Goud, puur goud straalt me tegemoet als ik de snelweg afdraai. Mijn adem stokt. Heel even denk ik nog: camera vergeten, maar daarna laat ik me alleen maar verblinden door die adembenemende schoonheid. De weg is stil, in een flits registreer ik een afslag naar een carpoolplaats en slinger de auto erop. Ik draai hem zo dat ik vrij zicht heb op de telkens veranderende lucht. Op de tast vis ik mijn telefoon uit mijn rugzak op de stoel naast me en bel mijn moeder. Vanuit haar flatje heeft ze elke avond uitzicht op de ondergaande zon. Zomer, winter, ze geniet ervan. Maar deze heeft ze vast nog nooit gezien.
Wat moeizaam neemt ze op. Even later begrijp ik dat ze al in bed lag. Precies wat ik vreesde: dat deze schitterende zonsondergang aan haar voorbij zou gaan. In een steeds veranderend spel met de schuivende wolken blinkt het goud ons tegemoet. Verbonden met alleen een lijntje door de lucht genieten we er samen van. Diep oranje ziet mijn moeder. Het lijkt wel goud, vind ik. Ja, goud, mijmert mijn moeder. Prachtig, he. Ja mam, prachtig.
Posts tonen met het label telefoon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label telefoon. Alle posts tonen
donderdag 24 maart 2011
In de glooooriiiiaaaa
Verjaardagen bijhouden is niet mijn sterkste kant. Zelfs niet met een levensgrote verjaarskalender op de wc. Ik til er zelf maar niet meer al te hard aan en troost me met de gedachte dat de meeste mensen mijn verjaardag ook vergeten. Of misschien vergeten ze die omdat ik die van hen.... nou ja, het geeft niet.
Maar tussen de namen van mijn vrienden staan die van mijn moeders familie en vrienden. Sommigen heb ik zelf nog nooit gezien. Toch probeer ik die verjaardagen goed in degaten te houden. Ook dat lukt natuurlijk niet vlekkeloos, meestal realiseer ik me op de dag zelf pas dat ze jarig zijn. Maar dan volgt er actie. Ik plan een telefoongesprek met mijn moeder. Haar dagritme zit strak in elkaar. Leve de structuurbehoefte van mijn moeder! Daardoor weet ik hoe laat ik haar kan bereiken op haar eigen nummer. Vervolgens bel ik om te melden dat er wederom een jarige is. Zij pakt haar telefoonklapper en belt de jarige vrolijk op om te feliciteren. Gevolg: contact wordt onderhouden en als mijn moeder zelf jarig is, krijgt ze van overal nog kaartjes en telefoontjes.
Ineens valt mijn oog op de kalender: Paula is jarig! He nee, ik had nog een kaart willen sturen. Dat lukt niet meer, maar ik kan nog wel even mijn moeder inseinen. Die blijkt al in bed te liggen. “Het is maar goed dat ik bel”, lach ik, “om dit uur al in bed liggen is te erg, dat kan niet.” Mijn moeder lacht vrolijk mee. Nee, het is wat overdreven, vindt ze zelf ook. Maar ja, ze ligt zo graag in bed. Een half uur lang praten we over van alles. Zeven keer uitgebreid over hoe het met haar kleinzoon gaat en dan vraagt ze ineens, glashelder, of John, kleinzoons vader, iets bijdraagt aan de kosten van de studie.
Gelukkig kan ik twee dingen tegelijk. Terwijl ik van mijn stoel rol van verbazing - mijn moeder weet zijn naam nog en bedenkt ineens iets over kosten van levensonderhoud - geef ik heel gewoon antwoord.
Voor ik ophang meld ik dat Paula jarig is en dat mijn moeder haar best nog even kan bellen. “In het laatje ligt je adresboek”. Laatje? Adresboek? “Nou, dat doe ik nu maar niet meer. Morgen kan ook nog wel.” Vreemd klinkt het niet, maar wel voor mijn moeder. Die belt liever drie keer om je te feliciteren of te bedanken, dan dat ze het één keer vergeet. De opdracht is te ingewikkeld. Een paar maanden geleden zou ze direct het laatje ingedoken zijn. Nu klinkt het als een verborgen schat.
“Weet je”, zeg ik. “Paula kennende kan het best zo zijn dat ze binnenkort met taartjes op de stoep staat en zegt: ik ben jarig geweest. We gaan het vieren!” “Precies”, vindt mijn moeder. “Dat is echt Paula.” Ik zou het niet weten, ik heb haar maar één keer ontmoet, bij een begrafenis. Maar ik neem me wel voor binnenkort een kadootje te kopen. Namens mijn moeder, voor Paula. Want al zie ik Paula dan nooit, uit de map weet ik dat ze regelmatig komt.
Maar tussen de namen van mijn vrienden staan die van mijn moeders familie en vrienden. Sommigen heb ik zelf nog nooit gezien. Toch probeer ik die verjaardagen goed in degaten te houden. Ook dat lukt natuurlijk niet vlekkeloos, meestal realiseer ik me op de dag zelf pas dat ze jarig zijn. Maar dan volgt er actie. Ik plan een telefoongesprek met mijn moeder. Haar dagritme zit strak in elkaar. Leve de structuurbehoefte van mijn moeder! Daardoor weet ik hoe laat ik haar kan bereiken op haar eigen nummer. Vervolgens bel ik om te melden dat er wederom een jarige is. Zij pakt haar telefoonklapper en belt de jarige vrolijk op om te feliciteren. Gevolg: contact wordt onderhouden en als mijn moeder zelf jarig is, krijgt ze van overal nog kaartjes en telefoontjes.
Ineens valt mijn oog op de kalender: Paula is jarig! He nee, ik had nog een kaart willen sturen. Dat lukt niet meer, maar ik kan nog wel even mijn moeder inseinen. Die blijkt al in bed te liggen. “Het is maar goed dat ik bel”, lach ik, “om dit uur al in bed liggen is te erg, dat kan niet.” Mijn moeder lacht vrolijk mee. Nee, het is wat overdreven, vindt ze zelf ook. Maar ja, ze ligt zo graag in bed. Een half uur lang praten we over van alles. Zeven keer uitgebreid over hoe het met haar kleinzoon gaat en dan vraagt ze ineens, glashelder, of John, kleinzoons vader, iets bijdraagt aan de kosten van de studie.
Gelukkig kan ik twee dingen tegelijk. Terwijl ik van mijn stoel rol van verbazing - mijn moeder weet zijn naam nog en bedenkt ineens iets over kosten van levensonderhoud - geef ik heel gewoon antwoord.
Voor ik ophang meld ik dat Paula jarig is en dat mijn moeder haar best nog even kan bellen. “In het laatje ligt je adresboek”. Laatje? Adresboek? “Nou, dat doe ik nu maar niet meer. Morgen kan ook nog wel.” Vreemd klinkt het niet, maar wel voor mijn moeder. Die belt liever drie keer om je te feliciteren of te bedanken, dan dat ze het één keer vergeet. De opdracht is te ingewikkeld. Een paar maanden geleden zou ze direct het laatje ingedoken zijn. Nu klinkt het als een verborgen schat.
“Weet je”, zeg ik. “Paula kennende kan het best zo zijn dat ze binnenkort met taartjes op de stoep staat en zegt: ik ben jarig geweest. We gaan het vieren!” “Precies”, vindt mijn moeder. “Dat is echt Paula.” Ik zou het niet weten, ik heb haar maar één keer ontmoet, bij een begrafenis. Maar ik neem me wel voor binnenkort een kadootje te kopen. Namens mijn moeder, voor Paula. Want al zie ik Paula dan nooit, uit de map weet ik dat ze regelmatig komt.
vrijdag 25 februari 2011
Het Huis belt
Ik ben aan het werk als mijn telefoon gaat. Toch maar even kijken. Het Huis staat er in mijn scherm. Zij van Het Huis zijn ongetwijfeld geïnstrueerd. Ik neem namelijk enigszins verontrust op. Als mijn moeder zelf belt, zie ik Mam, geen Het Huis. De stem aan de andere kant klinkt meteen uitermate opgewekt. “Stoor ik?” “Nee hoor, het kan wel even.” De mensen die ik gadesla gaan rustig door met het vakkundig slopen van een leren bank. Alle onderdelen moeten ze van elkaar scheiden. Intussen loop ik een eindje weg vanwege het geluid.
“Ik krijg net een telefoontje van het ziekenhuis, dat uw moeder dinsdag al terecht kan.” “Dat is snel!” “Ja, inder daad, we moeten even kijken hoe we dat regelen.” “Geen probleem, ik ga mee.” Pas later realiseer ik me dat die dag geen lege is in mijn agenda, maar dat maakt niet uit. De film die ik zou gaan bekijken omdat die daarna niet meer draait, komt vast ooit op dvd uit. We spreken nog even af waar het invulformulier voor het ziekenhuis komt te liggen, zodat ik dat kan vinden wanneer ik mijn moeder bezoek.
Gelukkig is deze afspraak ontstaan na overleg met de huisarts, dus ik weet er al van. Beiden maken we ons al een tijdje zorgen over mijn moeder en hij wilde eens even overleggen. Hij belde me op en we spraken af dat ik mijn moeder mee zou nemen naar de geriater. Dat woord doet me altijd erg aan psychiater denken en roept daarmee een verkeerd beeld op, weet ik nu. Want dat mijn moeder dementie heeft, hoef ik niet meer te horen. Er zijn wat lichamelijke klachten die eens bekeken moeten worden. Overigens vinden alleen de huisarts en ik dat. Mijn moeder, die ik op de hoogte stelde van dit gesprek, vond het allemaal niet nodig. “Ja, dat klopt, daar had ik last van, maar het is helemaal weg. Ik heb me vandaag geen moment duizelig gevoeld.” “Dat is fijn, joh! Ach weet je wat, we laten er voor de zekerheid even naar kijken en als de arts ook zegt dat het helemaal goed is, is dat toch fijn om te horen. Dan weten we zeker dat je helemaal in orde bent!”
Maar waarom nu die geriater? Die doet het allemaal net even anders dan een andere arts. Ze zorgt ervoor dat zoveel mogelijk onderzoeken op dezelfde dag kunnen plaatsvinden en informeert bovendien van tevoren zo uitgebreid mogelijk over de dingen die die dag staan te gebeuren, zodat ik niet voor een verrassing kom te staan en mijn moeder alvast voor kan bereiden. Dat is althans het plan. Dinsdag maar eens zien of het werkt.
“Ik krijg net een telefoontje van het ziekenhuis, dat uw moeder dinsdag al terecht kan.” “Dat is snel!” “Ja, inder daad, we moeten even kijken hoe we dat regelen.” “Geen probleem, ik ga mee.” Pas later realiseer ik me dat die dag geen lege is in mijn agenda, maar dat maakt niet uit. De film die ik zou gaan bekijken omdat die daarna niet meer draait, komt vast ooit op dvd uit. We spreken nog even af waar het invulformulier voor het ziekenhuis komt te liggen, zodat ik dat kan vinden wanneer ik mijn moeder bezoek.
