mijn moeder naar een gesloten afdeling moet, waar ze helemaal niet meer kan wandelen, want gesloten afdelingen hebben vanwege de kosten nooit een tuin.” “Precies, zo zit het.”
Inmiddels is het een paar maanden later. Ik krijg een mail en ja, het is zoals de vrouw al vreesde. Het mag niet. Ze biedt me de maas in de wet, maar ik wil meer: een betere wet. Want wie die maas niet kan gebruiken wordt opgesloten, weggestopt.
Labels:
hulpmiddelen,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning,
wandelen,
woonvormen
donderdag 16 juni 2011
De dame van het CIZ
Het is nog maar acht uur als ik voor de dichte deur van het Huis sta. Ik heb een sleutel voor dat soort situaties. Sinds een paar jaar is het Huis beveiligd met camera’s en een speciaal slot voor de uren buiten kantoortijden. Wie daar geen sleutel van heeft, moet aanbellen en wordt gecontroleerd. Spijtig dat dat nodig is, maar tegelijkertijd geeft het mij een veilig gevoel. Zo kunnen er geen rare types bij mijn moeder aan de deur verschijnen.
Ik laat mezelf naar binnen en loop via de trap naar mijn moeders etage. Er is al veel bedrijvigheid. De verzorgenden zijn druk in de weer, een schoonmaakkar staat midden in de gang. De hulp is in een appartement aan het werk. Mijn moeder is net aangekleed en heeft haar haar al opgestoken, wanneer ik binnenstap. Ze is niet verbaasd me te zien. Mensen vragen me vaak of mijn moeder mij nog herkent. Ooit, éénmaal, is het voorgekomen dat ze geen idee had wie ik was. Nog geen minuut duurde die verwarring. Maar verder komt het nooit voor dat ze niet weet wie ik ben. Ze vergeet hooguit dat ik niet bij haar woon. Soms lijft ze mij gewoon in haar huishouden in, hoewel ze meestal wel weet dat mijn huis ergens anders staat. Geen idee waar, maar wel ergens anders. “Maar doe hier of je thuis bent hoor”, zegt ze me. “Dit is ook jouw huis!” En dus schenk ik even later wat te drinken in, wanneer mijn moeder is gaan zitten vanwege een aanval van duizeligheid.
Ik vertel dat er zo iemand van het CIZ langskomt. “Je krijgt meer zorg. Je gaat al naar een groep waar je eet en koffie drinkt en activiteiten doet, maar nu is er een groep voor het ontbijt en een avondgroep bijgekomen”, leg ik uit. “Dat kost allemaal geld en het CIZ bepaalt of het Huis dat geld krijgt. Er wordt bekeken of je inderdaad meer zorg nodig hebt.” “Fijn dat je het even uitlegt”, zegt mijn moeder. “Die extra zorg is nodig omdat je een aantal dingen minder goed kan”, ga ik door. “Zoals actief zijn. Voor mensen met dementie is dat best ingewikkeld. Eerst moet je bedenken wat je gaat doen. Tekenen bijvoorbeeld. Dan moet je bedenken wat je daar allemaal voor nodig hebt, dat moet je opzoeken en klaar zetten. Dus het is heel anders dan vroeger, toen was je juist heel actief.” “Het is wat he”, zegt mijn moeder. “Vroeger kon ik alles zelfstandig en dan plotseling is dat voorbij en heb ik overal hulp bij nodig. Daar hoef je niet om te huilen, het is nou eenmaal gewoon zo.” “Maar ik vind het wel erg, ik vind het triest”, antwoord ik. “Zolang ik maar weet wie jij bent, is het goed”, troost mijn moeder. “O ja? Wie ben ik dan?”, vraag ik. “Jopie uit de Javastraat”, grijnst ze.
En dan komt de dame van het CIZ. Ze stelt allerlei vragen, samen nemen we het formulier door, omdat de gegevens niet meer kloppen. Dat er nog geen handtekening gezet is, is niet erg. Ik ben immers aanwezig, mijn toestemming is wel duidelijk. Weliswaar werkt het geheugen van mijn moeder totaal niet meer, maar de sociale vaardigheden voor een dergelijk gesprek heeft ze wel degelijk nog. Het valt amper op dat ze werkelijk niets kan onthouden. Dat ze geen flauw idee heeft wie er naast haar op de bank zit, laat ze zelfs met haar ogen niet zien. Op alle vragen geeft ze keurig antwoord. Zo nu en dan licht ik iets toe. Ik houd mijn hart dan ook even vast als de CIZ-medewerkerster vraagt: “En wat doet u zoal overdag, als u in uw eigen flat bent?” “Ik doe van alles”, begint mijn moeder. “Ik, eh, sta eens op, loop rond, kijk uit het raam. En ik kijk weer uit het raam en nog eens. Ik kijk, kortom, veel naar buiten.” “Lees je nog?”, vraag ik. “Jawel, dat nog wel. Maar hele rijen boeken achter elkaar, zoals vroeger, dat niet meer.” “Vroeger tekende je veel en handwerkte je ook”, zeg ik nog. “Ja, tekenen deed ik graag. Maar aan handwerken had ik een hekel, bah!”, zegt mijn moeder vol afschuw. Ik ben stomverbaasd. Een hekel? Ze maakte voor zoon een groot wandkleed en een prachtig babytruitje. En ook later heeft ze nog gebreid. Zijn eerste knuffel kwam ook van haar hand, volkomen onverwacht kreeg ik een zelfgebreid Nijntje voor zoon, de dag dat voordat hij geboren werd. Maar dat ze nu niet meer van breien houdt, weet ik. Dat heeft ze me al vaker verteld. Geen wonder. De lapjes die ik in het Huis soms zie, zijn niet te vergelijken met de kleine kunstwerken die ze zelf vroeger in elkaar zette.
De dame van het CIZ wil nog wat weten van de verpleging en van de geriater. Als ze al die gegevens bij elkaar heeft, zal ze besluiten of er werkelijk meer geld voor zorg beschikbaar komt. Ik maak me voorlopig geen zorgen. Het is duidelijk dat mijn moeder weinig meer zelf doet. Een half jaar geleden sleepte ze zelf de koffie nog aan, maar inmiddels neemt ze met plezier elke middag het kannetje van het Huis in ontvangst. Koffie zetten is best ingewikkeld geworden, weet ik uit de verhalen van Heleen.
Vriendelijk en correct laat mijn moeder de vrouw even later uit. We pakken onze spullen bij elkaar. Als mijn moeder bijna onderuitklapt op de gang, pak ik de rollator. “Neem deze mee, mam”, beveel ik zacht. “Dan val je in ieder geval niet.” Samen lopen we naar de lift. Ik ga nog even mee naar het ontbijt, voor een lekker kopje thee. En om weer een beetje meer te wennen aan de stille dames met wie mijn moeder tegenwoordig haar dagen deelt.
Ik laat mezelf naar binnen en loop via de trap naar mijn moeders etage. Er is al veel bedrijvigheid. De verzorgenden zijn druk in de weer, een schoonmaakkar staat midden in de gang. De hulp is in een appartement aan het werk. Mijn moeder is net aangekleed en heeft haar haar al opgestoken, wanneer ik binnenstap. Ze is niet verbaasd me te zien. Mensen vragen me vaak of mijn moeder mij nog herkent. Ooit, éénmaal, is het voorgekomen dat ze geen idee had wie ik was. Nog geen minuut duurde die verwarring. Maar verder komt het nooit voor dat ze niet weet wie ik ben. Ze vergeet hooguit dat ik niet bij haar woon. Soms lijft ze mij gewoon in haar huishouden in, hoewel ze meestal wel weet dat mijn huis ergens anders staat. Geen idee waar, maar wel ergens anders. “Maar doe hier of je thuis bent hoor”, zegt ze me. “Dit is ook jouw huis!” En dus schenk ik even later wat te drinken in, wanneer mijn moeder is gaan zitten vanwege een aanval van duizeligheid.
Ik vertel dat er zo iemand van het CIZ langskomt. “Je krijgt meer zorg. Je gaat al naar een groep waar je eet en koffie drinkt en activiteiten doet, maar nu is er een groep voor het ontbijt en een avondgroep bijgekomen”, leg ik uit. “Dat kost allemaal geld en het CIZ bepaalt of het Huis dat geld krijgt. Er wordt bekeken of je inderdaad meer zorg nodig hebt.” “Fijn dat je het even uitlegt”, zegt mijn moeder. “Die extra zorg is nodig omdat je een aantal dingen minder goed kan”, ga ik door. “Zoals actief zijn. Voor mensen met dementie is dat best ingewikkeld. Eerst moet je bedenken wat je gaat doen. Tekenen bijvoorbeeld. Dan moet je bedenken wat je daar allemaal voor nodig hebt, dat moet je opzoeken en klaar zetten. Dus het is heel anders dan vroeger, toen was je juist heel actief.” “Het is wat he”, zegt mijn moeder. “Vroeger kon ik alles zelfstandig en dan plotseling is dat voorbij en heb ik overal hulp bij nodig. Daar hoef je niet om te huilen, het is nou eenmaal gewoon zo.” “Maar ik vind het wel erg, ik vind het triest”, antwoord ik. “Zolang ik maar weet wie jij bent, is het goed”, troost mijn moeder. “O ja? Wie ben ik dan?”, vraag ik. “Jopie uit de Javastraat”, grijnst ze.
En dan komt de dame van het CIZ. Ze stelt allerlei vragen, samen nemen we het formulier door, omdat de gegevens niet meer kloppen. Dat er nog geen handtekening gezet is, is niet erg. Ik ben immers aanwezig, mijn toestemming is wel duidelijk. Weliswaar werkt het geheugen van mijn moeder totaal niet meer, maar de sociale vaardigheden voor een dergelijk gesprek heeft ze wel degelijk nog. Het valt amper op dat ze werkelijk niets kan onthouden. Dat ze geen flauw idee heeft wie er naast haar op de bank zit, laat ze zelfs met haar ogen niet zien. Op alle vragen geeft ze keurig antwoord. Zo nu en dan licht ik iets toe. Ik houd mijn hart dan ook even vast als de CIZ-medewerkerster vraagt: “En wat doet u zoal overdag, als u in uw eigen flat bent?” “Ik doe van alles”, begint mijn moeder. “Ik, eh, sta eens op, loop rond, kijk uit het raam. En ik kijk weer uit het raam en nog eens. Ik kijk, kortom, veel naar buiten.” “Lees je nog?”, vraag ik. “Jawel, dat nog wel. Maar hele rijen boeken achter elkaar, zoals vroeger, dat niet meer.” “Vroeger tekende je veel en handwerkte je ook”, zeg ik nog. “Ja, tekenen deed ik graag. Maar aan handwerken had ik een hekel, bah!”, zegt mijn moeder vol afschuw. Ik ben stomverbaasd. Een hekel? Ze maakte voor zoon een groot wandkleed en een prachtig babytruitje. En ook later heeft ze nog gebreid. Zijn eerste knuffel kwam ook van haar hand, volkomen onverwacht kreeg ik een zelfgebreid Nijntje voor zoon, de dag dat voordat hij geboren werd. Maar dat ze nu niet meer van breien houdt, weet ik. Dat heeft ze me al vaker verteld. Geen wonder. De lapjes die ik in het Huis soms zie, zijn niet te vergelijken met de kleine kunstwerken die ze zelf vroeger in elkaar zette.
De dame van het CIZ wil nog wat weten van de verpleging en van de geriater. Als ze al die gegevens bij elkaar heeft, zal ze besluiten of er werkelijk meer geld voor zorg beschikbaar komt. Ik maak me voorlopig geen zorgen. Het is duidelijk dat mijn moeder weinig meer zelf doet. Een half jaar geleden sleepte ze zelf de koffie nog aan, maar inmiddels neemt ze met plezier elke middag het kannetje van het Huis in ontvangst. Koffie zetten is best ingewikkeld geworden, weet ik uit de verhalen van Heleen.
Vriendelijk en correct laat mijn moeder de vrouw even later uit. We pakken onze spullen bij elkaar. Als mijn moeder bijna onderuitklapt op de gang, pak ik de rollator. “Neem deze mee, mam”, beveel ik zacht. “Dan val je in ieder geval niet.” Samen lopen we naar de lift. Ik ga nog even mee naar het ontbijt, voor een lekker kopje thee. En om weer een beetje meer te wennen aan de stille dames met wie mijn moeder tegenwoordig haar dagen deelt.
vrijdag 10 juni 2011
Vroeger is dood
Er zijn telefoontjes die je vreest. Sommige zul je nooit krijgen, hoop je met heel je hart. Maar andere krijg je op een dag. Dat weet je. Alleen blijft het tijdstip ongewis, tot je ze krijgt. Zoals vandaag.
‘Het Huis’ staat er in het schermpje. En nee, de verzorgende klinkt niet zo opgewekt als anders. Gelukkig ook nog geen grafstem. Die hoop ik ook werkelijk nooit te treffen. Op dat moment hoop ik daar te zijn, zittend naast haar, met haar broze handen in de mijne. Met een washandje verkoel ik haar gezicht.
Zover is het nu niet. Nog niet. Maar het nadert, dat moment. Bijna een jaar geleden signaleerde ik het al, toen de verzorging het nog niet zo in de gaten had. Haar woordenschat begon langzaam te slinken. Woorden die de medewerkersters niet kenden verdwenen uit haar hoofd. In de conversatie vielen zoekpauzes. Inmiddels zijn het niet meer alleen die woorden, maar is ook haar kennis onbereikbaar aan het worden. Het lopen gaat moeilijk, vooral omdat de weg naar het “hoe moet je lopen”-centrum in haar hersenen nog maar een dun draadje lijkt te zijn. Geluiden van anderen storen haar en in haar eentje in haar kamer wordt ze onrustig. Waar moet ze ook alweer heen? Ze wordt toch ergens op tijd verwacht? Op tijd zijn is er ooit al jong ingeslepen. Dat is een tweede natuur geworden. En dus gaat ze de gang op, op zoek naar iemand die haar kan vertellen hoe laat en waar ze verwacht wordt. Het antwoord blijft alleen niet langer dan 15 seconden hangen. En dus gaat ze weer op zoek naar iemand die haar kan vertellen hoe laat en waar ze verwacht wordt. Het antwoord blijft alleen niet langer dan 15 seconden hangen. En dus gaat ze.........
Alles bij elkaar is het voldoende reden om de zorg uit te breiden. Niet alleen gaat ze nu naar de dagopvang, maar ook zit ze in de ontbijtgroep en is er sinds deze week een avondgroep bij. En een paar dagen geleden heeft ze haar oude dag-groep verlaten om naar de laatste groep te gaan. De kleine groep, met rust, eenvoudige spellen en een vrolijke, warme inrichting. Haar eigen leidster was er niet gelukkig mee. Vaak ging het nog best, vond ze. Maar ze moest toegeven dat haar collega’s gelijk hadden: steeds meer dagen ging het eigenlijk niet. Ze moest alle zeilen bijzetten om het bij te kunnen houden. De gesprekken gingen snel, de vragen werden te moeilijk. Nu, na twee dagen proberen op de nieuwe groep, moet ze het toegeven: de oude, zorgende aard komt weer naar boven. Mijn moeder zit weer lekker in haar vel.
Het is slikken, heel diep slikken. Ze heeft helemaal gelijk en ik beaam het allemaal, maar diep van binnen wil ik dit helemaal niet. Ik wil niet dat mijn moeder naar een andere groep gaat, want ik wil niet dat ze achteruit gaat. Ik wil niet dat ze wegglijdt uit mijn leven. Ze is het laatste wat ik van vroeger heb. En terwijl ik dit zeg, weet ik dat het onzin is. Mijn vroeger is allang onbereikbaar in haar geheugen. Vroeger is dood. En ook ik sterf een beetje, van binnen.
‘Het Huis’ staat er in het schermpje. En nee, de verzorgende klinkt niet zo opgewekt als anders. Gelukkig ook nog geen grafstem. Die hoop ik ook werkelijk nooit te treffen. Op dat moment hoop ik daar te zijn, zittend naast haar, met haar broze handen in de mijne. Met een washandje verkoel ik haar gezicht.
Zover is het nu niet. Nog niet. Maar het nadert, dat moment. Bijna een jaar geleden signaleerde ik het al, toen de verzorging het nog niet zo in de gaten had. Haar woordenschat begon langzaam te slinken. Woorden die de medewerkersters niet kenden verdwenen uit haar hoofd. In de conversatie vielen zoekpauzes. Inmiddels zijn het niet meer alleen die woorden, maar is ook haar kennis onbereikbaar aan het worden. Het lopen gaat moeilijk, vooral omdat de weg naar het “hoe moet je lopen”-centrum in haar hersenen nog maar een dun draadje lijkt te zijn. Geluiden van anderen storen haar en in haar eentje in haar kamer wordt ze onrustig. Waar moet ze ook alweer heen? Ze wordt toch ergens op tijd verwacht? Op tijd zijn is er ooit al jong ingeslepen. Dat is een tweede natuur geworden. En dus gaat ze de gang op, op zoek naar iemand die haar kan vertellen hoe laat en waar ze verwacht wordt. Het antwoord blijft alleen niet langer dan 15 seconden hangen. En dus gaat ze weer op zoek naar iemand die haar kan vertellen hoe laat en waar ze verwacht wordt. Het antwoord blijft alleen niet langer dan 15 seconden hangen. En dus gaat ze.........
Alles bij elkaar is het voldoende reden om de zorg uit te breiden. Niet alleen gaat ze nu naar de dagopvang, maar ook zit ze in de ontbijtgroep en is er sinds deze week een avondgroep bij. En een paar dagen geleden heeft ze haar oude dag-groep verlaten om naar de laatste groep te gaan. De kleine groep, met rust, eenvoudige spellen en een vrolijke, warme inrichting. Haar eigen leidster was er niet gelukkig mee. Vaak ging het nog best, vond ze. Maar ze moest toegeven dat haar collega’s gelijk hadden: steeds meer dagen ging het eigenlijk niet. Ze moest alle zeilen bijzetten om het bij te kunnen houden. De gesprekken gingen snel, de vragen werden te moeilijk. Nu, na twee dagen proberen op de nieuwe groep, moet ze het toegeven: de oude, zorgende aard komt weer naar boven. Mijn moeder zit weer lekker in haar vel.
Het is slikken, heel diep slikken. Ze heeft helemaal gelijk en ik beaam het allemaal, maar diep van binnen wil ik dit helemaal niet. Ik wil niet dat mijn moeder naar een andere groep gaat, want ik wil niet dat ze achteruit gaat. Ik wil niet dat ze wegglijdt uit mijn leven. Ze is het laatste wat ik van vroeger heb. En terwijl ik dit zeg, weet ik dat het onzin is. Mijn vroeger is allang onbereikbaar in haar geheugen. Vroeger is dood. En ook ik sterf een beetje, van binnen.
vrijdag 3 juni 2011
Familiedag
Vandaag is het Familiedag. Dat was tenminste de bedoeling. Een paar weken geleden belde een van de groepsleidsters met de mededeling dat er maar vijf aanmeldingen waren en de dag dus niet doorging. Vijf familieleden van de veertien deelnemers. Voor mij is het onbegrijpelijk. Ik keek er al naar uit dat er weer een familiedag zou komen, maar blijkbaar leeft die behoefte lang niet bij iedereen. Ik stel de leidster voor om die vijf mensen dan gewoon een ochtend mee te laten draaien. Dat vinden de leidsters niet praktisch, maar Heleen en ik zijn van harte welkom om te komen. En dat doen we dus vandaag.
We komen keurig op tijd om 10 uur het lokaal binnen, maar blijken bepaald niet de eersten te zijn. Geen wonder. Op woensdag is er sinds kort een gemeenschappelijk ontbijt voor een klein groepje mensen, waaronder mijn moeder, en die zijn direct na het ontbijt doorgewandeld naar hun eigen lokaal. Uitgepraat zijn ze echter nog niet. Meneer Smit heeft als gewoonlijk het hoogste woord, maar hij wil ons graag even uitleggen hoe dat komt. “Ik ben vertegenwoordiger geweest, altijd maar praten en nu kan ik niet meer ophouden.” Toch is het tussen al zijn grapjes door geen gezwam wat hij uit. Met tranen in zijn ogen vertelt hij hoe zijn oogappel, al ruim 65 jaar de vrouw van zijn dromen, tegenwoordig in een verpleeghuis woont. Hij zit noodgedwongen hier. “We hebben hier samen gewoond, heel lang, maar een tijdje geleden moest ze verhuizen. En nu zit ze daar. Ze moppert nooit hoor, dat is fijn voor mij, want zodra ik maar even kan, ga ik naar haar toe. Maar zo gaat dat dus, na 65 jaar halen ze je uit elkaar.” Heleen probeert zijn gemoed wat op te fleuren, maar ik wil nog even weten of hij niet zou wensen dat er een woonoord was waar ze samen konden wonen: zij met de zorg die ze nodig heeft en hij met de vrijheid die hij aankan. Meneer Smit ziet even niet hoe dat zou moeten. Misschien maar beter, die kans is er niet voor hem.
Het zou al schelen als ze verpleeg- en verzorgingshuis naast elkaar zouden zetten, zodat meneer Smit zelf naar zijn vrouw kan wandelen, wanneer hij daar zin in heeft. Al lost dat niet alles op. “Het is zo leeg naast me”, zegt hij.
Ik word er stil van, maar dat is natuurlijk niet de bedoeling. Want het volgende moment praat hij weer vrolijk door over de goede kanten van het wonen in dit huis. “En vertel eens”, begint hij tegen Heleen en mij. “Jullie zijn nog jong, maar zou je hier wel willen wonen later?”
“Dat is een moeilijke vraag”, begin ik. “Toen ik hier voor het eerst kwam, schrok ik. De kamers waren zo klein. Als ik in het midden stond, kon ik me van de ene muur naar de andere laten wiegen.” Ik zwaai mijn bovenlijf met gestrekte armen heen en weer om te laten zien hoe klein ik het vond. “Maar toen mijn moeder hier voor het eerst kwam, vond ze het geweldig, zo’n knusse, kleine kamer. Overzichtelijk, gezellig. Ik ben te jong om van zoiets te kunnen genieten. Ik heb nog teveel behoefte aan ruimte.” De grijze hoofden om ons heen knikken herkennend. Ja, zo zijn ze ook geweest. En klein is het, dat zien ze zelf ook. Maar ze wonen er allemaal met veel plezier, verzekeren ze ons.
Ook de vrijwilligster die langsloopt praat nog even mee. “Van mij hoor je geen kritiek op de verzorging. Overal wordt zo hard gewerkt. Maar er zijn huizen waar het niet fijn is, die heb ik ook wel gezien. Hier vind ik het plezierig.” “Dat is ook mijn ervaring”, vertel ik haar. “Ik ben op plaatsen geweest waar ik mijn moeder echt niet wil laten wonen, dus ik heb kritisch gekeken toen we samen een flat voor haar zochten.” Mijn moeder hoort het allemaal rustig aan. Ze geniet volop van de aanwezigheid van Heleen en mij.
We komen keurig op tijd om 10 uur het lokaal binnen, maar blijken bepaald niet de eersten te zijn. Geen wonder. Op woensdag is er sinds kort een gemeenschappelijk ontbijt voor een klein groepje mensen, waaronder mijn moeder, en die zijn direct na het ontbijt doorgewandeld naar hun eigen lokaal. Uitgepraat zijn ze echter nog niet. Meneer Smit heeft als gewoonlijk het hoogste woord, maar hij wil ons graag even uitleggen hoe dat komt. “Ik ben vertegenwoordiger geweest, altijd maar praten en nu kan ik niet meer ophouden.” Toch is het tussen al zijn grapjes door geen gezwam wat hij uit. Met tranen in zijn ogen vertelt hij hoe zijn oogappel, al ruim 65 jaar de vrouw van zijn dromen, tegenwoordig in een verpleeghuis woont. Hij zit noodgedwongen hier. “We hebben hier samen gewoond, heel lang, maar een tijdje geleden moest ze verhuizen. En nu zit ze daar. Ze moppert nooit hoor, dat is fijn voor mij, want zodra ik maar even kan, ga ik naar haar toe. Maar zo gaat dat dus, na 65 jaar halen ze je uit elkaar.” Heleen probeert zijn gemoed wat op te fleuren, maar ik wil nog even weten of hij niet zou wensen dat er een woonoord was waar ze samen konden wonen: zij met de zorg die ze nodig heeft en hij met de vrijheid die hij aankan. Meneer Smit ziet even niet hoe dat zou moeten. Misschien maar beter, die kans is er niet voor hem.