Gelukkig is deze afspraak ontstaan na overleg met de huisarts, dus ik weet er al van. Beiden maken we ons al een tijdje zorgen over mijn moeder en hij wilde eens even overleggen. Hij belde me op en we spraken af dat ik mijn moeder mee zou nemen naar de geriater. Dat woord doet me altijd erg aan psychiater denken en roept daarmee een verkeerd beeld op, weet ik nu. Want dat mijn moeder dementie heeft, hoef ik niet meer te horen. Er zijn wat lichamelijke klachten die eens bekeken moeten worden. Overigens vinden alleen de huisarts en ik dat. Mijn moeder, die ik op de hoogte stelde van dit gesprek, vond het allemaal niet nodig. “Ja, dat klopt, daar had ik last van, maar het is helemaal weg. Ik heb me vandaag geen moment duizelig gevoeld.” “Dat is fijn, joh! Ach weet je wat, we laten er voor de zekerheid even naar kijken en als de arts ook zegt dat het helemaal goed is, is dat toch fijn om te horen. Dan weten we zeker dat je helemaal in orde bent!”
Maar waarom nu die geriater? Die doet het allemaal net even anders dan een andere arts. Ze zorgt ervoor dat zoveel mogelijk onderzoeken op dezelfde dag kunnen plaatsvinden en informeert bovendien van tevoren zo uitgebreid mogelijk over de dingen die die dag staan te gebeuren, zodat ik niet voor een verrassing kom te staan en mijn moeder alvast voor kan bereiden. Dat is althans het plan. Dinsdag maar eens zien of het werkt.
Labels:
contact,
gezondheid,
huis,
mantelzorg,
moeder,
telefoon
vrijdag 28 januari 2011
Kwart voor elf!
De telefoon gaat. Kwart voor elf ’s avonds! Steeds meer mensen krijgen door dat ik een avondmens ben, maar zo laat gebeld worden, alarmeert me toch altijd. “Mam” staat er in het venster. Ik neem snel op. “Hallo, met Ita”, roep ik vrolijk. Je weet het nooit, het zou eens kunnen helpen. Aan de andere kant is er echter helemaal geen paniek, niet eens een bedrukte stemming. Het is gewoon mijn moeder, die belt alsof het kwart voor elf ’s ochtends is. “Zeg, ben jij jarig?”, begint ze. “Nee, nog lang niet, maar ik wil het best zijn hoor.” “Nou, dan van harte gefeliciteerd!” “Dank je wel! Je bent de eerste!!” “En waarschijnlijk ook de laatste”, lacht ze. “Maar hoe kom je daar nu op, dat ik jarig zou zijn? Staat de klok verkeerd?” De datumklok is nog steeds een fijne steun in haar huis, maar af en toe rommelt ze aan de knoppen. Of misschien doet de schoonmaakster dat, dat weet ik natuurlijk niet. En mijn moeder kan het mij niet vertellen. In elk geval is het al in de routine ingebouwd dat ik elke keer dat ik op bezoek kom even een blik op de klok werp om te kijken of dag en datum wel juist zijn.
Maar nee, daar is niets mee aan de hand, bezweert ze me. “Ik heb geslapen en werd wakker en dacht: nu moet ik eerst Ita bellen.” “Nou, gezellig. Ik dacht eigenlijk dat je nog wel zou slapen.” En omdat ze zo vreselijk monter klinkt, vraag ik toch maar: “Is het nu dan ochtend?” “Nee, natuurlijk niet, het is stikkedonker. Het is avond.”
Donker is eenvoudiger dan licht. Nog niet zo lang geleden belde ze me op een ochtend met de vraag of het nu ochtend of avond was. Want half tien ’s avonds kan het nog licht zijn, in de zomer tenminste. En in het huis is het altijd zo warm, dat het verschil tussen zomer en winter moeilijk waarneembaar is. Maar licht en donker zijn nog steeds duidelijke aanwijzingen voor mijn moeder. Gelukkig helpt het dat ze haar gordijnen nooit helemaal dicht doet. Ze heeft altijd ergens zicht op een streepje buitenlucht.
In dit gesprek komen de onvermijdelijke vragen weer voorbij: hoe gaat het met je, en met zoon? En heb je nu een vriend? Ik wist het niet zeker meer. Ga je nog op vakantie? En natuurlijk ook: waar woon je nu? Dat laatste, toch een redelijk constante factor, wil niet meer blijven plakken. Een paar dagen geleden plaatste ze me op kamers in Utrecht, een fase die ik ruim twintig jaar geleden heb afgesloten. Soms kets ik daarom de vraag weleens terug, zodat ik weet wat haar referentiekader is. Niet dat het betekent dat ze in haar hoofd dan twintig jaar terug is in de tijd. Geenszins! Het huis waar ze destijds woonde is een vage vlek in haar herinnering, maar haar vorige adres is nog steeds 'haar huis'. Inclusief huisnummer, postcode en telefoonnummer dreunt ze dat zo op. Dat gezegd hebbende: met regelmaat laat ze een saldo cijfers op me los. “Ben jij dat?”, checkt ze dan even. Ik moet altijd even hard denken voor ik “ja” kan antwoorden.
Dat ze belde voor mijn verjaardag is ze inmiddels alweer vergeten. Jammer, zo’n minifeestje halverwege smaakt goed! Ach, op de verrassing van dit vrolijke telefoontje kan ik ook wel een tijdje teren.
Maar nee, daar is niets mee aan de hand, bezweert ze me. “Ik heb geslapen en werd wakker en dacht: nu moet ik eerst Ita bellen.” “Nou, gezellig. Ik dacht eigenlijk dat je nog wel zou slapen.” En omdat ze zo vreselijk monter klinkt, vraag ik toch maar: “Is het nu dan ochtend?” “Nee, natuurlijk niet, het is stikkedonker. Het is avond.”
Donker is eenvoudiger dan licht. Nog niet zo lang geleden belde ze me op een ochtend met de vraag of het nu ochtend of avond was. Want half tien ’s avonds kan het nog licht zijn, in de zomer tenminste. En in het huis is het altijd zo warm, dat het verschil tussen zomer en winter moeilijk waarneembaar is. Maar licht en donker zijn nog steeds duidelijke aanwijzingen voor mijn moeder. Gelukkig helpt het dat ze haar gordijnen nooit helemaal dicht doet. Ze heeft altijd ergens zicht op een streepje buitenlucht.
In dit gesprek komen de onvermijdelijke vragen weer voorbij: hoe gaat het met je, en met zoon? En heb je nu een vriend? Ik wist het niet zeker meer. Ga je nog op vakantie? En natuurlijk ook: waar woon je nu? Dat laatste, toch een redelijk constante factor, wil niet meer blijven plakken. Een paar dagen geleden plaatste ze me op kamers in Utrecht, een fase die ik ruim twintig jaar geleden heb afgesloten. Soms kets ik daarom de vraag weleens terug, zodat ik weet wat haar referentiekader is. Niet dat het betekent dat ze in haar hoofd dan twintig jaar terug is in de tijd. Geenszins! Het huis waar ze destijds woonde is een vage vlek in haar herinnering, maar haar vorige adres is nog steeds 'haar huis'. Inclusief huisnummer, postcode en telefoonnummer dreunt ze dat zo op. Dat gezegd hebbende: met regelmaat laat ze een saldo cijfers op me los. “Ben jij dat?”, checkt ze dan even. Ik moet altijd even hard denken voor ik “ja” kan antwoorden.
Dat ze belde voor mijn verjaardag is ze inmiddels alweer vergeten. Jammer, zo’n minifeestje halverwege smaakt goed! Ach, op de verrassing van dit vrolijke telefoontje kan ik ook wel een tijdje teren.
woensdag 26 januari 2011
Schuttemajoor
Als ik een envelop van tafel pak om even een aantekening op te maken, zie ik het weer staan: Dominee.... pastoor .....Schuttemajoor. He ja, dat is dat rijmpje waar mijn moeder het gisteren ineens over had. Na een paar vreselijk drukke weken kon ik eindelijk een middag vrij plannen om naar haar toe te gaan. Lekker kletsen over van alles en nog wat. En zo kwam ook ineens dat halve rijmpje voorbij. Ik ken het niet, maar het klinkt als een aftelrijmpje. En het doet me meteen denken aan de Popla-reclame: “Koning, Keizer, Admiraal, Popla willen ze allemaal”. Dat vertel ik maar even niet, want dat verwart alleen maar.
Maar nu ik al werkend achter mijn computer zit, kan ik best even googlen op “Schuttemajoor”. Geen idee wat het is, en dat is ook googles gedachte, maar die oppert meteen of ik misschien “Schutter, Majoor” zoek. Goed idee! Als ik de pastoor er dan ook nog bijplak, duikt er een versje op. Ik pak meteen de telefoon. Mijn moeder zit er gelukkig naast en ik vertel dat we gisteren niet op de tekst van een versje konden komen, maar dat ik het gevonden heb. “We begonnen Dominee, lalala,lala, pastoor”. Mijn moeder valt meteen in: “Koning, keizer, schutter, majoor.” Ja, precies, die woorden! We moeten allebei lachen. “Het begin gaat”Edelman..”, mijn moeder valt meteen weer bij “.. bedelman, dokter pastoor, koning, keizer, schutter, majoor”, hoewel het nog steeds klinkt als schuttemajoor.
Het is een springtouwliedje, vertel ik mijn moeder. Ik ken het geheel niet, maar leuk is wel dat ik erdoor een op website met liedjes beland. Weliswaar met kinderliedjes, maar daar zitten hele mooie oude liedjes bij. Wie weet kan ik mijn moeder daarmee eens over de streep trekken om gezellig samen te gaan zingen. Met wat geluk schuift de buurvrouw aan en met nog meer geluk zijn de omwonenden hardhorend. Want dan kunnen we ons lekker uitleven in de muziek!
Ook op zoek naar liedjes? http://www.liedjesland.com/
Maar nu ik al werkend achter mijn computer zit, kan ik best even googlen op “Schuttemajoor”. Geen idee wat het is, en dat is ook googles gedachte, maar die oppert meteen of ik misschien “Schutter, Majoor” zoek. Goed idee! Als ik de pastoor er dan ook nog bijplak, duikt er een versje op. Ik pak meteen de telefoon. Mijn moeder zit er gelukkig naast en ik vertel dat we gisteren niet op de tekst van een versje konden komen, maar dat ik het gevonden heb. “We begonnen Dominee, lalala,lala, pastoor”. Mijn moeder valt meteen in: “Koning, keizer, schutter, majoor.” Ja, precies, die woorden! We moeten allebei lachen. “Het begin gaat”Edelman..”, mijn moeder valt meteen weer bij “.. bedelman, dokter pastoor, koning, keizer, schutter, majoor”, hoewel het nog steeds klinkt als schuttemajoor.