Het zou al schelen als ze verpleeg- en verzorgingshuis naast elkaar zouden zetten, zodat meneer Smit zelf naar zijn vrouw kan wandelen, wanneer hij daar zin in heeft. Al lost dat niet alles op. “Het is zo leeg naast me”, zegt hij.
Ik word er stil van, maar dat is natuurlijk niet de bedoeling. Want het volgende moment praat hij weer vrolijk door over de goede kanten van het wonen in dit huis. “En vertel eens”, begint hij tegen Heleen en mij. “Jullie zijn nog jong, maar zou je hier wel willen wonen later?”
“Dat is een moeilijke vraag”, begin ik. “Toen ik hier voor het eerst kwam, schrok ik. De kamers waren zo klein. Als ik in het midden stond, kon ik me van de ene muur naar de andere laten wiegen.” Ik zwaai mijn bovenlijf met gestrekte armen heen en weer om te laten zien hoe klein ik het vond. “Maar toen mijn moeder hier voor het eerst kwam, vond ze het geweldig, zo’n knusse, kleine kamer. Overzichtelijk, gezellig. Ik ben te jong om van zoiets te kunnen genieten. Ik heb nog teveel behoefte aan ruimte.” De grijze hoofden om ons heen knikken herkennend. Ja, zo zijn ze ook geweest. En klein is het, dat zien ze zelf ook. Maar ze wonen er allemaal met veel plezier, verzekeren ze ons.
Ook de vrijwilligster die langsloopt praat nog even mee. “Van mij hoor je geen kritiek op de verzorging. Overal wordt zo hard gewerkt. Maar er zijn huizen waar het niet fijn is, die heb ik ook wel gezien. Hier vind ik het plezierig.” “Dat is ook mijn ervaring”, vertel ik haar. “Ik ben op plaatsen geweest waar ik mijn moeder echt niet wil laten wonen, dus ik heb kritisch gekeken toen we samen een flat voor haar zochten.” Mijn moeder hoort het allemaal rustig aan. Ze geniet volop van de aanwezigheid van Heleen en mij.
zaterdag 16 april 2011
"En een knuffel voor Rikkie!"
Terwijl mijn moeder het zegt, glijdt de twijfel over haar gezicht. “Is Rikkie er nog wel?” “Nee mam, die is er al jaren niet meer.” Bijna vijfentwintig jaar geleden belde mijn moeder me op om te vertellen dat ze met Rikkie naar de dierenarts ging voor een spuitje. Vijftien was hij, was doof, had staar en inmiddels ook een verzameling kankergezwellen. Ontroostbaar was ik aan de andere kant van de lijn. Rikkie, de hond die ik als kind zo graag wilde hebben en die er tot mijn grote geluk ook kwam. Hij paste precies bij ons gezin: zwart met een witte bef. De perfecte hond voor een domineesgezin. Bovendien had hij de juiste hoogte: wanneer hij – altijd vrolijk – langs de lage tafel schurkte, sloeg zijn wapperende staart de asbak schoon en de tafel leeg. Eten? Dat scheen erbij te horen, maar Rikkie leefde van de liefde, zeiden wij altijd. Aaien en geknuffeld worden gingen boven bakken voer. Inmiddels leeft hij vooral nog in fotoboeken. Maar vandaag wandelde hij zomaar ineens weer ons hoofd binnen.
Bewegen is goed voor ieder mens en zeker ook voor mensen met dementie. Ik besluit op mijn wandelrondje mijn moeder mee te nemen. En dus stap ik in de auto en tuf op de bonnefooi naar haar toe. Gelukkig, ze is thuis. “Ik wilde net naar buiten gaan”, zegt ze als ik voor haar sta. “Dat komt mooi uit, want dat wil ik ook.” We lopen de parkeerplaats over en stappen het park in. De kwieke houding van zojuist is alweer verdwenen, dus wijs ik op de bankjes een eindje verder. We laten ons lekker in de zon achterover zakken en genieten van het groen, de sloot in de verte, de wandelende mensen en hee, een groepje honden. Een zwarte hond wordt losgelaten en rent onze kant op. “Net Rikkie”, zeg ik. “Inderdaad.” “Dat is net onze hond van vroeger”, zeg ik tegen de vrouw die hem schielijk terugfluit. “Het is niet erg, hij is leuk.”
We peuzelen een doosje rozijnen leeg en staan weer eens op. De energie is weer terug en daar gaan we weer. Nu nemen we een lastige route: een paadje naar beneden. Ik maan mijn moeder in de rem te knijpen en houd intussen haar arm vast. Alsof ik haar daaraan kan ophijsen als ze dreigt te vallen. Daar moeten we allebei hartelijk om lachen. Aan het eind van het pad helt de weg juist weer omhoog. Mijn moeder neemt een sprint en wil flink afzetten. Weer pak ik haar arm, nu om haar tegen te houden, want de naderende vrachtwagenchauffeur verwacht vast geen racerollator op zijn pad. Wanneer hij voorbij is, stappen we de weg over. De kracht is alweer op, de bankjes ook, dus besluiten we op huis aan te gaan.
We drinken wat en praten nog na. “Ik heb nog even geslapen”, vertelt mijn moeder. “En toen werd ik helemaal blij wakker: Ita komt zo!” Ik help haar niet uit de droom, beticht haar niet eens van voorspellende gaven. Het hoeft niet. Op dit moment geniet ze van de gedachte dat ze voorpret heeft gehad. “Zo jammer dat je dat soort dingen vaak vergeet”, zegt ze. “Daardoor mis je een boel plezier. Maar ik vind het erg gezellig dat je er bent.” Wanneer we afscheid nemen in de gang, zegt ze: “de groeten thuis!” Dat is de veilige weg, zodat ze niet hoeft te benoemen wie er bij mijn ‘thuis’ horen. “En een knuffel voor Rikkie!” We zwaaien tot we elkaar niet meer kunnen zien.
Bewegen is goed voor ieder mens en zeker ook voor mensen met dementie. Ik besluit op mijn wandelrondje mijn moeder mee te nemen. En dus stap ik in de auto en tuf op de bonnefooi naar haar toe. Gelukkig, ze is thuis. “Ik wilde net naar buiten gaan”, zegt ze als ik voor haar sta. “Dat komt mooi uit, want dat wil ik ook.” We lopen de parkeerplaats over en stappen het park in. De kwieke houding van zojuist is alweer verdwenen, dus wijs ik op de bankjes een eindje verder. We laten ons lekker in de zon achterover zakken en genieten van het groen, de sloot in de verte, de wandelende mensen en hee, een groepje honden. Een zwarte hond wordt losgelaten en rent onze kant op. “Net Rikkie”, zeg ik. “Inderdaad.” “Dat is net onze hond van vroeger”, zeg ik tegen de vrouw die hem schielijk terugfluit. “Het is niet erg, hij is leuk.”
We peuzelen een doosje rozijnen leeg en staan weer eens op. De energie is weer terug en daar gaan we weer. Nu nemen we een lastige route: een paadje naar beneden. Ik maan mijn moeder in de rem te knijpen en houd intussen haar arm vast. Alsof ik haar daaraan kan ophijsen als ze dreigt te vallen. Daar moeten we allebei hartelijk om lachen. Aan het eind van het pad helt de weg juist weer omhoog. Mijn moeder neemt een sprint en wil flink afzetten. Weer pak ik haar arm, nu om haar tegen te houden, want de naderende vrachtwagenchauffeur verwacht vast geen racerollator op zijn pad. Wanneer hij voorbij is, stappen we de weg over. De kracht is alweer op, de bankjes ook, dus besluiten we op huis aan te gaan.
We drinken wat en praten nog na. “Ik heb nog even geslapen”, vertelt mijn moeder. “En toen werd ik helemaal blij wakker: Ita komt zo!” Ik help haar niet uit de droom, beticht haar niet eens van voorspellende gaven. Het hoeft niet. Op dit moment geniet ze van de gedachte dat ze voorpret heeft gehad. “Zo jammer dat je dat soort dingen vaak vergeet”, zegt ze. “Daardoor mis je een boel plezier. Maar ik vind het erg gezellig dat je er bent.” Wanneer we afscheid nemen in de gang, zegt ze: “de groeten thuis!” Dat is de veilige weg, zodat ze niet hoeft te benoemen wie er bij mijn ‘thuis’ horen. “En een knuffel voor Rikkie!” We zwaaien tot we elkaar niet meer kunnen zien.
donderdag 24 maart 2011
In de glooooriiiiaaaa
Verjaardagen bijhouden is niet mijn sterkste kant. Zelfs niet met een levensgrote verjaarskalender op de wc. Ik til er zelf maar niet meer al te hard aan en troost me met de gedachte dat de meeste mensen mijn verjaardag ook vergeten. Of misschien vergeten ze die omdat ik die van hen.... nou ja, het geeft niet.
Maar tussen de namen van mijn vrienden staan die van mijn moeders familie en vrienden. Sommigen heb ik zelf nog nooit gezien. Toch probeer ik die verjaardagen goed in degaten te houden. Ook dat lukt natuurlijk niet vlekkeloos, meestal realiseer ik me op de dag zelf pas dat ze jarig zijn. Maar dan volgt er actie. Ik plan een telefoongesprek met mijn moeder. Haar dagritme zit strak in elkaar. Leve de structuurbehoefte van mijn moeder! Daardoor weet ik hoe laat ik haar kan bereiken op haar eigen nummer. Vervolgens bel ik om te melden dat er wederom een jarige is. Zij pakt haar telefoonklapper en belt de jarige vrolijk op om te feliciteren. Gevolg: contact wordt onderhouden en als mijn moeder zelf jarig is, krijgt ze van overal nog kaartjes en telefoontjes.
Ineens valt mijn oog op de kalender: Paula is jarig! He nee, ik had nog een kaart willen sturen. Dat lukt niet meer, maar ik kan nog wel even mijn moeder inseinen. Die blijkt al in bed te liggen. “Het is maar goed dat ik bel”, lach ik, “om dit uur al in bed liggen is te erg, dat kan niet.” Mijn moeder lacht vrolijk mee. Nee, het is wat overdreven, vindt ze zelf ook. Maar ja, ze ligt zo graag in bed. Een half uur lang praten we over van alles. Zeven keer uitgebreid over hoe het met haar kleinzoon gaat en dan vraagt ze ineens, glashelder, of John, kleinzoons vader, iets bijdraagt aan de kosten van de studie.
Gelukkig kan ik twee dingen tegelijk. Terwijl ik van mijn stoel rol van verbazing - mijn moeder weet zijn naam nog en bedenkt ineens iets over kosten van levensonderhoud - geef ik heel gewoon antwoord.
Voor ik ophang meld ik dat Paula jarig is en dat mijn moeder haar best nog even kan bellen. “In het laatje ligt je adresboek”. Laatje? Adresboek? “Nou, dat doe ik nu maar niet meer. Morgen kan ook nog wel.” Vreemd klinkt het niet, maar wel voor mijn moeder. Die belt liever drie keer om je te feliciteren of te bedanken, dan dat ze het één keer vergeet. De opdracht is te ingewikkeld. Een paar maanden geleden zou ze direct het laatje ingedoken zijn. Nu klinkt het als een verborgen schat.
“Weet je”, zeg ik. “Paula kennende kan het best zo zijn dat ze binnenkort met taartjes op de stoep staat en zegt: ik ben jarig geweest. We gaan het vieren!” “Precies”, vindt mijn moeder. “Dat is echt Paula.” Ik zou het niet weten, ik heb haar maar één keer ontmoet, bij een begrafenis. Maar ik neem me wel voor binnenkort een kadootje te kopen. Namens mijn moeder, voor Paula. Want al zie ik Paula dan nooit, uit de map weet ik dat ze regelmatig komt.