Het is een springtouwliedje, vertel ik mijn moeder. Ik ken het geheel niet, maar leuk is wel dat ik erdoor een op website met liedjes beland. Weliswaar met kinderliedjes, maar daar zitten hele mooie oude liedjes bij. Wie weet kan ik mijn moeder daarmee eens over de streep trekken om gezellig samen te gaan zingen. Met wat geluk schuift de buurvrouw aan en met nog meer geluk zijn de omwonenden hardhorend. Want dan kunnen we ons lekker uitleven in de muziek!
Ook op zoek naar liedjes? http://www.liedjesland.com/
zondag 14 november 2010
Anne komt dichterbij
We bellen weer eens. Over een brief dit keer, van de verzekering. Gelukkig heeft mijn moeder eerder al gebeld en haar verhaal op de voicemail achtergelaten. Daardoor weet ik precies wat ze nu van me wil horen. “Het gaat over de inboedelwaardemeter, he?” “Ja, inderdaad. Heb jij die brief ook gehad?” “Nee, en ik snap ook niet waarom, want normaal sturen ze alles wel naar mij.” “Vreemd. Maar het gaat over eh, iets met onderverzekering.” “Nou, daar hoef je niet bang voor te zijn. De premie is nog steeds vastgesteld op toen je in je vorige huis woonde, dus je bent ruim oververzekerd. We passen het binnenkort wel aan.” Gelukkig kan mijn moeder mijn franse slag tegenwoordig verdragen. Uiteindelijk komt het goed, dat weet ze ook.
“Is het huis verkocht dan?”, vraagt ze. “Ja, ruim een jaar geleden.” “Nou, dat is vast een pak van je hart, dat scheelt een boel werk.” “Zeg dat wel, daar ben ik blij mee.” “En dan heeft Anne je daarmee geholpen?” “Lieve mam, je zus Anne is inmiddels ook een oude dame, die doet dat soort dingen ook niet meer.” Ik zeg maar niet dat ze onlangs vertelde dat ze een tijd in een verpleeghuis had gelegen, samen met haar man die herstelde van een dubbele heupoperatie. Dat soort alarmerende berichten zijn niet nodig. “Ach nee, je hebt ook gelijk. Die loopt natuurlijk ook al tegen de tachtig.” Dit keer is het waar, al is alles boven de zeventig bij mijn moeder “tegen de tachtig”. “De zoon van Jaap heeft geholpen.” “Ja, maar ging dan de helft van het huis naar Anne?”, wil ze nog weten. “Nee, naar de kinderen van Jaap”, leg ik nog maar even uit. “Oh. O ja.”
We nemen afscheid en als ik opleg realiseer ik me dat er weer een stap gezet is. Er begint een generatie te verdwijnen. Wanneer ben ik aan de beurt? Ik ben dichtbij genoeg om nog een tijdje in haar hoofd te wonen, maar ik vrees de dag dat ook dat niet meer het geval is. Voor mij, maar vooral voor haar. Want nu ben ik nog haar houvast, maar hoe moet de wereld er wel niet uitzien als dat ook niet meer zo is? Als niets en niemand meer stevigheid geeft aan het bestaan.
“Is het huis verkocht dan?”, vraagt ze. “Ja, ruim een jaar geleden.” “Nou, dat is vast een pak van je hart, dat scheelt een boel werk.” “Zeg dat wel, daar ben ik blij mee.” “En dan heeft Anne je daarmee geholpen?” “Lieve mam, je zus Anne is inmiddels ook een oude dame, die doet dat soort dingen ook niet meer.” Ik zeg maar niet dat ze onlangs vertelde dat ze een tijd in een verpleeghuis had gelegen, samen met haar man die herstelde van een dubbele heupoperatie. Dat soort alarmerende berichten zijn niet nodig. “Ach nee, je hebt ook gelijk. Die loopt natuurlijk ook al tegen de tachtig.” Dit keer is het waar, al is alles boven de zeventig bij mijn moeder “tegen de tachtig”. “De zoon van Jaap heeft geholpen.” “Ja, maar ging dan de helft van het huis naar Anne?”, wil ze nog weten. “Nee, naar de kinderen van Jaap”, leg ik nog maar even uit. “Oh. O ja.”
We nemen afscheid en als ik opleg realiseer ik me dat er weer een stap gezet is. Er begint een generatie te verdwijnen. Wanneer ben ik aan de beurt? Ik ben dichtbij genoeg om nog een tijdje in haar hoofd te wonen, maar ik vrees de dag dat ook dat niet meer het geval is. Voor mij, maar vooral voor haar. Want nu ben ik nog haar houvast, maar hoe moet de wereld er wel niet uitzien als dat ook niet meer zo is? Als niets en niemand meer stevigheid geeft aan het bestaan.
woensdag 4 augustus 2010
Taart en eten
Tegenwoordig doe ik het niet meer, mijn moeder vertellen dat ik de volgende dag kom.Ik gun haar best de voorpret, een belangrijk ingrediënt van geluk las ik onlangs, maar die is steeds vaker overschaduwd door de onrust die ze erdoor voelt.
Als je hoofd niet meer precies doet wat het deed, gooit het tijden en dagen door elkaar. Ook al staat de datumklok te tikken op de kast, hoe kun je zeker weten dat je het goed opgeschreven hebt? Beter kun je het nog maar een keertje checken en dus bel je even. En als je een kwartier later – wat is eigenlijk een kwartier – het briefje nog eens tegenkomt, kun je dan zeker weten dat het klopt wat daar staat? Een telefoontje brengt altijd uitkomst. Al groeit meteen ook weer de twijfel. Heb ik wel gebeld? En waar hebben we het dan over gehad? Moeten we nog iets afspreken?
Dat de telefoon om de haverklap gaat is wat onhandig voor mij, maar het tekent vooral de onrust aan de andere kant van de lijn. En dus doe ik zoveel mogelijk bij verrassing tegenwoordig. Maar nu is er een dilemma. Taart en eten. Voor de meesten is allebei erg goed mogelijk, maar voor mijn moeder is het net wat teveel. Dus overleggen we hier thuis wat het beste is. En daarna overleg ik met haar wat zij het liefste zou willen. Uiteindelijk blijkt mijn inschatting te kloppen. Natuurlijk had ik haar liever naast me aan tafel gehad bij het eten. Pratend en luid lachend zoals ze dat altijd deed. Aanstekelijk genietend. Ze zou wel genieten, van het mooie uitzicht, of, zoals vorig jaar, van de grote kroonluchter. Maar ze zou ook snel moe worden van de geluiden, van alle beelden, van de constant nieuwe indrukken, elke minuut weer. En na een half uur zou ze toch wel erg graag, als het niet teveel moeite is, terug naar huis.
“Ik kom liever taart eten”, zegt ze dan ook als ik haar de keuze voorleg. “Gewoon gezellig bij jullie.” Een wijs besluit, ons thuis is voor haar al uit. En toch ook een beetje thuis, doordat de sfeer, de meubels en de lange rijen boeken in de kamer, voelen als iets wat ze al heel lang kent. En dat is een wonder in de wereld die in haar hoofd elke dag verandert.
Als je hoofd niet meer precies doet wat het deed, gooit het tijden en dagen door elkaar. Ook al staat de datumklok te tikken op de kast, hoe kun je zeker weten dat je het goed opgeschreven hebt? Beter kun je het nog maar een keertje checken en dus bel je even. En als je een kwartier later – wat is eigenlijk een kwartier – het briefje nog eens tegenkomt, kun je dan zeker weten dat het klopt wat daar staat? Een telefoontje brengt altijd uitkomst. Al groeit meteen ook weer de twijfel. Heb ik wel gebeld? En waar hebben we het dan over gehad? Moeten we nog iets afspreken?
Dat de telefoon om de haverklap gaat is wat onhandig voor mij, maar het tekent vooral de onrust aan de andere kant van de lijn. En dus doe ik zoveel mogelijk bij verrassing tegenwoordig. Maar nu is er een dilemma. Taart en eten. Voor de meesten is allebei erg goed mogelijk, maar voor mijn moeder is het net wat teveel. Dus overleggen we hier thuis wat het beste is. En daarna overleg ik met haar wat zij het liefste zou willen. Uiteindelijk blijkt mijn inschatting te kloppen. Natuurlijk had ik haar liever naast me aan tafel gehad bij het eten. Pratend en luid lachend zoals ze dat altijd deed. Aanstekelijk genietend. Ze zou wel genieten, van het mooie uitzicht, of, zoals vorig jaar, van de grote kroonluchter. Maar ze zou ook snel moe worden van de geluiden, van alle beelden, van de constant nieuwe indrukken, elke minuut weer. En na een half uur zou ze toch wel erg graag, als het niet teveel moeite is, terug naar huis.
“Ik kom liever taart eten”, zegt ze dan ook als ik haar de keuze voorleg. “Gewoon gezellig bij jullie.” Een wijs besluit, ons thuis is voor haar al uit. En toch ook een beetje thuis, doordat de sfeer, de meubels en de lange rijen boeken in de kamer, voelen als iets wat ze al heel lang kent. En dat is een wonder in de wereld die in haar hoofd elke dag verandert.
Labels:
feest,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning,
telefoon
woensdag 28 juli 2010
Het mooiste cadeau
Zelden nog belt ze uit zichzelf, maar nu staat er echt MAM in het venster van mijn telefoon. Ik neem op, verwacht verwarring of een moeilijke vraag. “Morgen heb je het vast druk, dus ik bel nu alvast. Van harte gefeliciteerd!” Een half uur later belt ze weer. “Ik was abuis, geloof ik he? Een dag te vroeg.” “Nee hoor, je belde alvast voor morgen, zei je.” En zo herhaalt zich dat nog een paar keer.
De volgende ochtend echter gaat de telefoon voor dag en dauw. “Van harte gefeliciteerd!” “Zo, jij bent er vroeg bij.” “Ja, ik dacht: straks ben je vast op pad, dus ik bel maar vroeg.” Dat ik nu eigenlijk nog had willen slapen, vertel ik maar even niet. Het is ook niet nodig. Het mooiste cadeau heeft nooit een ‘maar’. En dit is, al sinds een paar jaar, het allermooiste cadeau dat ik kan krijgen, dat mijn moeder op deze dag weet dat ik jarig ben.
De volgende ochtend echter gaat de telefoon voor dag en dauw. “Van harte gefeliciteerd!” “Zo, jij bent er vroeg bij.” “Ja, ik dacht: straks ben je vast op pad, dus ik bel maar vroeg.” Dat ik nu eigenlijk nog had willen slapen, vertel ik maar even niet. Het is ook niet nodig. Het mooiste cadeau heeft nooit een ‘maar’. En dit is, al sinds een paar jaar, het allermooiste cadeau dat ik kan krijgen, dat mijn moeder op deze dag weet dat ik jarig ben.
woensdag 14 juli 2010
De barbecue
Sinds mijn moeder in het verzorgingshuis woont, heeft ze een helder dagritme met vaste koffie- en etenstijden. Ik zou er van gruwen, maar mijn moeder vaart er wel bij. Sterker nog: die had ze vroeger ook altijd al. Mijn moeder houdt van de klok, ze heeft er dan ook minstens drie in haar kamer staan, plus een wekker en natuurlijk een horloge.
Dat nieuwe ritme is er dan ook al snel ingesleten. Wanneer ik haar eens aan de telefoon heb, wordt er aan haar deur gebeld. “Gaat u mee naar beneden, koffie drinken?”, vraagt een vriendelijke stem. “Dat vragen ze anders nooit hoor”, verklapt mijn moeder mij. Dat verbaast me niets. Uit de verhalen weet ik dat mijn moeder al voor koffietijd keurig zit te wachten bij de koffiekamer. Want aan te laat komen heeft ze een hekel. De vriendelijke stem staat dus dagelijks voor niets aan de deur.
Omdat ik weet dat ze al vroeg op pad gaat, bel ik haar net na het ontbijt. Net na háár ontbijt, het mijne is vandaag wat later. Vrolijk neemt ze op. “Warm is het he?”, zegt ze. “Ja, hier ook. Is het een beetje uit te houden daar?”, vraag ik. “Gelukkig heb ik de zon pas laat”, weet ze. “Maar als het me te erg word, ga ik even op de gang lopen. Die is koeler, daar zitten bijna geen ramen in.” Zo babbelen we verder, over alledaagse dingen. Dit keer heb ik ook een gerichte vraag. “Ik heb post gekregen, of je mee wil doen aan een landendag en aan een barbecue.” “O, wat raar dat ze dat naar jou sturen. Ik heb niets gehad!” “Dat is omdat ik het moet betalen”, reageer ik snel. “Dus wil ik even weten of je wil gaan.” “Wat is het dan? Wat doen ze daar?” De vorige landendagen zijn alweer weggezakt. In plaats van zomaar wat muziek, wordt er een hele dag rondom een thema verzorgd. Met dans, muziek, een modeshow en eten uit het land waar het om gaat. Een uitje in eigen huis voor de bewoners. Voorgaande keren heeft mijn moeder ervan genoten, dus neem ik aan dat ze dit keer ook zal willen. “De rest van de groep gaat ook, weet ik van de vorige keer.” “O. En wanneer is dat dan?” Na wat geharrewar over data roer ik toch ook de barbecue maar aan. De laatste barbecue met haar die ik me herinner is alweer jaren geleden. De verjaardag van haar man, bowlen met barbecue toe. Als een ware wachter stond ik naast haar bij de doe-het-zelf-grillplaat, want haar gevoel voor tijd was ze toen al kwijt. Uit angst voor aangebrand vlees gaf ze het niet eens de kans om warm te worden.
Maar bij deze barbecue hoeft ze zelf niet aan de slag. Hier staan koks achter het rooster en is het haar taak om de hapjes samen met alle andere bewoners gezellig weg te werken. “De barbecue is eind augustus.” Maar haar aandacht is allang verslapt. “Hoe is het met de mannen?” vraagt ze me. “Goed hoor, ook warm natuurlijk.” “Ja, het is erg warm he. Hier ook. Bij jou ook?” Ze voelt zich weer op vertrouwd terrein en babbelt vrolijk verder. Over die barbecue heb ik het maar niet meer. Ik meld haar wel aan, als de rest van haar groep ook gaat tenminste.
Dat nieuwe ritme is er dan ook al snel ingesleten. Wanneer ik haar eens aan de telefoon heb, wordt er aan haar deur gebeld. “Gaat u mee naar beneden, koffie drinken?”, vraagt een vriendelijke stem. “Dat vragen ze anders nooit hoor”, verklapt mijn moeder mij. Dat verbaast me niets. Uit de verhalen weet ik dat mijn moeder al voor koffietijd keurig zit te wachten bij de koffiekamer. Want aan te laat komen heeft ze een hekel. De vriendelijke stem staat dus dagelijks voor niets aan de deur.
Omdat ik weet dat ze al vroeg op pad gaat, bel ik haar net na het ontbijt. Net na háár ontbijt, het mijne is vandaag wat later. Vrolijk neemt ze op. “Warm is het he?”, zegt ze. “Ja, hier ook. Is het een beetje uit te houden daar?”, vraag ik. “Gelukkig heb ik de zon pas laat”, weet ze. “Maar als het me te erg word, ga ik even op de gang lopen. Die is koeler, daar zitten bijna geen ramen in.” Zo babbelen we verder, over alledaagse dingen. Dit keer heb ik ook een gerichte vraag. “Ik heb post gekregen, of je mee wil doen aan een landendag en aan een barbecue.” “O, wat raar dat ze dat naar jou sturen. Ik heb niets gehad!” “Dat is omdat ik het moet betalen”, reageer ik snel. “Dus wil ik even weten of je wil gaan.” “Wat is het dan? Wat doen ze daar?” De vorige landendagen zijn alweer weggezakt. In plaats van zomaar wat muziek, wordt er een hele dag rondom een thema verzorgd. Met dans, muziek, een modeshow en eten uit het land waar het om gaat. Een uitje in eigen huis voor de bewoners. Voorgaande keren heeft mijn moeder ervan genoten, dus neem ik aan dat ze dit keer ook zal willen. “De rest van de groep gaat ook, weet ik van de vorige keer.” “O. En wanneer is dat dan?” Na wat geharrewar over data roer ik toch ook de barbecue maar aan. De laatste barbecue met haar die ik me herinner is alweer jaren geleden. De verjaardag van haar man, bowlen met barbecue toe. Als een ware wachter stond ik naast haar bij de doe-het-zelf-grillplaat, want haar gevoel voor tijd was ze toen al kwijt. Uit angst voor aangebrand vlees gaf ze het niet eens de kans om warm te worden.
Maar bij deze barbecue hoeft ze zelf niet aan de slag. Hier staan koks achter het rooster en is het haar taak om de hapjes samen met alle andere bewoners gezellig weg te werken. “De barbecue is eind augustus.” Maar haar aandacht is allang verslapt. “Hoe is het met de mannen?” vraagt ze me. “Goed hoor, ook warm natuurlijk.” “Ja, het is erg warm he. Hier ook. Bij jou ook?” Ze voelt zich weer op vertrouwd terrein en babbelt vrolijk verder. Over die barbecue heb ik het maar niet meer. Ik meld haar wel aan, als de rest van haar groep ook gaat tenminste.
dinsdag 22 juni 2010
Dilemma in Berlijn
Aan verplichtingen deden we niet bij ons in de familie. Feestdagen en verjaardagen waren ieder jaar weer anders, net zoals het uitkwam. Geen gedwongen reizen langs vader en moeder met kerst, geen verplichte taart op verjaardagen. Integendeel. Mijn vader plande de wintersport altijd zorgvuldig met zijn verjaardag er middenin en ook mijn zus en ik verjaarden in vakantietijd. Mijn moeder had op haar verjaardag al helemaal geen zin in een huis vol uitgefeest bezoek, zo kort na de decembermaand.
Maar één ding sloop er al jong in. Het voelde niet als dwang, al dook het iedere reis, kort of lang, op: het sturen van kaarten. Graag wilde ik iedereen die me lief was laten meegenieten van wat ik meemaakte, zelfs al was ik maar een mini-weekend weg. En dus ging er een kaart naar mijn ouders, naar mijn zus, naar m’n oma en natuurlijk naar opa. En bij langere reizen ook naar de rest van de familie.
Na het overlijden van opa was het wel kaal dat ik hem niets meer kon sturen. Daarna viel stukje bij beetje de rest van de familie weg. Nu is er alleen nog mijn moeder en inmiddels zoon om een kaart te sturen.
Daar sta ik dan, bij de kaarten in Berlijn.’Zal ik?’, vraag ik mezelf af. Eigenlijk wil ik haar er wel een sturen, maar het gevolg zal zijn dat mijn moeder me maandenlang niet meer belt, weet ik inmiddels uit ervaring. Al de tijd dat de kaart op tafel staat, wat gerust een half jaar kan zijn, zal ze denken dat ik in Berlijn vertoef. Zo wordt ieder uitstapje van mij in haar hoofd een emigratie.
En toch, bij ieder kaartenrek overvalt me weer even de aarzeling. Ik onderdruk de drang en koop een paar mooie kralen voor haar, waar ik thuis een hanger van zal maken. En ik neem me voor gauw op bezoek te gaan.
Dan bewijst ze, tot mijn grote opluchting, meteen mijn gelijk. Ik ga op een ochtend langs. Een paar uur later gaat de telefoon. “Ik zie dat er zulke overstromingen zijn in Zuid-Frankrijk. A. heeft toch precies in dat gebied een huis? Zou het allemaal wel goed gaan?” Ik ben perplex. Ze weet dat ik thuis ben, is op de hoogte van de actualiteit en weet ook nog waar het huis van A staat, waar ze bijna dertig jaar geleden eens geweest is. Alleen weet ze even niet dat A. er nooit meer komt. Gelukkig weet ik dat wel en kan ik haar weer even geruststellen.
Ik neem me meteen voor om alleen nog maar kaarten te sturen als ik echt lang op reis ben. Of beter nog: dan koop ik ze alleen maar en stuur ik ze als ik eenmaal thuis ben, zodat ze meteen weet dat ik er weer ben. Daarnaast zoek ik natuurlijk op elke reis naar een klein, warm kadootje. Om haar te laten meegenieten van de mooie dingen die ik zie.
Maar één ding sloop er al jong in. Het voelde niet als dwang, al dook het iedere reis, kort of lang, op: het sturen van kaarten. Graag wilde ik iedereen die me lief was laten meegenieten van wat ik meemaakte, zelfs al was ik maar een mini-weekend weg. En dus ging er een kaart naar mijn ouders, naar mijn zus, naar m’n oma en natuurlijk naar opa. En bij langere reizen ook naar de rest van de familie.
Na het overlijden van opa was het wel kaal dat ik hem niets meer kon sturen. Daarna viel stukje bij beetje de rest van de familie weg. Nu is er alleen nog mijn moeder en inmiddels zoon om een kaart te sturen.
Daar sta ik dan, bij de kaarten in Berlijn.’Zal ik?’, vraag ik mezelf af. Eigenlijk wil ik haar er wel een sturen, maar het gevolg zal zijn dat mijn moeder me maandenlang niet meer belt, weet ik inmiddels uit ervaring. Al de tijd dat de kaart op tafel staat, wat gerust een half jaar kan zijn, zal ze denken dat ik in Berlijn vertoef. Zo wordt ieder uitstapje van mij in haar hoofd een emigratie.
En toch, bij ieder kaartenrek overvalt me weer even de aarzeling. Ik onderdruk de drang en koop een paar mooie kralen voor haar, waar ik thuis een hanger van zal maken. En ik neem me voor gauw op bezoek te gaan.
Dan bewijst ze, tot mijn grote opluchting, meteen mijn gelijk. Ik ga op een ochtend langs. Een paar uur later gaat de telefoon. “Ik zie dat er zulke overstromingen zijn in Zuid-Frankrijk. A. heeft toch precies in dat gebied een huis? Zou het allemaal wel goed gaan?” Ik ben perplex. Ze weet dat ik thuis ben, is op de hoogte van de actualiteit en weet ook nog waar het huis van A staat, waar ze bijna dertig jaar geleden eens geweest is. Alleen weet ze even niet dat A. er nooit meer komt. Gelukkig weet ik dat wel en kan ik haar weer even geruststellen.