Maar tussen de namen van mijn vrienden staan die van mijn moeders familie en vrienden. Sommigen heb ik zelf nog nooit gezien. Toch probeer ik die verjaardagen goed in degaten te houden. Ook dat lukt natuurlijk niet vlekkeloos, meestal realiseer ik me op de dag zelf pas dat ze jarig zijn. Maar dan volgt er actie. Ik plan een telefoongesprek met mijn moeder. Haar dagritme zit strak in elkaar. Leve de structuurbehoefte van mijn moeder! Daardoor weet ik hoe laat ik haar kan bereiken op haar eigen nummer. Vervolgens bel ik om te melden dat er wederom een jarige is. Zij pakt haar telefoonklapper en belt de jarige vrolijk op om te feliciteren. Gevolg: contact wordt onderhouden en als mijn moeder zelf jarig is, krijgt ze van overal nog kaartjes en telefoontjes.
Ineens valt mijn oog op de kalender: Paula is jarig! He nee, ik had nog een kaart willen sturen. Dat lukt niet meer, maar ik kan nog wel even mijn moeder inseinen. Die blijkt al in bed te liggen. “Het is maar goed dat ik bel”, lach ik, “om dit uur al in bed liggen is te erg, dat kan niet.” Mijn moeder lacht vrolijk mee. Nee, het is wat overdreven, vindt ze zelf ook. Maar ja, ze ligt zo graag in bed. Een half uur lang praten we over van alles. Zeven keer uitgebreid over hoe het met haar kleinzoon gaat en dan vraagt ze ineens, glashelder, of John, kleinzoons vader, iets bijdraagt aan de kosten van de studie.
Gelukkig kan ik twee dingen tegelijk. Terwijl ik van mijn stoel rol van verbazing - mijn moeder weet zijn naam nog en bedenkt ineens iets over kosten van levensonderhoud - geef ik heel gewoon antwoord.
Voor ik ophang meld ik dat Paula jarig is en dat mijn moeder haar best nog even kan bellen. “In het laatje ligt je adresboek”. Laatje? Adresboek? “Nou, dat doe ik nu maar niet meer. Morgen kan ook nog wel.” Vreemd klinkt het niet, maar wel voor mijn moeder. Die belt liever drie keer om je te feliciteren of te bedanken, dan dat ze het één keer vergeet. De opdracht is te ingewikkeld. Een paar maanden geleden zou ze direct het laatje ingedoken zijn. Nu klinkt het als een verborgen schat.
“Weet je”, zeg ik. “Paula kennende kan het best zo zijn dat ze binnenkort met taartjes op de stoep staat en zegt: ik ben jarig geweest. We gaan het vieren!” “Precies”, vindt mijn moeder. “Dat is echt Paula.” Ik zou het niet weten, ik heb haar maar één keer ontmoet, bij een begrafenis. Maar ik neem me wel voor binnenkort een kadootje te kopen. Namens mijn moeder, voor Paula. Want al zie ik Paula dan nooit, uit de map weet ik dat ze regelmatig komt.
dinsdag 15 maart 2011
Alle dagen vla
Het duo aan de andere tafel is druk in gesprek. Hij klaagt, zij luistert. Uiteindelijk wordt me duidelijk waarom ze hier zijn: hun moeder zit in een van de kamers, in gesprek met de arts of verpleegkundige en zij, de volwassen kinderen, moeten wachten. Het is hun eerste bezoek aan de polikliniek geriatrie. Vooral de dochter hoopt op een heldere diagnose. Dan wordt het makkelijker om te begrijpen waarom moeder zo veranderd is, verwacht ze. Even later neemt tegenover me een ander tweetal plaats. Vader en dochter, schat ik zo in. Wat betekent dat zijn vrouw, haar moeder, nog ergens in gesprek is. Niemand kijkt op van mijn aanwezigheid als eenling. Behalve de arts, die even later de wachtkamer binnenstapt. Ze zoekt mijn moeder, maar die heb ik laten slapen.
Dat vertelt mijn moeder ook, wanneer ik even later bij haar langs ga. “Ik heb net heerlijk geslapen.” Logisch, dat doet ze al sinds jaar en dag even na het middageten. Om jaloers op te worden: ze ligt en slaapt. En na een half uur is ze helemaal verfrist. Wanneer ik binnenzeil, zit er een vrouw tegenover mijn moeder. Met lange lappen papier. Zij noemt een lijstje dingen, mijn moeder kiest er iets uit, de vrouw kruist het aan. Zo vullen ze samen het menu van de volgende week in. Vrijwel elke dag kiest mijn moeder aardappelpuree. “Hoho”, probeer ik even. “Kauwen is goed voor je hersens, weet ik.” “Je bedoelt dat ik aardappelen moet nemen in plaats van puree? Nou, daar zal ik dan eens over nadenken, maar doe nu maar puree.” “Ja zeg”, werp ik nog even tegen, “als je nu dus aardappelen neemt, kun je er beter over nadenken.” Het helpt weinig. Wel ontstaat er een nieuw voornemen: bij elk bezoek een appel meenemen, of ander knaagfruit, zodat we samen onze tanden ergens in kunnen zetten. Want het is waar, mijn moeder kiest overwegend eten dat op de tong smelt en salades komen niet voorbij in het menu. Wel is er de mogelijkheid om fruit toe te eten, maar mijn moeder heeft één grote favoriet: vanillevla. Hoewel, na een tijdje kiest ze één keer chocoladevla. “Dat vind ik minder lekker, maar het is goed voor de afwisseling.”
Wanneer de vrouw met de lijsten weg is, schenk ik een sapje in. Ieder een glas. Het is onverwacht warm en het koele sap is daarom meer dan welkom. Ik vertel over mijn bezoek aan de arts een uur geleden. Alle aspecten komen voorbij, zoals de medicijnen die afgebouwd gaan worden. Maar ook vertel ik hoe dementie het loopvermogen aantast en dat dat volgens de arts bij mijn moeder het geval kan zijn. “Lopen en evenwicht bewaren zijn ingewikkelde processen in je hersenen. Dementie tast je hersenen aan. Dat zie je eerst aan je geheugen, maar uiteindelijk ook aan dit soort ingewikkelde zaken. Daarom loop je moeilijker.” Mijn moeder knikt begrijpend, maar ik laat toch nog maar even zien wat er veranderd is. De eerste passen gaan nog wel, maar na een tijdje verdwijnt de fiere, rechte houding en helt mijn moeder voorover. Onlangs verzuchtte ze ook: “ik loop niet, ik val naar voren.” Toen ik haar rechtop zette, liep ze weer gewoon. Een klein stukje.
Hopelijk helpt de rollator bij de goede loophouding. In elk geval geeft het steun en minder kans om te vallen. Vervolgens moeten er rondjes gelopen worden. Iets wat nog maar kortgeleden uit het dagelijks patroon verdwenen lijkt. Geen nood. Dat kan met hulp ook weer teruggebracht worden. “Want bewegen is juist goed”, zei de arts. En die boodschap breng ik graag over.
“Triest is het”, zeg ik tegen mijn moeder. “Eigenlijk heb je alles gedaan waarvan men zegt dat het goed is, voldoende bewegen...”. “O ja, ik fietste elke dag. Dat gaat helaas niet meer.” “Klopt. En wandelen, deed je ook.” “Dat doe ik nog.” “Je at altijd gezond en toch heb je dementie gekregen.”
“Familiegenen, he”, vindt ze. “Het kon haast niet anders. Opa, mijn tante en nu ik. Ik merk wel dat ik dingen niet meer zo goed kan, maar ik wind me er maar niet over op. Wil jij nog wat sap?”
Dat vertelt mijn moeder ook, wanneer ik even later bij haar langs ga. “Ik heb net heerlijk geslapen.” Logisch, dat doet ze al sinds jaar en dag even na het middageten. Om jaloers op te worden: ze ligt en slaapt. En na een half uur is ze helemaal verfrist. Wanneer ik binnenzeil, zit er een vrouw tegenover mijn moeder. Met lange lappen papier. Zij noemt een lijstje dingen, mijn moeder kiest er iets uit, de vrouw kruist het aan. Zo vullen ze samen het menu van de volgende week in. Vrijwel elke dag kiest mijn moeder aardappelpuree. “Hoho”, probeer ik even. “Kauwen is goed voor je hersens, weet ik.” “Je bedoelt dat ik aardappelen moet nemen in plaats van puree? Nou, daar zal ik dan eens over nadenken, maar doe nu maar puree.” “Ja zeg”, werp ik nog even tegen, “als je nu dus aardappelen neemt, kun je er beter over nadenken.” Het helpt weinig. Wel ontstaat er een nieuw voornemen: bij elk bezoek een appel meenemen, of ander knaagfruit, zodat we samen onze tanden ergens in kunnen zetten. Want het is waar, mijn moeder kiest overwegend eten dat op de tong smelt en salades komen niet voorbij in het menu. Wel is er de mogelijkheid om fruit toe te eten, maar mijn moeder heeft één grote favoriet: vanillevla. Hoewel, na een tijdje kiest ze één keer chocoladevla. “Dat vind ik minder lekker, maar het is goed voor de afwisseling.”
Wanneer de vrouw met de lijsten weg is, schenk ik een sapje in. Ieder een glas. Het is onverwacht warm en het koele sap is daarom meer dan welkom. Ik vertel over mijn bezoek aan de arts een uur geleden. Alle aspecten komen voorbij, zoals de medicijnen die afgebouwd gaan worden. Maar ook vertel ik hoe dementie het loopvermogen aantast en dat dat volgens de arts bij mijn moeder het geval kan zijn. “Lopen en evenwicht bewaren zijn ingewikkelde processen in je hersenen. Dementie tast je hersenen aan. Dat zie je eerst aan je geheugen, maar uiteindelijk ook aan dit soort ingewikkelde zaken. Daarom loop je moeilijker.” Mijn moeder knikt begrijpend, maar ik laat toch nog maar even zien wat er veranderd is. De eerste passen gaan nog wel, maar na een tijdje verdwijnt de fiere, rechte houding en helt mijn moeder voorover. Onlangs verzuchtte ze ook: “ik loop niet, ik val naar voren.” Toen ik haar rechtop zette, liep ze weer gewoon. Een klein stukje.
Hopelijk helpt de rollator bij de goede loophouding. In elk geval geeft het steun en minder kans om te vallen. Vervolgens moeten er rondjes gelopen worden. Iets wat nog maar kortgeleden uit het dagelijks patroon verdwenen lijkt. Geen nood. Dat kan met hulp ook weer teruggebracht worden. “Want bewegen is juist goed”, zei de arts. En die boodschap breng ik graag over.
“Triest is het”, zeg ik tegen mijn moeder. “Eigenlijk heb je alles gedaan waarvan men zegt dat het goed is, voldoende bewegen...”. “O ja, ik fietste elke dag. Dat gaat helaas niet meer.” “Klopt. En wandelen, deed je ook.” “Dat doe ik nog.” “Je at altijd gezond en toch heb je dementie gekregen.”
“Familiegenen, he”, vindt ze. “Het kon haast niet anders. Opa, mijn tante en nu ik. Ik merk wel dat ik dingen niet meer zo goed kan, maar ik wind me er maar niet over op. Wil jij nog wat sap?”
Labels:
contact,
gezondheid,
hulpmiddelen,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning
zondag 13 maart 2011
Twee benen zag Heleen
Twee benen, dat was alles wat ze zag toen ze binnenkwam, vertelt Heleen. Haar hart stond stil, maar toen ze om de hoek kwam, keken mijn moeders ogen haar verbijsterd aan. Hulp kwam snel en na een kort onderzoek van heupen, ledematen, rug en hoofd, werd mijn moeder voorzichtig overeind geholpen. Intussen was ik nietsvermoedend op weg naar Denemarken. Toen ik een paar dagen later bij thuiskomst hoorde over de val, belde ik meteen mijn moeder. Gevallen? Daar wist ze niets van. Maar moe, dat was ze wel. Ik trof haar nog net voordat ze om half negen haar bed in kroop, vertelde ze.
Werk moet maar even wachten. De volgende dag staat grotendeels in het teken van mijn moeder. Overleg met Heleen, overleg met de verzorging en een lang bezoek aan mijn moeder zelf, die vooral geniet, maar zichtbaar minder kan dan een paar maanden geleden. Ik zet koffie en pak koekjes. Zij zit in mijn stoel, zodat ze armleuningen heeft. Ik zit op haar plaats op de bank. Gek genoeg verlopen de gesprekken daardoor ook anders.