Ik neem me meteen voor om alleen nog maar kaarten te sturen als ik echt lang op reis ben. Of beter nog: dan koop ik ze alleen maar en stuur ik ze als ik eenmaal thuis ben, zodat ze meteen weet dat ik er weer ben. Daarnaast zoek ik natuurlijk op elke reis naar een klein, warm kadootje. Om haar te laten meegenieten van de mooie dingen die ik zie.
maandag 17 mei 2010
Dankzij de belastingdienst
“Belt je moeder nog weleens?”, vraagt mijn buurvrouw als we het over ouders hebben. Eigenlijk nooit meer, realiseer ik me. In de afgelopen jaren is het belcontact van haar kant afgenomen van meerdere keren per dag naar nul. Heel, heel soms belt ze nog. Haar telefoonrekening is dan ook niet hoog.
Ik heb het nog niet uitgesproken of daar gaat de telefoon. ‘Mam’ staat er in het venster op mijn telefoon. “Ik heb hier een brief van de belastingdienst, wacht, ik lees hem even voor.....”, begint ze. “En als je meer wilt weten kun je ze ook bellen. Wil je het nummer?” Nee, dat hoeft niet, dat kan ik wel vinden als ik het nodig heb.
De volgende dag belt ze weer. “Zeg, ik heb een brief van de belastingdienst gekregen, maar die moet maar naar jou he?”. Ja, die neem ik volgende keer wel mee. Leg hem maar in de la. We praten verder over het weer en het opkomende groen en hangen weer op.
Twee dagen later gaat de telefoon weer: “Ik heb hier een envelop van de belastingdienst, maar er zit niks in.” “Geeft niet hoor, dat ligt in de la. Dat vind ik wel als ik langskom. Zo groot woon je gelukkig niet.” “Hahaha, nee, dat is waar. Ik woon hier wel lekker hoor. En ze zorgen zo goed voor me, maak je over mij maar geen zorgen. Ik hoef niet te koken en ik was pas ziek en toen kwamen ze af en toe eens kijken hoe het ging.”
Zojuist luisterde ik de voicemail af. U heeft één bericht. “Hoi, met mij. Ik heb helemaal geen bericht, hahaha. Ik dacht gewoon: kom, ik bel m’n dochter eens even. Even horen hoe het met je gaat, maar je bent er niet. Nou ja, bellen we een andere keer. Daahaag!”
Door die ene blauwe envelop zit ik ineens weer in haar systeem. Jammer dat ik er niet was!
Ik heb het nog niet uitgesproken of daar gaat de telefoon. ‘Mam’ staat er in het venster op mijn telefoon. “Ik heb hier een brief van de belastingdienst, wacht, ik lees hem even voor.....”, begint ze. “En als je meer wilt weten kun je ze ook bellen. Wil je het nummer?” Nee, dat hoeft niet, dat kan ik wel vinden als ik het nodig heb.
De volgende dag belt ze weer. “Zeg, ik heb een brief van de belastingdienst gekregen, maar die moet maar naar jou he?”. Ja, die neem ik volgende keer wel mee. Leg hem maar in de la. We praten verder over het weer en het opkomende groen en hangen weer op.
Twee dagen later gaat de telefoon weer: “Ik heb hier een envelop van de belastingdienst, maar er zit niks in.” “Geeft niet hoor, dat ligt in de la. Dat vind ik wel als ik langskom. Zo groot woon je gelukkig niet.” “Hahaha, nee, dat is waar. Ik woon hier wel lekker hoor. En ze zorgen zo goed voor me, maak je over mij maar geen zorgen. Ik hoef niet te koken en ik was pas ziek en toen kwamen ze af en toe eens kijken hoe het ging.”
Zojuist luisterde ik de voicemail af. U heeft één bericht. “Hoi, met mij. Ik heb helemaal geen bericht, hahaha. Ik dacht gewoon: kom, ik bel m’n dochter eens even. Even horen hoe het met je gaat, maar je bent er niet. Nou ja, bellen we een andere keer. Daahaag!”
Door die ene blauwe envelop zit ik ineens weer in haar systeem. Jammer dat ik er niet was!
dinsdag 23 februari 2010
Uit
“En hoe is het met, hoe heet ie ook alweer?”
“Goed, hoor.”
“Is het nog aan?” Mijn moeder kent mij duidelijk al heel erg lang.
“Nee, het is uit.” Het blijft een tijdje stil aan de andere kant.
“Tja, soms is dat beter.”
Ik wil ineens wel even uitleggen waarom het nu soms is. Ik zie in een flits haar huwelijk voorbijkomen, waarin ze haar man, mijn vader, soms moest delen met een ander. En met ongekende helderheid geeft ze me groot gelijk.
“En hoe is het met jou? Je klinkt vrolijk.”
“Ja hoor, dat ben ik ook wel.”
“Gelukkig.”
We praten nog wat verder. Over acclamatiseren, want het is toch wel wennen, vindt ze, alleen zijn. Soms is het prima, maar soms, zoals vanavond, vindt ze het te stil. Ik vermoed dat ze veel van dat soort avonden heeft, maar zelf heeft ze geen idee.
“En hoe is het met eh... ?”
“Goed verwacht ik, maar het is uit.”
“O, nou ja, soms is dat beter. Als je me zou vragen wat ik nou vandaag gedaan heb, ik heb geen idee. Soms weet ik het wel, maar vandaag, ik zou het niet weten.”
Ik opper dat ze een dagboek bij kan gaan houden. Dat vindt ze een prima idee. Ik neem me voor een duidelijk schrift of een agenda voor haar mee te nemen, waarin ze kan zetten wat ze gedaan heeft of wat haar gedachten zijn.
“We gaan zo maar eens ophangen, maar vertel even: hoe is het met je zoon?”
“Goed hoor, die heeft vakantie.”
“Wat heerlijk. En hoe is het met je man?” Gelukkig kan ze mijn glimlach niet zien.
“Ook goed.”
“Fijn. Slaap lekker straks he?”
“Doe ik. Jij ook!”
“Goed, hoor.”
“Is het nog aan?” Mijn moeder kent mij duidelijk al heel erg lang.
“Nee, het is uit.” Het blijft een tijdje stil aan de andere kant.
“Tja, soms is dat beter.”
Ik wil ineens wel even uitleggen waarom het nu soms is. Ik zie in een flits haar huwelijk voorbijkomen, waarin ze haar man, mijn vader, soms moest delen met een ander. En met ongekende helderheid geeft ze me groot gelijk.
“En hoe is het met jou? Je klinkt vrolijk.”
“Ja hoor, dat ben ik ook wel.”
“Gelukkig.”
We praten nog wat verder. Over acclamatiseren, want het is toch wel wennen, vindt ze, alleen zijn. Soms is het prima, maar soms, zoals vanavond, vindt ze het te stil. Ik vermoed dat ze veel van dat soort avonden heeft, maar zelf heeft ze geen idee.
“En hoe is het met eh... ?”
“Goed verwacht ik, maar het is uit.”
“O, nou ja, soms is dat beter. Als je me zou vragen wat ik nou vandaag gedaan heb, ik heb geen idee. Soms weet ik het wel, maar vandaag, ik zou het niet weten.”
Ik opper dat ze een dagboek bij kan gaan houden. Dat vindt ze een prima idee. Ik neem me voor een duidelijk schrift of een agenda voor haar mee te nemen, waarin ze kan zetten wat ze gedaan heeft of wat haar gedachten zijn.
“We gaan zo maar eens ophangen, maar vertel even: hoe is het met je zoon?”
“Goed hoor, die heeft vakantie.”
“Wat heerlijk. En hoe is het met je man?” Gelukkig kan ze mijn glimlach niet zien.
“Ook goed.”
“Fijn. Slaap lekker straks he?”
“Doe ik. Jij ook!”
maandag 1 februari 2010
Bloemen
Ik bel mijn moeder:
“Heleen is bijna jarig.”
“O kind, dat wist ik niet.”
“Wil je een kaart sturen?”
“Ja, maar ik heb er geen.”
“Zal ik er dan een sturen, van ons samen?”
“Graag!”
Een paar dagen later zal Heleen langskomen, weet ik. Ik vraag wat mijn moeder haar cadeau zou willen geven. We komen uit op een mooie bos bloemen. Dus ga ik op maandagochtend naar de bloemist, die gelukkig nog wat mooie bossen heeft staan. Net een paar van mijn favorieten in zonnige kleuren. De bloemiste maakt er een vrolijk boeket van en met de bloemen en een bakje hyacinthen rijd ik naar mijn moeder. Die is blij verrast als ze me ziet. Maar Heleen blijkt er niet te zijn. Ik denk dat ik haar misgelopen ben, maar na een tijdje krijg ik het vermoeden dat ze nog helemaal niet geweest is. Er zit een vlek in mijn moeders bloes. Dat zou Heleen nooit hebben laten gebeuren.
Dan komt ze vast vanmiddag, verwacht ik.
“Laat de bloemen dan maar hier, dan geef ik ze wel”, zegt mijn moeder. Uit voorzorg schrijft ze er een kaartje bij en een grote H op het papier. Ik vind het een fijn idee, zo kan ze zelf een cadeau aan Heleen geven.
En ach, denk ik nog, als ze het helemaal vergeet, heeft mijn moeder er in elk geval zelf plezier van.
Uren later gaat de telefoon. Heleen. “Bedankt voor de bloemen.” Wat een schitterend cadeau! Niet die bloemen, al waren die ook mooi, maar het beste cadeau is dat mijn moeder even onthouden heeft dat Heleen jarig was en dat die bloemen voor haar waren. Ook al stond dat op het kaartje.
“Heleen is bijna jarig.”
“O kind, dat wist ik niet.”
“Wil je een kaart sturen?”
“Ja, maar ik heb er geen.”
“Zal ik er dan een sturen, van ons samen?”
“Graag!”
Een paar dagen later zal Heleen langskomen, weet ik. Ik vraag wat mijn moeder haar cadeau zou willen geven. We komen uit op een mooie bos bloemen. Dus ga ik op maandagochtend naar de bloemist, die gelukkig nog wat mooie bossen heeft staan. Net een paar van mijn favorieten in zonnige kleuren. De bloemiste maakt er een vrolijk boeket van en met de bloemen en een bakje hyacinthen rijd ik naar mijn moeder. Die is blij verrast als ze me ziet. Maar Heleen blijkt er niet te zijn. Ik denk dat ik haar misgelopen ben, maar na een tijdje krijg ik het vermoeden dat ze nog helemaal niet geweest is. Er zit een vlek in mijn moeders bloes. Dat zou Heleen nooit hebben laten gebeuren.
Dan komt ze vast vanmiddag, verwacht ik.
“Laat de bloemen dan maar hier, dan geef ik ze wel”, zegt mijn moeder. Uit voorzorg schrijft ze er een kaartje bij en een grote H op het papier. Ik vind het een fijn idee, zo kan ze zelf een cadeau aan Heleen geven.
En ach, denk ik nog, als ze het helemaal vergeet, heeft mijn moeder er in elk geval zelf plezier van.
Uren later gaat de telefoon. Heleen. “Bedankt voor de bloemen.” Wat een schitterend cadeau! Niet die bloemen, al waren die ook mooi, maar het beste cadeau is dat mijn moeder even onthouden heeft dat Heleen jarig was en dat die bloemen voor haar waren. Ook al stond dat op het kaartje.
woensdag 13 januari 2010
Het blijft stil ...
Buurman belt, hij wil op bezoek bij mijn moeder. Nu weet ik dat hij altijd meer dan welkom is. Al jaren kunnen ze het prima samen vinden, al is het voor buurman niet altijd makkelijk. Praten met een dementerende vergt veel van je inlevingsvermogen. Meer dan mensen meestal hebben. Je wordt in je leven immers getraind op onthouden, niet op vergeten.
Toch wil hij graag weer eens langs, de buurman. We overleggen of hij beter eerst even op kan bellen. Misschien wel slim, want mijn moeder doet graag even een dutje na het middageten. Om haar te treffen terwijl ze nog heerlijk in haar pyjama rondloopt, is niet prettig. Niet voor de buurman, maar zeker ook niet voor mijn moeder. Gelukkig hecht ze nog steeds veel waarde aan haar uiterlijk, al heeft ze waarschijnlijk niet veel aan mij als ze vraagt of haar haar goed zit. Mijn eigen hoofd is bedekt met geverfd stro, dus haar opgestoken haar vind ik altijd reuze netjes, al steekt het er aan alle kanten uit.
Na een tijd belt de buurman weer. Hij heeft mijn moeder al een paar keer gebeld, maar er neemt niemand op. Ik kan de dagindeling van mijn moeder dromen en weet dat ze nu zo’n beetje aan de koffie zou moeten zitten. Maar ja, die ene keer dat ik mijn oom en tante van ver adviseerde om gewoon op de bonnefooi langs te gaan, rekening houdend met de etenstijden, resulteerde in een diepe teleurstelling. Net die dag was er een uitstapje met een boot en waren de dames en heren in geen velden of wegen te bekennen. En dus vertrekt ook de buurman maar niet op de gok. Daar is het net te ver voor.
Uiteindelijk laat hij mij met een onaangename kriebel achter. Want als ze geen koffie zit te drinken, waar is ze dan? Op diverse momenten probeer ik het weer even, maar steeds vang ik bot, later in de middag, vlak na het eten, vlak na haar avonddutje. Dan denk ik ineens aan Heleen. Die heeft haar vandaag vast nog gezien en ja hoor, vanochtend was ze prima te spreken. Wat duizelig (dus zie ik haar in gedachten al met haar hoofd onder de tafel liggen, dizzy in elkaar gezakt), maar verder wakker en alert. Als het me na het journaal, haar vaste tv-programma, nog steeds niet lukt om haar te spreken te krijgen, bel ik de verzorging. Want ik weet nu al dat ik zal liggen woelen en draaien vannacht als ik niet zeker weet dat ze veilig in haar eigen bed ligt. “Uw moeder? Die zit beneden, bij het mannenkoor. Ze zijn er met z’n allen heengegaan, direct na het eten.”
Van onder de tafel glijdt ze in mijn verbeelding moeiteloos op een stoel bij een mannenkoorconcert. Ongetwijfeld genietend, want zo vaak luistert ze niet meer naar muziek. En ik zak langzaam onderuit op de bank. Vannacht kan ik rustig slapen.
Toch wil hij graag weer eens langs, de buurman. We overleggen of hij beter eerst even op kan bellen. Misschien wel slim, want mijn moeder doet graag even een dutje na het middageten. Om haar te treffen terwijl ze nog heerlijk in haar pyjama rondloopt, is niet prettig. Niet voor de buurman, maar zeker ook niet voor mijn moeder. Gelukkig hecht ze nog steeds veel waarde aan haar uiterlijk, al heeft ze waarschijnlijk niet veel aan mij als ze vraagt of haar haar goed zit. Mijn eigen hoofd is bedekt met geverfd stro, dus haar opgestoken haar vind ik altijd reuze netjes, al steekt het er aan alle kanten uit.
Na een tijd belt de buurman weer. Hij heeft mijn moeder al een paar keer gebeld, maar er neemt niemand op. Ik kan de dagindeling van mijn moeder dromen en weet dat ze nu zo’n beetje aan de koffie zou moeten zitten. Maar ja, die ene keer dat ik mijn oom en tante van ver adviseerde om gewoon op de bonnefooi langs te gaan, rekening houdend met de etenstijden, resulteerde in een diepe teleurstelling. Net die dag was er een uitstapje met een boot en waren de dames en heren in geen velden of wegen te bekennen. En dus vertrekt ook de buurman maar niet op de gok. Daar is het net te ver voor.
Uiteindelijk laat hij mij met een onaangename kriebel achter. Want als ze geen koffie zit te drinken, waar is ze dan? Op diverse momenten probeer ik het weer even, maar steeds vang ik bot, later in de middag, vlak na het eten, vlak na haar avonddutje. Dan denk ik ineens aan Heleen. Die heeft haar vandaag vast nog gezien en ja hoor, vanochtend was ze prima te spreken. Wat duizelig (dus zie ik haar in gedachten al met haar hoofd onder de tafel liggen, dizzy in elkaar gezakt), maar verder wakker en alert. Als het me na het journaal, haar vaste tv-programma, nog steeds niet lukt om haar te spreken te krijgen, bel ik de verzorging. Want ik weet nu al dat ik zal liggen woelen en draaien vannacht als ik niet zeker weet dat ze veilig in haar eigen bed ligt. “Uw moeder? Die zit beneden, bij het mannenkoor. Ze zijn er met z’n allen heengegaan, direct na het eten.”
Van onder de tafel glijdt ze in mijn verbeelding moeiteloos op een stoel bij een mannenkoorconcert. Ongetwijfeld genietend, want zo vaak luistert ze niet meer naar muziek. En ik zak langzaam onderuit op de bank. Vannacht kan ik rustig slapen.
woensdag 30 december 2009
En niet zomaar een keertje...
Voor de zoveelste ochtend achtereen word ik wakker met een zere keel. Elke keer doet mijn keel meer pijn dan de dag ervoor en zo steven ik af op een keelontsteking, vrees ik. Dat is wel het laatste waar ik zin in heb met Oudejaarsavond en een paar verjaardagen voor de boeg. Zuigtabletten voor beginnende keelpijn verzachten tot nu toe circa één minuut, dropjes werken lekkerder, maar zijn ongezond en water drinken gaat ook vervelen. Bovendien lost het allemaal duidelijk niets op op de langere termijn.
Ik heb mijn ogen nog maar net open als ik bedenk dat mijn moeder altijd raad wist in dat soort situaties. Ze was tenslotte ooit verpleegkundige geweest en dat is blijkbaar een beroep dat je nooit meer afschud. Mijn moeder werkte zonder thermometer om te zien of ik koorts had. Nooit zaten wij vergeefs bij de dokter, alleen in gevallen waar ze zelf het antwoord niet op wist, werd de huisarts erbij geroepen. Wat geen garantie was voor een goed antwoord, leerde ik al jong.
Dus belde ik als het even kon eerst mijn moeder in geval van kleine nood. Ach wat, denk ik, de huisarts heeft nu vast vakantie, dus hopelijk hoeft de assistente er nu ook niet te zitten. Ik pak de telefoon en toets een nummer. “Goeiemorgen”, klinkt het opgewekt aan de andere kant. Ik vermoed een ochtendjas, kop koffie en een krant, maar ik vraag er maar niet naar. Elk woord doet zeer, dus beperk ik me tot het noodzakelijke. “Keelpijn? Ja hoor, daar weet ik wel wat op. Gorgelen met een drankje. De drogist heeft vast wel iets. Ik zou niet weten hoe die middeltjes tegenwoordig heten”, luidt het heldere advies. “Fijn mam, dan doe ik dat. Het bestaat vast nog wel.” In gedachten hoor ik mijn vader weer gorgelen, iets wat hij elke ochtend deed na het tandenpoetsen. Als kind kon ik daar gebiologeerd naar luisteren om het vervolgens zelf te proberen. Goor vond ik het. Maar nu wel handig dat ik weet hoe het moet.
“Prima, gorgelen zal wel helpen. En niet zomaar één keertje, he”, waarschuwt ze meteen. Getsie, wat kent ze me toch nog goed! “Elke dag een aantal keren, anders helpt het geen zier.” Strenge zuster!
Ik heb mijn ogen nog maar net open als ik bedenk dat mijn moeder altijd raad wist in dat soort situaties. Ze was tenslotte ooit verpleegkundige geweest en dat is blijkbaar een beroep dat je nooit meer afschud. Mijn moeder werkte zonder thermometer om te zien of ik koorts had. Nooit zaten wij vergeefs bij de dokter, alleen in gevallen waar ze zelf het antwoord niet op wist, werd de huisarts erbij geroepen. Wat geen garantie was voor een goed antwoord, leerde ik al jong.
Dus belde ik als het even kon eerst mijn moeder in geval van kleine nood. Ach wat, denk ik, de huisarts heeft nu vast vakantie, dus hopelijk hoeft de assistente er nu ook niet te zitten. Ik pak de telefoon en toets een nummer. “Goeiemorgen”, klinkt het opgewekt aan de andere kant. Ik vermoed een ochtendjas, kop koffie en een krant, maar ik vraag er maar niet naar. Elk woord doet zeer, dus beperk ik me tot het noodzakelijke. “Keelpijn? Ja hoor, daar weet ik wel wat op. Gorgelen met een drankje. De drogist heeft vast wel iets. Ik zou niet weten hoe die middeltjes tegenwoordig heten”, luidt het heldere advies. “Fijn mam, dan doe ik dat. Het bestaat vast nog wel.” In gedachten hoor ik mijn vader weer gorgelen, iets wat hij elke ochtend deed na het tandenpoetsen. Als kind kon ik daar gebiologeerd naar luisteren om het vervolgens zelf te proberen. Goor vond ik het. Maar nu wel handig dat ik weet hoe het moet.
“Prima, gorgelen zal wel helpen. En niet zomaar één keertje, he”, waarschuwt ze meteen. Getsie, wat kent ze me toch nog goed! “Elke dag een aantal keren, anders helpt het geen zier.” Strenge zuster!
dinsdag 22 december 2009
Van het blauwe oog en de verdwenen portemonnee
Heleen belt. Het is maandagmiddag, het land ligt onder een laag sneeuw en ik ben thuis. Gelukkig maar, want Heleen belt nooit op zo’n tijd, tenzij er iets aan de hand is. Meestal overleggen we tijdens een avondlijk telefoongesprek over te ondernemen acties, zoals de aanschaf van nieuwe sokken of ruimere broeken voor mijn moeder. Het leven in het verzorgingshuis is goed, dus ineens blijken de kleren te nauw te zijn.