“Wil je nog een koekje?”, vraagt mijn moeder bij het tweede kopje koffie. “Nee, dank je. Of is het een hint? Wil je zelf nog?” “Willen wel, maar ik doe het niet”, antwoordt ze. “Ik word hier zo goed verzorgd, ik doe geen klap. Straks groei ik nog dicht.” Verbaasd kijk ik haar aan. Ze heeft namelijk volkomen gelijk. Al sinds haar aankomst in het huis hebben we haar garderobe een paar keer moeten aanpassen. Ieder seizoen heeft ze nieuwe broeken nodig. Bij ons bezoek aan het ziekenhuis werd ze gewogen. “66 kilo”, noteerde de arts. “Iet, hoor je dat?? Zes-en-zestig kilo”, riep ze verschrikt vanaf de weegschaal. Die schrik werkt zeker nog door.
De schrik van het vallen is ze echter helemaal kwijt. Reconstruerend kwamen we tot de conclusie dat ze er nog maar net gelegen moet hebben, zich amper beseffend wat er gebeurd was. Het voordeel is dat het daardoor niet beklijft. Grote schrik en angstige situaties blijven ook in een dementerend brein lange tijd aanwezig. Het nadeel is dat ze daardoor moeilijk te bewegen is om nu eindelijk de rollator of de wandelstok mee te nemen als ze op pad gaat.
Intussen praten we rustig door. We hebben alle tijd deze middag. “Het is wel vreemd”, zegt mijn moeder. “Wat is vreemd?” “Alles, eigenlijk. Maar dat is ook niet zo gek”, vindt ze zelf. Aanvullen hoeft niet. Ze woont er immers nog maar net, ze moet nog wennen. De drie jaar dat ze nu in deze flat woont, voelen voor haar als drie weken. En wie voelt zich na drie weken nu helemaal thuis en vertrouwd in een totaal nieuwe omgeving? Zij in elk geval niet.
“Vind jij dat wij een goed contact hebben?”, vraagt ze ineens heel rechtstreeks. “Ja, absoluut”, flap ik eruit. “Dat is fijn. Dat vind ik namelijk ook, maar dat wil nog niet zeggen dat jij het ook zo ervaart”, antwoordt ze. Natuurlijk is het veranderd, dat snapt mijn moeder ook. Waar ik vroeger op haar leunde met vragen en zorgen, doet zij dat nu bij mij, al wil ze zeker geen last zijn. “Is het voor jou een moeten om naar mij toe te gaan?”, wil ze weten. Wat een indringende vragen deze middag. Eerlijk antwoord ik dat het soms moeilijk is, omdat ik er tijd en ruimte voor moet maken. Maar nee, als moeten wil ik het niet ervaren. En ik leg haar uit hoe ik ‘moeten’ heb omgedraaid tot ‘willen’. “Ik moest een keer naar je toe om boodschappen voor je te doen. En dat was maar één ding op mijn lijst van ‘moeten’ die dag. Een drukke dag dus. Maar toen besefte ik, naar aanleiding van een stuk dat ik gelezen had, dat ik dat moest omdat ik wil dat het goed met jou gaat. Ik wil dat jij goed verzorgd bent, en dus moeten er boodschappen komen”, vertel ik. “Dat scheelt”, weet mijn moeder. “Als je het doet omdat je het wilt, wordt de last veel lichter.” “Precies. Dus nee, ik moet niet komen, ik wil naar je toe komen, omdat ik weet dat het fijn voor je is. En ik wil graag dat het goed met je gaat.”
Ineens slaat het om. Ze kijkt op haar horloge en de onrust begint. Ik weet het inmiddels. Elke middag om half vier, zelfs zonder horloge zou ze de tijd voelen, gaat de knop om. Dan maakt ze zich op om naar de groep te gaan. Eerder heette die groep nog ‘cursus’, tegenwoordig noemt ze het ‘eten’. We stappen op, pakken jassen, tassen en sleutels. “En de rollator, mam. Omdat je de laatste tijd wankel op je benen staat, hebben we afgesproken dat je de rollator meeneemt als je de deur uitgaat.” Zonder morren pakt ze het karretje en rolt het de deur uit. Ik parkeer mijn tas in het mandje en samen lopen we de lange gang uit naar de lift.
Werk moet maar even wachten. De volgende dag staat grotendeels in het teken van mijn moeder. Overleg met Heleen, overleg met de verzorging en een lang bezoek aan mijn moeder zelf, die vooral geniet, maar zichtbaar minder kan dan een paar maanden geleden. Ik zet koffie en pak koekjes. Zij zit in mijn stoel, zodat ze armleuningen heeft. Ik zit op haar plaats op de bank. Gek genoeg verlopen de gesprekken daardoor ook anders.
“Wil je nog een koekje?”, vraagt mijn moeder bij het tweede kopje koffie. “Nee, dank je. Of is het een hint? Wil je zelf nog?” “Willen wel, maar ik doe het niet”, antwoordt ze. “Ik word hier zo goed verzorgd, ik doe geen klap. Straks groei ik nog dicht.” Verbaasd kijk ik haar aan. Ze heeft namelijk volkomen gelijk. Al sinds haar aankomst in het huis hebben we haar garderobe een paar keer moeten aanpassen. Ieder seizoen heeft ze nieuwe broeken nodig. Bij ons bezoek aan het ziekenhuis werd ze gewogen. “66 kilo”, noteerde de arts. “Iet, hoor je dat?? Zes-en-zestig kilo”, riep ze verschrikt vanaf de weegschaal. Die schrik werkt zeker nog door.
De schrik van het vallen is ze echter helemaal kwijt. Reconstruerend kwamen we tot de conclusie dat ze er nog maar net gelegen moet hebben, zich amper beseffend wat er gebeurd was. Het voordeel is dat het daardoor niet beklijft. Grote schrik en angstige situaties blijven ook in een dementerend brein lange tijd aanwezig. Het nadeel is dat ze daardoor moeilijk te bewegen is om nu eindelijk de rollator of de wandelstok mee te nemen als ze op pad gaat.
Intussen praten we rustig door. We hebben alle tijd deze middag. “Het is wel vreemd”, zegt mijn moeder. “Wat is vreemd?” “Alles, eigenlijk. Maar dat is ook niet zo gek”, vindt ze zelf. Aanvullen hoeft niet. Ze woont er immers nog maar net, ze moet nog wennen. De drie jaar dat ze nu in deze flat woont, voelen voor haar als drie weken. En wie voelt zich na drie weken nu helemaal thuis en vertrouwd in een totaal nieuwe omgeving? Zij in elk geval niet.
“Vind jij dat wij een goed contact hebben?”, vraagt ze ineens heel rechtstreeks. “Ja, absoluut”, flap ik eruit. “Dat is fijn. Dat vind ik namelijk ook, maar dat wil nog niet zeggen dat jij het ook zo ervaart”, antwoordt ze. Natuurlijk is het veranderd, dat snapt mijn moeder ook. Waar ik vroeger op haar leunde met vragen en zorgen, doet zij dat nu bij mij, al wil ze zeker geen last zijn. “Is het voor jou een moeten om naar mij toe te gaan?”, wil ze weten. Wat een indringende vragen deze middag. Eerlijk antwoord ik dat het soms moeilijk is, omdat ik er tijd en ruimte voor moet maken. Maar nee, als moeten wil ik het niet ervaren. En ik leg haar uit hoe ik ‘moeten’ heb omgedraaid tot ‘willen’. “Ik moest een keer naar je toe om boodschappen voor je te doen. En dat was maar één ding op mijn lijst van ‘moeten’ die dag. Een drukke dag dus. Maar toen besefte ik, naar aanleiding van een stuk dat ik gelezen had, dat ik dat moest omdat ik wil dat het goed met jou gaat. Ik wil dat jij goed verzorgd bent, en dus moeten er boodschappen komen”, vertel ik. “Dat scheelt”, weet mijn moeder. “Als je het doet omdat je het wilt, wordt de last veel lichter.” “Precies. Dus nee, ik moet niet komen, ik wil naar je toe komen, omdat ik weet dat het fijn voor je is. En ik wil graag dat het goed met je gaat.”
Ineens slaat het om. Ze kijkt op haar horloge en de onrust begint. Ik weet het inmiddels. Elke middag om half vier, zelfs zonder horloge zou ze de tijd voelen, gaat de knop om. Dan maakt ze zich op om naar de groep te gaan. Eerder heette die groep nog ‘cursus’, tegenwoordig noemt ze het ‘eten’. We stappen op, pakken jassen, tassen en sleutels. “En de rollator, mam. Omdat je de laatste tijd wankel op je benen staat, hebben we afgesproken dat je de rollator meeneemt als je de deur uitgaat.” Zonder morren pakt ze het karretje en rolt het de deur uit. Ik parkeer mijn tas in het mandje en samen lopen we de lange gang uit naar de lift.
Labels:
gezondheid,
huis,
hulpmiddelen,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning
zaterdag 12 maart 2011
Gaan we nog naar oma?
“Gaan we nog naar oma?”, vraagt mijn moeder mij bezorgd. Ik heb geen idee over welke oma ze het heeft, maar dat maakt ook niet uit. Welke het ook is, de hare of de mijne, ze is in ieder geval dood. Dus antwoord ik: “We moeten nog naar de fysiotherapeut en nog bloedprikken. Dan is onze dag wel vol.” Ja, dat snapt ze. Dan zit een bezoek aan oma er niet meer in.
De dag is ook vol. Om 11 uur worden we verwacht bij de polikliniek Geriatrie. We zijn er ruim op tijd en dat is maar goed ook, want ik loop van de voordeur naar de afdeling. De vriendelijke dame achter de balie wijst ons de rolstoelen, maar die gedachte wuif ik meteen weg. Lopen is gezond. Maar net voorbij de afdeling Orthopedie stort mijn moeder zo ongeveer in. Gelukkig staat er een bankje. Na tien tellen veert ze weer op. “Waar moeten we naar toe?” En daar gaan we weer, een paar gangen verder.
Eenmaal op de afdeling begint de dag met koffie van een vriendelijke dame. Na een tijdje worden we opgehaald door een verpleegkundige. Met haar hebben we het eerste gesprek van vandaag. Ze vraagt van alles en nog wat. Ook naar de duizeligheid, een van de redenen van onze aanwezigheid. “Duizeligheid, ja, dat heb ik weleens”, antwoordt mijn moeder naar waarheid. “Soms zomaar als ik zit. Maar nee, niet wanneer ik uit een stoel opsta.” “En heeft u moeite met uit bed komen?”, wil de verpleegkundige weten. “Ja, dat wel”, zegt mijn moeder. “Maar dat is omdat ik liever blijf liggen”, lacht ze.
Daarna wil de verpleegkundige alleen met mij spreken. Ze begeleidt mijn moeder naar de wachtruimte. Wanneer mijn moeder opstaat, rolt ze alweer bijna om. Een déjà-vu. “Moet u weleens hoesten?”, vroeg de co-assistent aan mijn opa, die op de behandeltafel lag. Ik keek van een afstandje toe. “Nee, nooit”, antwoordde mijn opa omhoog kijkend. De jongen hielp mijn opa overeind. Zittend moest de oude man diep zuchten, terwijl de stethoscoop over zijn lichaam kroop. “Uche uche uche”, rochelde mijn opa. Ik beet op mijn lip en wendde mijn hoofd af. De scene was al gênant genoeg. Maar nu is het mijn opa niet meer, maar mijn moeder. “Jij gaat nu naar de wachtkamer”, licht ik haar vertrek toe. “Ik kom zo.”
Wanneer ik in de wachtkamer kom, meer een huiskamer, is er nog een stoel voor me vrijgehouden aan tafel. Er zitten meer mensen omheen. We blijken met zijn allen te gaan lunchen. Er komt soep en brood met allerlei beleg in priegelverpakkingen. Goed voor de onderlinge contacten, want wie weet hoe je het kaaspakje moet openen, mag dat voor iedereen doen. Mijn moeder wil niet eten, ze heeft geen trek. Wanneer ik een boterham op mijn bord heb, stel ik haar voor ook een boterham te nemen. “Ik heb niet zo’n trek”, herhaalt ze weer. “Dan neem je een halve, eet ik straks de andere helft wel”, stel ik voor. Dat is een goed idee. De halve boterham is zo verdwenen. En zonder aansporing smeert ze ook de andere helft. Net als vroeger bij mijn peuterzoon maak ik bij mijn moeder ook geen scene. Gewoon rustig blijven en het even later weer proberen.