Nu belt ze over heel andere dingen, dat begrijp ik al als ik haar nummer zie. Toch schrik ik niet echt hard, want ik weet dat ze me veel vroeger gebeld zou hebben als er iets ernstigs was. Ze gaat immers altijd ’s ochtends bij mijn moeder op bezoek.
Toch klinkt ze verontrust. “Je moeder heeft een blauw oog”, steekt ze meteen van wal. Zo, alweer? Wat kan er gebeurd zijn? Dat is Heleen ook een raadsel. Ze heeft navraag gedaan bij de dagopvang en daar wisten ze dat het blauwe oog er vlak voor het weekend ineens was. Wacht even, vlak voor het weekend? Maar toen belde ze mij omdat ze haar portemonnee kwijt was. Ik deed nog luchtig, om er vooral geen drama van te maken. En ik besloot een nieuwe te kopen als ie niet meer boven water kwam. Maar een verdwenen portemonnee, een blauw oog en een ondernemende oudere dame? Dat klinkt eng verdacht. Dus spreken we af dat ik achter de portemonnee aanga. Ik neem me voor het dagverblijf te bellen om te vragen of de beurs nog in haar tas zit. Voorlopig kunnen die niets doen, want het is rusttijd.
Een half uur later bel ik mijn moeder zelf maar even. Ze neemt op, maar klinkt niet erg energiek. “Bel ik je wakker?” “Nee hoor, ik was al op.” “Hoe is het met je?” “Ach, niet zo goed. Ik vind het hier niet leuk. Je bent zoveel alleen.”
Ik herken het probleem van de dementerende. Leuke contacten blijven hangen zolang de ander in beeld is. Zodra die uit het zicht is, is mijn moeder weer alleen met haar gedachten en dus voelt ze zich verlaten. In de winter wat meer dan in de rest van het jaar. Dat vertel ik haar ook. “Je hebt een winterdip, die zie ik elk jaar bij je.” “O ja?”, vraagt ze ineens geïnteresseerd. “Ja, vorig jaar ook, en het jaar daarvoor zeker. Als het weer mooier wordt, word jij ook weer zonniger.” “Nou, je ziet ook niemand nu he, het is koud en glad, dus ik ga niet graag naar buiten.” Ineens begrijpt ze de wereld weer een beetje.
Ik vraag naar haar oog. Even snapt ze niet waar ik het over heb en dan niet hoe ik dat nou toch kan weten. “Van Heleen, die heeft me even gebeld. Wat is er gebeurd?” “Ik ben gevallen”, vertelt ze. Pas over een tijdje zal ik zeker weten of dat zo is. Ze onthoudt niet wat ze al verteld heeft, dus pas als ze haar verhaal een aantal keer herhaald heeft, weet ik dat het klopt.
Toch nog maar even de ultieme check doen. Nieuw onderwerp: “je belde een paar dagen geleden dat je je portemonnee kwijt was. Zit ie nu in je tas?” Ze gaat even kijken en komt opgetogen terug. “Ja hoor, hij is er.” Ik vermoedde het al, maar ben toch gerustgesteld: in elk geval is er geen onverlaat die z’n vuist op haar oog heeft gezet om haar haar paar euro afhandig te maken.
We babbelen nog even over de naderende kerst (“o kind, daar wist ik niks van, goed dat je het vertelt”) en dan hang ik op. Vlug bel ik Heleen die hoorbaar zucht van opluchting. Zo balanceren we voortdurend op de rand van wat voor onze gemoedsrust haalbaar is, om mijn moeder de vrijheid te kunnen geven die ze fijn vindt. Wetend dat ze soms verdwaalt, een keer smerig gevallen is en natuurlijk een kwetsbare prooi is voor lelijke lieden. We houden het nog maar weer een tijdje vol.
Nu belt ze over heel andere dingen, dat begrijp ik al als ik haar nummer zie. Toch schrik ik niet echt hard, want ik weet dat ze me veel vroeger gebeld zou hebben als er iets ernstigs was. Ze gaat immers altijd ’s ochtends bij mijn moeder op bezoek.
Toch klinkt ze verontrust. “Je moeder heeft een blauw oog”, steekt ze meteen van wal. Zo, alweer? Wat kan er gebeurd zijn? Dat is Heleen ook een raadsel. Ze heeft navraag gedaan bij de dagopvang en daar wisten ze dat het blauwe oog er vlak voor het weekend ineens was. Wacht even, vlak voor het weekend? Maar toen belde ze mij omdat ze haar portemonnee kwijt was. Ik deed nog luchtig, om er vooral geen drama van te maken. En ik besloot een nieuwe te kopen als ie niet meer boven water kwam. Maar een verdwenen portemonnee, een blauw oog en een ondernemende oudere dame? Dat klinkt eng verdacht. Dus spreken we af dat ik achter de portemonnee aanga. Ik neem me voor het dagverblijf te bellen om te vragen of de beurs nog in haar tas zit. Voorlopig kunnen die niets doen, want het is rusttijd.
Een half uur later bel ik mijn moeder zelf maar even. Ze neemt op, maar klinkt niet erg energiek. “Bel ik je wakker?” “Nee hoor, ik was al op.” “Hoe is het met je?” “Ach, niet zo goed. Ik vind het hier niet leuk. Je bent zoveel alleen.”
Ik herken het probleem van de dementerende. Leuke contacten blijven hangen zolang de ander in beeld is. Zodra die uit het zicht is, is mijn moeder weer alleen met haar gedachten en dus voelt ze zich verlaten. In de winter wat meer dan in de rest van het jaar. Dat vertel ik haar ook. “Je hebt een winterdip, die zie ik elk jaar bij je.” “O ja?”, vraagt ze ineens geïnteresseerd. “Ja, vorig jaar ook, en het jaar daarvoor zeker. Als het weer mooier wordt, word jij ook weer zonniger.” “Nou, je ziet ook niemand nu he, het is koud en glad, dus ik ga niet graag naar buiten.” Ineens begrijpt ze de wereld weer een beetje.
Ik vraag naar haar oog. Even snapt ze niet waar ik het over heb en dan niet hoe ik dat nou toch kan weten. “Van Heleen, die heeft me even gebeld. Wat is er gebeurd?” “Ik ben gevallen”, vertelt ze. Pas over een tijdje zal ik zeker weten of dat zo is. Ze onthoudt niet wat ze al verteld heeft, dus pas als ze haar verhaal een aantal keer herhaald heeft, weet ik dat het klopt.
Toch nog maar even de ultieme check doen. Nieuw onderwerp: “je belde een paar dagen geleden dat je je portemonnee kwijt was. Zit ie nu in je tas?” Ze gaat even kijken en komt opgetogen terug. “Ja hoor, hij is er.” Ik vermoedde het al, maar ben toch gerustgesteld: in elk geval is er geen onverlaat die z’n vuist op haar oog heeft gezet om haar haar paar euro afhandig te maken.
We babbelen nog even over de naderende kerst (“o kind, daar wist ik niks van, goed dat je het vertelt”) en dan hang ik op. Vlug bel ik Heleen die hoorbaar zucht van opluchting. Zo balanceren we voortdurend op de rand van wat voor onze gemoedsrust haalbaar is, om mijn moeder de vrijheid te kunnen geven die ze fijn vindt. Wetend dat ze soms verdwaalt, een keer smerig gevallen is en natuurlijk een kwetsbare prooi is voor lelijke lieden. We houden het nog maar weer een tijdje vol.
Labels:
contact,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning,
telefoon
dinsdag 1 december 2009
De datumklok
Na een paar dagen vakantie - helemaal als ik dan geen kranten koop - raak ik de draad van de week een beetje kwijt. Het is het toppunt van vakantiegevoel, niet meer weten welke dag het is. Al weet ik natuurlijk nog wel ongeveer waar we in het jaar zitten. Juli meestal.
Anders wordt dat als je hoofd het niet meer goed doet. Keer op keer hangt mijn moeder dan ook aan de telefoon: welke dag is het vandaag? Waarop ze weer naar de kalender stiefelt om te kijken wat er dan allemaal moet, vandaag, morgen, overmorgen of gisteren. Want tegen de tijd dat ze bij de kalender is, is de datum alweer verdwenen uit haar hoofd. Dus belt ze nog even om te checken.
Speurend op de site van Alzheimer Nederland kom ik op het idee van een datumklok. Het is nog niet eenvoudig om hem te vinden, maar uiteindelijk ontdek ik tot mijn vreugde dat de plaatselijke thuiszorgwinkel er twee in het assortiment heeft. Ik bestel er direct een en doe hem mijn moeder cadeau. Goedkoop is ie niet, maar de kosten zijn er al snel uit door de besparing op de telefoontjes. Maar dat is niet de reden dat ik er zo blij mee ben. Na een lange training, bij elk telefoontje weer zeggen: "kijk eens op de kast, daar staat de datum", "ja, maar klopt die dan", "ja hoor die klopt", heeft het mijn moeder een klein stukje onafhankelijkheid teruggegeven. Ze heeft nu geen mens nodig om haar te vertellen dat het december is. Al werkt het natuurlijk alleen als de klok in de buurt is. Een beetje zon op een koude winterdag doet haar geloven dat de tuinstoelen weer naar buiten kunnen.... Zo heeft ze ongeacht de tijd de zomer in haar hoofd.
Anders wordt dat als je hoofd het niet meer goed doet. Keer op keer hangt mijn moeder dan ook aan de telefoon: welke dag is het vandaag? Waarop ze weer naar de kalender stiefelt om te kijken wat er dan allemaal moet, vandaag, morgen, overmorgen of gisteren. Want tegen de tijd dat ze bij de kalender is, is de datum alweer verdwenen uit haar hoofd. Dus belt ze nog even om te checken.
Speurend op de site van Alzheimer Nederland kom ik op het idee van een datumklok. Het is nog niet eenvoudig om hem te vinden, maar uiteindelijk ontdek ik tot mijn vreugde dat de plaatselijke thuiszorgwinkel er twee in het assortiment heeft. Ik bestel er direct een en doe hem mijn moeder cadeau. Goedkoop is ie niet, maar de kosten zijn er al snel uit door de besparing op de telefoontjes. Maar dat is niet de reden dat ik er zo blij mee ben. Na een lange training, bij elk telefoontje weer zeggen: "kijk eens op de kast, daar staat de datum", "ja, maar klopt die dan", "ja hoor die klopt", heeft het mijn moeder een klein stukje onafhankelijkheid teruggegeven. Ze heeft nu geen mens nodig om haar te vertellen dat het december is. Al werkt het natuurlijk alleen als de klok in de buurt is. Een beetje zon op een koude winterdag doet haar geloven dat de tuinstoelen weer naar buiten kunnen.... Zo heeft ze ongeacht de tijd de zomer in haar hoofd.
maandag 30 november 2009
Stilte
Ze vroeg me vroeger weleens of mijn huisgenoten het niet belachelijk vonden, alweer de moeder van Ita aan de telefoon. Ach, wat kon mij dat nou schelen, we hadden nou eenmaal regelmatig, vrijwel dagelijks, wel wat uit te wisselen. Ook na mijn studententijd belden we elkaar vaak, misschien niet meer elke dag, maar we bleven toch goed op de hoogte van elkaars wel en wee.