Zo gaat het ook met de rusttijd na het eten. Iedereen zit nog rond de tafel, dus nee hoor, zij hoeft helemaal niet even te liggen. Dan prijzen de vrijwilligster en ik de fantastische luie stoelen aan die in de huiskamer staan. Ze laat zich verleiden er een te proberen en zo kan ze heerlijk even liggen, benen omhoog, hoofd op een kussen. Haar ogen gaan niet dicht, maar even liggen, met mij naast haar, geeft ook rust. En dat is nodig, want er volgen nog twee drukke bezoeken. Een aan de arts en een aan de fysiotherapeut.
Daarna mogen we nog niet naar huis, want we gaan nog langs het laboratorium. Zo’n situatie die ik graag mijd, want het is er druk. Dat betekent lang wachten, terwijl mijn moeder geen idee heeft waar ze is. Ik leg uit waar we zijn en hoe het werkt. Ik vertel dat ik een nummertje getrokken heb en houd het zo vast dat ze het continu kan zien. Ze kijkt naar het nummerbord en zoekt of wij al aan de beurt zijn. “Waarom zijn we hier eigenlijk?”, wil ze nog eens weten. Een man schuin tegenover mij glimlacht me bemoedigend toe. Gelukkig is het prikken nooit een probleem. Mijn moeder is een geoefende verpleegkundige en kan zelf prikken als de beste. Ze weet precies wat je als patiënt moet doen om er geen last van te hebben. In minder dan geen tijd staan we buiten.
“En nu hebben we een heerlijk kop koffie verdiend, vind ik.” Dat beaamt ze meteen, al is ze de hele dag al vergeten. “Hier ben ik weleens geweest”, concludeert ze even later, als we achter een joekelgrote mok aan een tafeltje zitten. “Dat klopt, maar dat is al lang geleden”, zeg ik. We bespreken het interieur. “Mooi hier, maar ik ben hier nog nooit geweest”, meent mijn moeder. “Nou, je bent hier weleens geweest, maar al lang geleden. In die tijd werd dit allemaal verbouwd, dus dit herken je niet terug”, antwoord ik. “Ze hebben het mooi gemaakt he?” “Nou, en zo ruim.”
De koffie is op. Het is tijd om te gaan. Wanneer ik haar naar haar flat breng, zakt mijn moeder doodop op de bank. Even later komt de leidster van haar groep binnen. Ze spreekt toverwoorden: “ik breng straks uw eten. Ga eerst maar even slapen.” Nu kan ze rusten. Ook al heeft ze zelden trek, het eten wil ze niet missen. We geven elkaar een warme knuffel en ik vertrek. Nog voor ik beneden ben, is ze in slaap.
De dag is ook vol. Om 11 uur worden we verwacht bij de polikliniek Geriatrie. We zijn er ruim op tijd en dat is maar goed ook, want ik loop van de voordeur naar de afdeling. De vriendelijke dame achter de balie wijst ons de rolstoelen, maar die gedachte wuif ik meteen weg. Lopen is gezond. Maar net voorbij de afdeling Orthopedie stort mijn moeder zo ongeveer in. Gelukkig staat er een bankje. Na tien tellen veert ze weer op. “Waar moeten we naar toe?” En daar gaan we weer, een paar gangen verder.
Eenmaal op de afdeling begint de dag met koffie van een vriendelijke dame. Na een tijdje worden we opgehaald door een verpleegkundige. Met haar hebben we het eerste gesprek van vandaag. Ze vraagt van alles en nog wat. Ook naar de duizeligheid, een van de redenen van onze aanwezigheid. “Duizeligheid, ja, dat heb ik weleens”, antwoordt mijn moeder naar waarheid. “Soms zomaar als ik zit. Maar nee, niet wanneer ik uit een stoel opsta.” “En heeft u moeite met uit bed komen?”, wil de verpleegkundige weten. “Ja, dat wel”, zegt mijn moeder. “Maar dat is omdat ik liever blijf liggen”, lacht ze.
Daarna wil de verpleegkundige alleen met mij spreken. Ze begeleidt mijn moeder naar de wachtruimte. Wanneer mijn moeder opstaat, rolt ze alweer bijna om. Een déjà-vu. “Moet u weleens hoesten?”, vroeg de co-assistent aan mijn opa, die op de behandeltafel lag. Ik keek van een afstandje toe. “Nee, nooit”, antwoordde mijn opa omhoog kijkend. De jongen hielp mijn opa overeind. Zittend moest de oude man diep zuchten, terwijl de stethoscoop over zijn lichaam kroop. “Uche uche uche”, rochelde mijn opa. Ik beet op mijn lip en wendde mijn hoofd af. De scene was al gênant genoeg. Maar nu is het mijn opa niet meer, maar mijn moeder. “Jij gaat nu naar de wachtkamer”, licht ik haar vertrek toe. “Ik kom zo.”
Wanneer ik in de wachtkamer kom, meer een huiskamer, is er nog een stoel voor me vrijgehouden aan tafel. Er zitten meer mensen omheen. We blijken met zijn allen te gaan lunchen. Er komt soep en brood met allerlei beleg in priegelverpakkingen. Goed voor de onderlinge contacten, want wie weet hoe je het kaaspakje moet openen, mag dat voor iedereen doen. Mijn moeder wil niet eten, ze heeft geen trek. Wanneer ik een boterham op mijn bord heb, stel ik haar voor ook een boterham te nemen. “Ik heb niet zo’n trek”, herhaalt ze weer. “Dan neem je een halve, eet ik straks de andere helft wel”, stel ik voor. Dat is een goed idee. De halve boterham is zo verdwenen. En zonder aansporing smeert ze ook de andere helft. Net als vroeger bij mijn peuterzoon maak ik bij mijn moeder ook geen scene. Gewoon rustig blijven en het even later weer proberen.
Zo gaat het ook met de rusttijd na het eten. Iedereen zit nog rond de tafel, dus nee hoor, zij hoeft helemaal niet even te liggen. Dan prijzen de vrijwilligster en ik de fantastische luie stoelen aan die in de huiskamer staan. Ze laat zich verleiden er een te proberen en zo kan ze heerlijk even liggen, benen omhoog, hoofd op een kussen. Haar ogen gaan niet dicht, maar even liggen, met mij naast haar, geeft ook rust. En dat is nodig, want er volgen nog twee drukke bezoeken. Een aan de arts en een aan de fysiotherapeut.
Daarna mogen we nog niet naar huis, want we gaan nog langs het laboratorium. Zo’n situatie die ik graag mijd, want het is er druk. Dat betekent lang wachten, terwijl mijn moeder geen idee heeft waar ze is. Ik leg uit waar we zijn en hoe het werkt. Ik vertel dat ik een nummertje getrokken heb en houd het zo vast dat ze het continu kan zien. Ze kijkt naar het nummerbord en zoekt of wij al aan de beurt zijn. “Waarom zijn we hier eigenlijk?”, wil ze nog eens weten. Een man schuin tegenover mij glimlacht me bemoedigend toe. Gelukkig is het prikken nooit een probleem. Mijn moeder is een geoefende verpleegkundige en kan zelf prikken als de beste. Ze weet precies wat je als patiënt moet doen om er geen last van te hebben. In minder dan geen tijd staan we buiten.
“En nu hebben we een heerlijk kop koffie verdiend, vind ik.” Dat beaamt ze meteen, al is ze de hele dag al vergeten. “Hier ben ik weleens geweest”, concludeert ze even later, als we achter een joekelgrote mok aan een tafeltje zitten. “Dat klopt, maar dat is al lang geleden”, zeg ik. We bespreken het interieur. “Mooi hier, maar ik ben hier nog nooit geweest”, meent mijn moeder. “Nou, je bent hier weleens geweest, maar al lang geleden. In die tijd werd dit allemaal verbouwd, dus dit herken je niet terug”, antwoord ik. “Ze hebben het mooi gemaakt he?” “Nou, en zo ruim.”
De koffie is op. Het is tijd om te gaan. Wanneer ik haar naar haar flat breng, zakt mijn moeder doodop op de bank. Even later komt de leidster van haar groep binnen. Ze spreekt toverwoorden: “ik breng straks uw eten. Ga eerst maar even slapen.” Nu kan ze rusten. Ook al heeft ze zelden trek, het eten wil ze niet missen. We geven elkaar een warme knuffel en ik vertrek. Nog voor ik beneden ben, is ze in slaap.
maandag 6 december 2010
En de groeten aan je zoon!
Na onze gezellige pakjesmiddag nemen we afscheid bij de eetgroep. Tweemaal daags komen de dementerende mensen bij elkaar in een groep. Tegenwoordig zijn er zelfs drie groepen, een kleine groep met een ruime ovalen tafel waar mensen zitten die veel behoefte aan stilte hebben. De meesten zijn er veel verder dementerend dan mijn moeder. Die zit dan ook in een grotere groep waar activiteiten worden gedaan. Kleuren – net als bij de kinderopvang van zoon destijds vraag ik me af waarom er niet gewoon getekend wordt –, lezen, het nieuws bespreken, tv kijken, soms ook handwerken. De derde groep is een heel levendige. Er zitten vrijwel uitsluitend vrouwen, net als in het hele huis, die nog gezellig uitgebreid met elkaar kletsen, borduren, breien en haken. Toen mijn moeder in het huis kwam wonen was die groep er helaas nog niet. Ze zou er toen prima gepast hebben.
Belangrijke activiteiten in alle groepen zijn koffiedrinken en vooral eten. Het is gezellig om samen te eten, dat vindt mijn moeder in ieder geval. Het voordeel is dat ze dan in ieder geval iets eet. In de tijd dat ze alleen woonde, viel ze de eerste tijd alarmerend snel af. Deels door de voortdurende beweging die ze had omdat ze in huis liep te rommelen, maar voornamelijk omdat ze geen goede maaltijden meer at. Dus bleef ik regelmatig eten. Dan nam ik een klein beetje en zij de rest. Voor mij was het minder gezond: eenmaal thuis begon ik opnieuw aan de maaltijd. Nu met zoon, die ik niet alleen wilde laten eten.
Maar nu eet mijn moeder in een groep, met begeleiding. Ze eet zelf, maar de begeleiding signaleert wel of ze goed eet of dat het een tijdje minder gaat. Goed om te weten, want de koekjes verdwijnen soms met een noodgang uit de kast.
Na de pakjesmiddag nemen we bij de groep afscheid. Zoon zoent haar gedag en ik volg. “Het was gezellig”, zegt mijn moeder. “Dat vind ik ook!” “Doe je de groeten aan je zoon van me?”, vraagt ze nog. “Ja, hoor, dat zal ik doen.” Ze wil al weglopen, maar bedenkt zich. Dan kijkt ze op naar zoon die naast me staat en trekt een frons. “Nee, wacht, dát is je zoon!” “Ja, maar ik wil hem best de groeten doen, hoor.” “Ik zie nog steeds dat kleine ventje voor me”, verontschuldigt ze zich. We moeten alledrie lachen. Inmiddels is zoon twee keer zo groot als het ventje in haar gedachten. Maar nog net zo slim. “Doe jij de groeten aan mijn moeder?”, vraagt hij zijn oma. Die lacht schalks terug. “Ja hoor, zal ik doen.”
Belangrijke activiteiten in alle groepen zijn koffiedrinken en vooral eten. Het is gezellig om samen te eten, dat vindt mijn moeder in ieder geval. Het voordeel is dat ze dan in ieder geval iets eet. In de tijd dat ze alleen woonde, viel ze de eerste tijd alarmerend snel af. Deels door de voortdurende beweging die ze had omdat ze in huis liep te rommelen, maar voornamelijk omdat ze geen goede maaltijden meer at. Dus bleef ik regelmatig eten. Dan nam ik een klein beetje en zij de rest. Voor mij was het minder gezond: eenmaal thuis begon ik opnieuw aan de maaltijd. Nu met zoon, die ik niet alleen wilde laten eten.
Maar nu eet mijn moeder in een groep, met begeleiding. Ze eet zelf, maar de begeleiding signaleert wel of ze goed eet of dat het een tijdje minder gaat. Goed om te weten, want de koekjes verdwijnen soms met een noodgang uit de kast.