Plotseling, een paar jaar geleden, stokte het telefooncontact. Zomaar ineens belde ze niet meer. Dat besef sijpelt pas na een paar dagen door, als de stilte begint op te vallen. En toch was het schrikken. Zou ze niet meer kunnen bellen? Zou ze me vergeten? Begint dat hiermee en herkent ze me straks niet meer als ik voor haar sta?
Dat laatste is beslist niet zo en als ik de verhalen van anderen hoor, vergeet ze me ook helemaal nog niet, mijn moeder. Alleen vergeet ze me wel te bellen. Hele tijden niet, dan belt ze om te haverklap om iets te vragen of te checken. Maar nu is het al heel lang stil. Af en toe bel ik, maar omgekeerd blijft de lijn slapend. Zou ze er niet meer aan denken dat dat kan, opbellen? Zou ze weer eens denken dat ik op reis ben? In het hoofd van mijn moeder ben ik continu op vakantie, had ze maar voorspellende gaven! Of heeft ze het gewoon te druk met allemaal leuke dingen? Dat hoop ik dan maar, want ik wens haar een gezellig, vrolijk leven. Morgenochtend maar weer eens bellen...
Plotseling, een paar jaar geleden, stokte het telefooncontact. Zomaar ineens belde ze niet meer. Dat besef sijpelt pas na een paar dagen door, als de stilte begint op te vallen. En toch was het schrikken. Zou ze niet meer kunnen bellen? Zou ze me vergeten? Begint dat hiermee en herkent ze me straks niet meer als ik voor haar sta?
Dat laatste is beslist niet zo en als ik de verhalen van anderen hoor, vergeet ze me ook helemaal nog niet, mijn moeder. Alleen vergeet ze me wel te bellen. Hele tijden niet, dan belt ze om te haverklap om iets te vragen of te checken. Maar nu is het al heel lang stil. Af en toe bel ik, maar omgekeerd blijft de lijn slapend. Zou ze er niet meer aan denken dat dat kan, opbellen? Zou ze weer eens denken dat ik op reis ben? In het hoofd van mijn moeder ben ik continu op vakantie, had ze maar voorspellende gaven! Of heeft ze het gewoon te druk met allemaal leuke dingen? Dat hoop ik dan maar, want ik wens haar een gezellig, vrolijk leven. Morgenochtend maar weer eens bellen...
zaterdag 24 oktober 2009
In gesprek
Inmiddels is het ingesleten, de manier waarop ik met mijn moeder praat. Dat merk ik wanneer mensen om mij heen me fijntjes laten weten dat ik ze van meer details voorzie dan nodig is. Ik heb het stap voor stap moeten leren. Praten met iemand met dementie betekent een eenduidig gesprek voeren. Babbelen we aan de telefoon, dan gaat geheid het toestel direct na het gesprek weer over: “wat hebben we nu afgesproken?” “Niets mam, we belden zomaar even.” “O, dan is het goed. Ik dacht even dat we iets afgesproken hadden, maar ik had het niet opgeschreven.” Dus bel ik voor een duidelijke vraag of boodschap, dan begint het gesprek niet met een vrolijk praatje over de dingen van de dag, maar is er sec mijn vraag en haar antwoord. Bijkletsen kan op een ander moment ook nog wel.
Moeilijker wordt het als je over iets speciaals wilt vertellen. De context is meteen weer weg. Dus heb ik het over mijn vakantie in Italië, dan komt dat land in bijna elke zin weer voorbij. En ik vertel er wat keren over! Want de kaart die we stuurden staat nog steeds op tafel, dus klinkt regelmatig de vraag: “hee, ben je weer terug? Hoe heb je het gehad?” Waarop ik maar even informeer waar ik volgens haar geweest ben, waarna ik enthousiast vertel over de belevenissen.
Ooit was het lastig. Nog ingesteld op iemand die alles onthoudt wat je vertelt, is het moeilijk om je voor te stellen dat je boodschap niet aankomt. Maar door me steeds weer voor te stellen dat mijn informatie niet beklijft, is het gemakkelijker geworden om de noodzakelijke kennis in mijn verhaal weer mee te geven. En zo kunnen we nog hele gesprekken voeren. Onlangs vertelde ik over ene Wilders, die hele volksstammen weet op te zwepen met zijn vreemde ideeën. Waarop we een fijn gesprek konden voeren over politiek en opruiende gedachten. Want dementie betekent niet dat je mening aangetast is, alleen kun je niet meer meekomen in het hier en nu. Maar een politiek bewogen mens als mijn moeder vindt natuurlijk nog wel wat van de wereld.
Moeilijker wordt het als je over iets speciaals wilt vertellen. De context is meteen weer weg. Dus heb ik het over mijn vakantie in Italië, dan komt dat land in bijna elke zin weer voorbij. En ik vertel er wat keren over! Want de kaart die we stuurden staat nog steeds op tafel, dus klinkt regelmatig de vraag: “hee, ben je weer terug? Hoe heb je het gehad?” Waarop ik maar even informeer waar ik volgens haar geweest ben, waarna ik enthousiast vertel over de belevenissen.
Ooit was het lastig. Nog ingesteld op iemand die alles onthoudt wat je vertelt, is het moeilijk om je voor te stellen dat je boodschap niet aankomt. Maar door me steeds weer voor te stellen dat mijn informatie niet beklijft, is het gemakkelijker geworden om de noodzakelijke kennis in mijn verhaal weer mee te geven. En zo kunnen we nog hele gesprekken voeren. Onlangs vertelde ik over ene Wilders, die hele volksstammen weet op te zwepen met zijn vreemde ideeën. Waarop we een fijn gesprek konden voeren over politiek en opruiende gedachten. Want dementie betekent niet dat je mening aangetast is, alleen kun je niet meer meekomen in het hier en nu. Maar een politiek bewogen mens als mijn moeder vindt natuurlijk nog wel wat van de wereld.
woensdag 9 september 2009
Ik kan niet slapen
Het is al bijna elf uur als de telefoon gaat. Dat is een late beller! Gauw neem ik op voordat zoon wakker wordt van het gerinkel. Overigens is dat gerinkel tegenwoordig een vrolijk, indringend muziekje. “Mam” lees ik in het venster, dus neem ik vrolijk op. Ik heb me er inmiddels in getraind om dat elke keer te doen, ook al belt ze zeven keer na elkaar. Mijn moeder heeft geen pesterige aard, haar bellen heeft altijd een reden.
Op dit uur van de dag moet het wel een dringende reden zijn, want ze gaat meestal al voor tien uur naar bed. Het is ook dringend, voor haar tenminste. “Ik kan niet slapen.” Ze klinkt gejaagd, niet echt verward dit keer, maar wel wat hulpeloos. “En ik kan het nummer van beneden niet vinden, dus bel ik jou maar.” Het nummer van beneden? Ik pieker over wat dat dan kan zijn, maar ze is alweer verder met haar verhaal. “Ik ben alsmaar bang dat er vannacht iemand in mijn kamer komt, dus nu durf ik niet te gaan slapen.”
“Hoe kom je aan die gedachte?”, vraag ik. “Dat weet ik nou juist niet.” Even lijkt ze geïrriteerd, maar ze draait meteen weer bij.
“Ik denk dat ik het wel weet,” begin ik mijn uitleg. “Er is ook wat gebeurd, maar dat is inmiddels een jaar geleden”, lieg ik er een paar maanden bij. “En dat heeft veel indruk gemaakt, dus dat is blijven hangen. Maar het huis heeft het goed opgevangen en is nu extra beveiligd met speciale sloten en overal camera’s.” Ik waak er dan tegenwoordig ook wel voor om op de gang in mijn neus te peuteren of uitgebreid te zwieren, want ik voel me overal bespied. “En heb je je eigen deur op slot?” “Ja, altijd.” “Nou, dan is het helemaal prima en kan er niets gebeuren. En als je toch iets hoort is het een nieuwe bewoonster die op de gang de wc zoekt. Dat deed je zelf in het begin ook.” We herhalen het hele gesprek nog drie keer en dan zegt ze dat ze gaat slapen.
Ik kruip weer achter de computer om foto's te ordenen. Een uur later ben ik wel benieuwd of ze nu slaapt. Maar ja, als ik bel is ze natuurlijk meteen weer wakker. Ik moet er maar op vertrouwen dat het goed is. Alleen dat nummer laat me maar niet los. Wat zou ze toch bedoelen? Heb ik dat ergens? En net als ik mijn adresboek wil grijpen, zie ik het voor me. 'Beneden' heeft helemaal geen nummer, voor 'beneden' druk je gewoon op een grote, rode knop.
Op dit uur van de dag moet het wel een dringende reden zijn, want ze gaat meestal al voor tien uur naar bed. Het is ook dringend, voor haar tenminste. “Ik kan niet slapen.” Ze klinkt gejaagd, niet echt verward dit keer, maar wel wat hulpeloos. “En ik kan het nummer van beneden niet vinden, dus bel ik jou maar.” Het nummer van beneden? Ik pieker over wat dat dan kan zijn, maar ze is alweer verder met haar verhaal. “Ik ben alsmaar bang dat er vannacht iemand in mijn kamer komt, dus nu durf ik niet te gaan slapen.”
“Hoe kom je aan die gedachte?”, vraag ik. “Dat weet ik nou juist niet.” Even lijkt ze geïrriteerd, maar ze draait meteen weer bij.
“Ik denk dat ik het wel weet,” begin ik mijn uitleg. “Er is ook wat gebeurd, maar dat is inmiddels een jaar geleden”, lieg ik er een paar maanden bij. “En dat heeft veel indruk gemaakt, dus dat is blijven hangen. Maar het huis heeft het goed opgevangen en is nu extra beveiligd met speciale sloten en overal camera’s.” Ik waak er dan tegenwoordig ook wel voor om op de gang in mijn neus te peuteren of uitgebreid te zwieren, want ik voel me overal bespied. “En heb je je eigen deur op slot?” “Ja, altijd.” “Nou, dan is het helemaal prima en kan er niets gebeuren. En als je toch iets hoort is het een nieuwe bewoonster die op de gang de wc zoekt. Dat deed je zelf in het begin ook.” We herhalen het hele gesprek nog drie keer en dan zegt ze dat ze gaat slapen.
Ik kruip weer achter de computer om foto's te ordenen. Een uur later ben ik wel benieuwd of ze nu slaapt. Maar ja, als ik bel is ze natuurlijk meteen weer wakker. Ik moet er maar op vertrouwen dat het goed is. Alleen dat nummer laat me maar niet los. Wat zou ze toch bedoelen? Heb ik dat ergens? En net als ik mijn adresboek wil grijpen, zie ik het voor me. 'Beneden' heeft helemaal geen nummer, voor 'beneden' druk je gewoon op een grote, rode knop.
Abonneren op:
Posts (Atom)