Na de pakjesmiddag nemen we bij de groep afscheid. Zoon zoent haar gedag en ik volg. “Het was gezellig”, zegt mijn moeder. “Dat vind ik ook!” “Doe je de groeten aan je zoon van me?”, vraagt ze nog. “Ja, hoor, dat zal ik doen.” Ze wil al weglopen, maar bedenkt zich. Dan kijkt ze op naar zoon die naast me staat en trekt een frons. “Nee, wacht, dát is je zoon!” “Ja, maar ik wil hem best de groeten doen, hoor.” “Ik zie nog steeds dat kleine ventje voor me”, verontschuldigt ze zich. We moeten alledrie lachen. Inmiddels is zoon twee keer zo groot als het ventje in haar gedachten. Maar nog net zo slim. “Doe jij de groeten aan mijn moeder?”, vraagt hij zijn oma. Die lacht schalks terug. “Ja hoor, zal ik doen.”
zondag 5 december 2010
Het is winter!
Zo af en toe bellen Heleen en ik met elkaar. Eens even overleggen of wat doorgeven. Uiteindelijk blijkt het altijd veel meer te worden dan waarvoor we eigenlijk belden. Ook dit keer. Ik wil alleen even doorgeven dat de bewoners voortaan hun wc-papier van het huis krijgen. Dat scheelt een boel ruimte in de kast, al is het een zeer praktische kast, constateren we. Met bovenin een gedeelte waar je de zomerkleren weg kunt bergen zonder dat mijn moeder daar bij kan. En dat is nodig, want haar pyjama had ze toch weer uit een onzichbaar hoekje gepeuterd en zo loopt ze ineens in gekortwiekt nachtgoed, hartje winter, een korte broek en een hempje.
Winter, zomer, herfst, lente, het zich op de seizoenen is ze kwijt, ook al kijkt ze hele dagen naar buiten naar de bomen en de vogels. Als je doorpraat snapt ze wel dat het winter moet zijn omdat de bomen voor haar raam kaal zijn. Maar die gedachte schiet niet door haar heen als ze de deur uit stapt. En dus traint Heleen haar nu: altijd een vest aan als je ergens heen gaat. Niet bepaald onnodig, ondanks de soms tropische temperaturen in het huis, want datzelfde huis kent ook openslaande deuren en ramen en soms glijdt er een kille luchtvlaag over je schouders. Voor ons hooguit irritant, maar voor kwakkelende ouderen kan het dodelijk zijn. En op zijn minst de reden van wéér een schrapende verkoudheid.
Maar ja, Heleen staat niet altijd bij de deur, dus maak ik een briefje: “Geheugensteuntje: Het is winter. Vest aan.” Vorige winter heb ik uitgebreid foto’s gemaakt van de sneeuw. Ik kies er de mooiste uit en plak die erbij. Als de tekst onopgemerkt voorbijglijdt, trekt in elk geval de foto nog haar oog. En van al die sneeuw gaat ze vanzelf rillen.
Winter, zomer, herfst, lente, het zich op de seizoenen is ze kwijt, ook al kijkt ze hele dagen naar buiten naar de bomen en de vogels. Als je doorpraat snapt ze wel dat het winter moet zijn omdat de bomen voor haar raam kaal zijn. Maar die gedachte schiet niet door haar heen als ze de deur uit stapt. En dus traint Heleen haar nu: altijd een vest aan als je ergens heen gaat. Niet bepaald onnodig, ondanks de soms tropische temperaturen in het huis, want datzelfde huis kent ook openslaande deuren en ramen en soms glijdt er een kille luchtvlaag over je schouders. Voor ons hooguit irritant, maar voor kwakkelende ouderen kan het dodelijk zijn. En op zijn minst de reden van wéér een schrapende verkoudheid.
Maar ja, Heleen staat niet altijd bij de deur, dus maak ik een briefje: “Geheugensteuntje: Het is winter. Vest aan.” Vorige winter heb ik uitgebreid foto’s gemaakt van de sneeuw. Ik kies er de mooiste uit en plak die erbij. Als de tekst onopgemerkt voorbijglijdt, trekt in elk geval de foto nog haar oog. En van al die sneeuw gaat ze vanzelf rillen.
zondag 14 november 2010
Anne komt dichterbij
We bellen weer eens. Over een brief dit keer, van de verzekering. Gelukkig heeft mijn moeder eerder al gebeld en haar verhaal op de voicemail achtergelaten. Daardoor weet ik precies wat ze nu van me wil horen. “Het gaat over de inboedelwaardemeter, he?” “Ja, inderdaad. Heb jij die brief ook gehad?” “Nee, en ik snap ook niet waarom, want normaal sturen ze alles wel naar mij.” “Vreemd. Maar het gaat over eh, iets met onderverzekering.” “Nou, daar hoef je niet bang voor te zijn. De premie is nog steeds vastgesteld op toen je in je vorige huis woonde, dus je bent ruim oververzekerd. We passen het binnenkort wel aan.” Gelukkig kan mijn moeder mijn franse slag tegenwoordig verdragen. Uiteindelijk komt het goed, dat weet ze ook.
“Is het huis verkocht dan?”, vraagt ze. “Ja, ruim een jaar geleden.” “Nou, dat is vast een pak van je hart, dat scheelt een boel werk.” “Zeg dat wel, daar ben ik blij mee.” “En dan heeft Anne je daarmee geholpen?” “Lieve mam, je zus Anne is inmiddels ook een oude dame, die doet dat soort dingen ook niet meer.” Ik zeg maar niet dat ze onlangs vertelde dat ze een tijd in een verpleeghuis had gelegen, samen met haar man die herstelde van een dubbele heupoperatie. Dat soort alarmerende berichten zijn niet nodig. “Ach nee, je hebt ook gelijk. Die loopt natuurlijk ook al tegen de tachtig.” Dit keer is het waar, al is alles boven de zeventig bij mijn moeder “tegen de tachtig”. “De zoon van Jaap heeft geholpen.” “Ja, maar ging dan de helft van het huis naar Anne?”, wil ze nog weten. “Nee, naar de kinderen van Jaap”, leg ik nog maar even uit. “Oh. O ja.”
We nemen afscheid en als ik opleg realiseer ik me dat er weer een stap gezet is. Er begint een generatie te verdwijnen. Wanneer ben ik aan de beurt? Ik ben dichtbij genoeg om nog een tijdje in haar hoofd te wonen, maar ik vrees de dag dat ook dat niet meer het geval is. Voor mij, maar vooral voor haar. Want nu ben ik nog haar houvast, maar hoe moet de wereld er wel niet uitzien als dat ook niet meer zo is? Als niets en niemand meer stevigheid geeft aan het bestaan.
“Is het huis verkocht dan?”, vraagt ze. “Ja, ruim een jaar geleden.” “Nou, dat is vast een pak van je hart, dat scheelt een boel werk.” “Zeg dat wel, daar ben ik blij mee.” “En dan heeft Anne je daarmee geholpen?” “Lieve mam, je zus Anne is inmiddels ook een oude dame, die doet dat soort dingen ook niet meer.” Ik zeg maar niet dat ze onlangs vertelde dat ze een tijd in een verpleeghuis had gelegen, samen met haar man die herstelde van een dubbele heupoperatie. Dat soort alarmerende berichten zijn niet nodig. “Ach nee, je hebt ook gelijk. Die loopt natuurlijk ook al tegen de tachtig.” Dit keer is het waar, al is alles boven de zeventig bij mijn moeder “tegen de tachtig”. “De zoon van Jaap heeft geholpen.” “Ja, maar ging dan de helft van het huis naar Anne?”, wil ze nog weten. “Nee, naar de kinderen van Jaap”, leg ik nog maar even uit. “Oh. O ja.”
We nemen afscheid en als ik opleg realiseer ik me dat er weer een stap gezet is. Er begint een generatie te verdwijnen. Wanneer ben ik aan de beurt? Ik ben dichtbij genoeg om nog een tijdje in haar hoofd te wonen, maar ik vrees de dag dat ook dat niet meer het geval is. Voor mij, maar vooral voor haar. Want nu ben ik nog haar houvast, maar hoe moet de wereld er wel niet uitzien als dat ook niet meer zo is? Als niets en niemand meer stevigheid geeft aan het bestaan.
woensdag 22 september 2010
Gezien: “Verdwaald in het Geheugenpaleis”
Voorzichtig neemt Louise een paar slokken van de melk. Met de rand van de beker veegt ze de druppel weg die anders van haar lip op tafel gevallen zou zijn. Beheerst zet ze de beker weer terug. Of nou ja, beker. Eigenlijk is het het kannetje met melk voor in de thee. Daarvoor heeft ze met evenveel geduld en precisie haar boterham, zonder beleg, afgeknabbeld.
Even eerder stond ze nog te dansen op de feestavond. En toch staan haar dozen met spullen klaar om naar een andere afdeling te verhuizen, naar “De Bijster”, de schrik van de bewoners die achterblijven, want wie naar “De Bijster” gaat.....
En toch voelt het bij Louise ineens goed. Als ze daar net zo geduldig en liefdevol met de bewoners omgaan als hier, is dat de beste plaats voor haar. Daar zal ze iemand vinden die haar brood voor haar smeert en thee inschenkt. Zaken die ze zelf niet meer overziet. De andere bewoners blijven bedrukt achter, net als ik in mijn stoel.
In de anderhalf uur durende documentaire “Verdwaald in het Geheugenpaleis” sluit je ze in je hart, Louise en haar medebewoonsters Alice en Anita. Net als de andere bewoners van hun afdeling lijden ze aan dementie. “En dat is verdomd lastig”, weet Anita. Filmer Klara van Es mocht een tijdje meekijken in hun leven. En wij krijgen op onze beurt een kijkje in het dagelijks leven van een groep dementiepatiënten. Er ontspint zich een groepsleven, met een eigen dynamiek. Iedere bewoonster heeft een eigen kamer, piepklein, waar behalve een bed en een klein kastje amper iets kan staan. Het leven speelt zich af in de ruime huiskamer en de keuken. En soms daarbuiten, want als het carnaval is in het dorp, staan ze met zijn allen mee te deinen langs de kant van de weg wanneer de optocht voorbijkomt. Voor Anita een primeur: “ik heb in mijn leven nog nooit carnaval gevierd”. Er wordt gezwommen en gefietst, op een meerpersoonsfiets op vier wielen, stabiel en gezellig. En eenmaal gaan ze naar het strand, op blote voeten door de branding stappen.
Er wordt gefeest en gezongen, maar ook gekat op elkaar. Het blijven tenslotte gewone mensen, al gaat alles niet meer vanzelf. Maar zolang ze dat kunnen helpen ze gewoon in de keuken met aardappels schillen en groente snijden en staan ze de strijk weg te werken.
Het is niet allemaal treurnis wat je ziet. Dat zit zelfs amper in de documentaire, al kun je niet anders dan intens meevoelen met de vrouwen als ze even tot zich laten doordringen tot welk lot zij zijn veroordeeld. Het verlies van de vrijheid om zelf te bepalen wat ze doen, het verlies vooral van de mogelijkheid om dat te doen en de wetenschap dat het alleen maar slechter wordt. Want dat is duidelijk: ze weten maar al te goed wat er eigenlijk gebeurt. Maar ze pakken zich weer op en maken plezier en grapjes. Er wordt gezongen en gelachen. En soms kun je als kijker niet anders dan even om hen lachen, zoals wanneer Alice bij de test door de psychologe gevraagd wordt naar het jaartal. Na lang denken roept ze ineens, met een vrolijke schittering in haar ogen: “Anita, weet jij welk jaar het is?”.
Voor wie ook graag wil gaan kijken: www.geheugenpaleis.nl
Even eerder stond ze nog te dansen op de feestavond. En toch staan haar dozen met spullen klaar om naar een andere afdeling te verhuizen, naar “De Bijster”, de schrik van de bewoners die achterblijven, want wie naar “De Bijster” gaat.....
En toch voelt het bij Louise ineens goed. Als ze daar net zo geduldig en liefdevol met de bewoners omgaan als hier, is dat de beste plaats voor haar. Daar zal ze iemand vinden die haar brood voor haar smeert en thee inschenkt. Zaken die ze zelf niet meer overziet. De andere bewoners blijven bedrukt achter, net als ik in mijn stoel.
In de anderhalf uur durende documentaire “Verdwaald in het Geheugenpaleis” sluit je ze in je hart, Louise en haar medebewoonsters Alice en Anita. Net als de andere bewoners van hun afdeling lijden ze aan dementie. “En dat is verdomd lastig”, weet Anita. Filmer Klara van Es mocht een tijdje meekijken in hun leven. En wij krijgen op onze beurt een kijkje in het dagelijks leven van een groep dementiepatiënten. Er ontspint zich een groepsleven, met een eigen dynamiek. Iedere bewoonster heeft een eigen kamer, piepklein, waar behalve een bed en een klein kastje amper iets kan staan. Het leven speelt zich af in de ruime huiskamer en de keuken. En soms daarbuiten, want als het carnaval is in het dorp, staan ze met zijn allen mee te deinen langs de kant van de weg wanneer de optocht voorbijkomt. Voor Anita een primeur: “ik heb in mijn leven nog nooit carnaval gevierd”. Er wordt gezwommen en gefietst, op een meerpersoonsfiets op vier wielen, stabiel en gezellig. En eenmaal gaan ze naar het strand, op blote voeten door de branding stappen.
Er wordt gefeest en gezongen, maar ook gekat op elkaar. Het blijven tenslotte gewone mensen, al gaat alles niet meer vanzelf. Maar zolang ze dat kunnen helpen ze gewoon in de keuken met aardappels schillen en groente snijden en staan ze de strijk weg te werken.
Het is niet allemaal treurnis wat je ziet. Dat zit zelfs amper in de documentaire, al kun je niet anders dan intens meevoelen met de vrouwen als ze even tot zich laten doordringen tot welk lot zij zijn veroordeeld. Het verlies van de vrijheid om zelf te bepalen wat ze doen, het verlies vooral van de mogelijkheid om dat te doen en de wetenschap dat het alleen maar slechter wordt. Want dat is duidelijk: ze weten maar al te goed wat er eigenlijk gebeurt. Maar ze pakken zich weer op en maken plezier en grapjes. Er wordt gezongen en gelachen. En soms kun je als kijker niet anders dan even om hen lachen, zoals wanneer Alice bij de test door de psychologe gevraagd wordt naar het jaartal. Na lang denken roept ze ineens, met een vrolijke schittering in haar ogen: “Anita, weet jij welk jaar het is?”.
Voor wie ook graag wil gaan kijken: www.geheugenpaleis.nl
woensdag 4 augustus 2010
Taart en eten
Tegenwoordig doe ik het niet meer, mijn moeder vertellen dat ik de volgende dag kom.Ik gun haar best de voorpret, een belangrijk ingrediënt van geluk las ik onlangs, maar die is steeds vaker overschaduwd door de onrust die ze erdoor voelt.
Als je hoofd niet meer precies doet wat het deed, gooit het tijden en dagen door elkaar. Ook al staat de datumklok te tikken op de kast, hoe kun je zeker weten dat je het goed opgeschreven hebt? Beter kun je het nog maar een keertje checken en dus bel je even. En als je een kwartier later – wat is eigenlijk een kwartier – het briefje nog eens tegenkomt, kun je dan zeker weten dat het klopt wat daar staat? Een telefoontje brengt altijd uitkomst. Al groeit meteen ook weer de twijfel. Heb ik wel gebeld? En waar hebben we het dan over gehad? Moeten we nog iets afspreken?
Dat de telefoon om de haverklap gaat is wat onhandig voor mij, maar het tekent vooral de onrust aan de andere kant van de lijn. En dus doe ik zoveel mogelijk bij verrassing tegenwoordig. Maar nu is er een dilemma. Taart en eten. Voor de meesten is allebei erg goed mogelijk, maar voor mijn moeder is het net wat teveel. Dus overleggen we hier thuis wat het beste is. En daarna overleg ik met haar wat zij het liefste zou willen. Uiteindelijk blijkt mijn inschatting te kloppen. Natuurlijk had ik haar liever naast me aan tafel gehad bij het eten. Pratend en luid lachend zoals ze dat altijd deed. Aanstekelijk genietend. Ze zou wel genieten, van het mooie uitzicht, of, zoals vorig jaar, van de grote kroonluchter. Maar ze zou ook snel moe worden van de geluiden, van alle beelden, van de constant nieuwe indrukken, elke minuut weer. En na een half uur zou ze toch wel erg graag, als het niet teveel moeite is, terug naar huis.
“Ik kom liever taart eten”, zegt ze dan ook als ik haar de keuze voorleg. “Gewoon gezellig bij jullie.” Een wijs besluit, ons thuis is voor haar al uit. En toch ook een beetje thuis, doordat de sfeer, de meubels en de lange rijen boeken in de kamer, voelen als iets wat ze al heel lang kent. En dat is een wonder in de wereld die in haar hoofd elke dag verandert.
Als je hoofd niet meer precies doet wat het deed, gooit het tijden en dagen door elkaar. Ook al staat de datumklok te tikken op de kast, hoe kun je zeker weten dat je het goed opgeschreven hebt? Beter kun je het nog maar een keertje checken en dus bel je even. En als je een kwartier later – wat is eigenlijk een kwartier – het briefje nog eens tegenkomt, kun je dan zeker weten dat het klopt wat daar staat? Een telefoontje brengt altijd uitkomst. Al groeit meteen ook weer de twijfel. Heb ik wel gebeld? En waar hebben we het dan over gehad? Moeten we nog iets afspreken?
Dat de telefoon om de haverklap gaat is wat onhandig voor mij, maar het tekent vooral de onrust aan de andere kant van de lijn. En dus doe ik zoveel mogelijk bij verrassing tegenwoordig. Maar nu is er een dilemma. Taart en eten. Voor de meesten is allebei erg goed mogelijk, maar voor mijn moeder is het net wat teveel. Dus overleggen we hier thuis wat het beste is. En daarna overleg ik met haar wat zij het liefste zou willen. Uiteindelijk blijkt mijn inschatting te kloppen. Natuurlijk had ik haar liever naast me aan tafel gehad bij het eten. Pratend en luid lachend zoals ze dat altijd deed. Aanstekelijk genietend. Ze zou wel genieten, van het mooie uitzicht, of, zoals vorig jaar, van de grote kroonluchter. Maar ze zou ook snel moe worden van de geluiden, van alle beelden, van de constant nieuwe indrukken, elke minuut weer. En na een half uur zou ze toch wel erg graag, als het niet teveel moeite is, terug naar huis.
“Ik kom liever taart eten”, zegt ze dan ook als ik haar de keuze voorleg. “Gewoon gezellig bij jullie.” Een wijs besluit, ons thuis is voor haar al uit. En toch ook een beetje thuis, doordat de sfeer, de meubels en de lange rijen boeken in de kamer, voelen als iets wat ze al heel lang kent. En dat is een wonder in de wereld die in haar hoofd elke dag verandert.
Labels:
feest,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning,
telefoon
woensdag 14 april 2010
Droomleven
Ineens voel je je glijden, het leven van een mantelzorger in. Misschien hebben sommige mensen een keuze, ik had die niet voor mijn gevoel. Als enig overgebleven kind van mijn moeder landde de verantwoordelijkheid voor haar als vanzelfsprekend op mijn schouders.
Dat is wel zo, maar toch is dat verleden tijd, vindt de vrouw met wie ik in gesprek ben. Ik begrijp het niet helemaal, hoezo verleden tijd? “Je moeder heeft nu een ander leven, er wordt voor haar gezorgd, dus nu moet jij weer terug naar een gewoon contact.” “Ja maar”, breng ik er meteen tegenin. “Een gewoon contact, ik weet niet eens meer wat dat is.” Niet meer van alles moeten en elke week op de stoep moeten staan, meent zij. Gewoon af en toe gezellig op de koffie. En verder vooral je eigen leven leiden.
Ik beloof dat ik het van harte zal proberen. Het valt niet mee. Je glijdt in die rol en kom er dan nog maar eens uit. Maar nu prent ik mezelf in: mijn eigen leven leiden en gewoon voor de gezelligheid op de koffie gaan. Eigenlijk is het een ontzettend bevrijdende gedachte. Zoals vroeger wordt het nooit, maar weer helemaal mijn eigen leven leiden moet heerlijk zijn.
En dan word ik wakker. Het duurt nog even voordat de droom tot me doordringt. In elk geval hoef ik me dus niet druk te maken over de verbazing en verwarring die ik tijdens mijn slaap voelde. Maar een teken is het wel: ergens diep weggestopt drijven een voortdurend schuldgevoel en een constante alertheid. Hoe vaak ik ook op bezoek ga, ik vind het altijd te weinig. Als ik naar de huishoudwinkel ga, neem ik meteen even een emmertje voor m’n moeder mee, want het is me opgevallen dat ze dat niet heeft. En in het tuincentrum is mijn kar zo vol omdat ik ineens bedenk dat er nog planten in de bloembakken op het balkon moeten.
Maar de vrouw had gelijk. Dat schuldgevoel mag onderhand weleens overboord. Laat ik dat dan toch maar eens proberen. Vandaag is het nog niet gelukt. Morgen probeer ik het weer.
Dat is wel zo, maar toch is dat verleden tijd, vindt de vrouw met wie ik in gesprek ben. Ik begrijp het niet helemaal, hoezo verleden tijd? “Je moeder heeft nu een ander leven, er wordt voor haar gezorgd, dus nu moet jij weer terug naar een gewoon contact.” “Ja maar”, breng ik er meteen tegenin. “Een gewoon contact, ik weet niet eens meer wat dat is.” Niet meer van alles moeten en elke week op de stoep moeten staan, meent zij. Gewoon af en toe gezellig op de koffie. En verder vooral je eigen leven leiden.
Ik beloof dat ik het van harte zal proberen. Het valt niet mee. Je glijdt in die rol en kom er dan nog maar eens uit. Maar nu prent ik mezelf in: mijn eigen leven leiden en gewoon voor de gezelligheid op de koffie gaan. Eigenlijk is het een ontzettend bevrijdende gedachte. Zoals vroeger wordt het nooit, maar weer helemaal mijn eigen leven leiden moet heerlijk zijn.
En dan word ik wakker. Het duurt nog even voordat de droom tot me doordringt. In elk geval hoef ik me dus niet druk te maken over de verbazing en verwarring die ik tijdens mijn slaap voelde. Maar een teken is het wel: ergens diep weggestopt drijven een voortdurend schuldgevoel en een constante alertheid. Hoe vaak ik ook op bezoek ga, ik vind het altijd te weinig. Als ik naar de huishoudwinkel ga, neem ik meteen even een emmertje voor m’n moeder mee, want het is me opgevallen dat ze dat niet heeft. En in het tuincentrum is mijn kar zo vol omdat ik ineens bedenk dat er nog planten in de bloembakken op het balkon moeten.
Maar de vrouw had gelijk. Dat schuldgevoel mag onderhand weleens overboord. Laat ik dat dan toch maar eens proberen. Vandaag is het nog niet gelukt. Morgen probeer ik het weer.
maandag 5 april 2010
Het nieuwe paspoort
Nooit in paniek raken, dat leer je vanzelf. Want als ik in paniek raak of paniekerig klink, geef ik dat driedubbel over aan mijn moeder. Dus als zij op de vraag of ze haar nieuwe paspoort heeft antwoordt dat ze wel zoiets voorbij heeft zien komen, maar geen idee heeft waar het is, blijf ik kalm. “Het ligt vast wel ergens, gelukkig woon je niet groot, dus het zoeken duurt niet al te lang.” “Ja maar”, probeert ze zelf nog even. “En wat nou als ik het nodig heb?” “Mam, je gaat nooit naar het buitenland!” “O nee, dat is zo.”
Maar ik besluit in stilte om bij mijn volgende bezoek alle laatjes en vakjes even grondig door te kijken. Want zelfs al ga je nooit op reis en zet je nergens een handtekening, toch willen ze in allerlei dossiers een kopie van je paspoort. Een beetje doorgeschoten?
Maar ik besluit in stilte om bij mijn volgende bezoek alle laatjes en vakjes even grondig door te kijken. Want zelfs al ga je nooit op reis en zet je nergens een handtekening, toch willen ze in allerlei dossiers een kopie van je paspoort. Een beetje doorgeschoten?
Abonneren op:
Posts (Atom)