Posts tonen met het label gezondheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gezondheid. Alle posts tonen

zondag 26 juni 2011

Mijn moeder kijkt op van het papier

Mijn moeder kijkt op van het papier. “Dat heb ik geschreven.” “Dat klopt”, antwoord ik. “Wanneer dan?” “Vlak nadat opa overleden is, volgens mij. Kijk maar, daar onderaan staat een datum.” “21 maart 1991”, leest ze. “Ik sta hier nog steeds achter. Heb jij het ook gelezen?” “Ja, dat heb ik gedaan. Ik wilde weten wat het was. Ik vond het in een doosje.”

“Neem je het weer mee?”, vraagt mijn moeder. “Ja, laat ik dat maar doen. Ik heb er ook een paar kopieën van gemaakt, voor de zekerheid. En ik denk dat ik er maar een keer met de huisarts over praat.” “Dat is een goed idee. Maar het geldt nu nog niet hoor.” “Nee, dat vind ik ook.” “Ik geniet nog van zoveel dingen, ook van kleine dingen. Van deze bloemen bijvoorbeeld”, wijst ze naar de orchideeën op tafel. “En van de gezelligheid hier, koffie drinken met elkaar. En ik geniet boven alles van jou.” “Er wonen hier ook mensen die geen kinderen hebben”, zeg ik. “Dat lijkt me zó stil”, antwoordt mijn moeder.

“Maar hoe zie jij het dan eigenlijk? Tien jaar geleden kon je nog alles, nog zoveel meer dan nu. Hoe is dat voor je? Hoe zie jij dan de kwaliteit van jouw leven?”, vraag ik. “Tja, ik kan minder dan ik kon”, begint mijn moeder. “Ik praat er niet vaak over, maar het is wel zo. Dat is niet leuk, minder kunnen, maar ik heb het hier goed. Er wordt goed voor me gezorgd, ik heb hier leuke contacten en ik geniet nog steeds van veel dingen. Moet je eens zien wat een prachtige bomen buiten. Daar kijk ik altijd graag naar. Ik heb het erg getroffen.”

“Sommige dagen zie ik de bomen”, gaat ze verder, “en andere dagen heb ik alleen maar oog voor de regen. Ik ben natuurlijk niet altijd vrolijk, maar dat is niet anders dan bij andere mensen. Daarom is mijn leven nog niet zinloos of heeft het geen kwaliteit meer.”

“Ik heb een artikel gelezen waarin staat dat euthanasie bij mensen met dementie weinig voorkomt, ook al zeggen veel gezonde mensen: als ik dat krijg, wil ik liever een spuitje”, vertel ik. “Misschien omdat de dokter vindt dat je niet meer weet wat je zegt, als je dementie hebt”, denkt mijn moeder. “Dat kan, maar het kan ook zijn dat mensen met dementie het leven helemaal niet zo zinloos en naar vinden als het er van de buitenkant uit ziet”, vind ik. “Dat is ook waar. Maar dat kun je niet zien. Je kunt nooit in een ander kijken, je kunt nooit precies weten hoe een ander iets ervaart.”

Peinzend over al deze wijsheid knabbelen we van een koekje. “Zeg, hoe is het met je zoon? Hij zit al op een andere school, he?” “Ja, in het tweede jaar nu. Hij heeft bijna vakantie.” Alles is weer even zó gewoon, dat ik helemaal vergeet me te verbazen dat mijn moeder weet dat haar kleinzoon inmiddels studeert.

vrijdag 10 juni 2011

Vroeger is dood

Er zijn telefoontjes die je vreest. Sommige zul je nooit krijgen, hoop je met heel je hart. Maar andere krijg je op een dag. Dat weet je. Alleen blijft het tijdstip ongewis, tot je ze krijgt. Zoals vandaag.

‘Het Huis’ staat er in het schermpje. En nee, de verzorgende klinkt niet zo opgewekt als anders. Gelukkig ook nog geen grafstem. Die hoop ik ook werkelijk nooit te treffen. Op dat moment hoop ik daar te zijn, zittend naast haar, met haar broze handen in de mijne. Met een washandje verkoel ik haar gezicht.

Zover is het nu niet. Nog niet. Maar het nadert, dat moment. Bijna een jaar geleden signaleerde ik het al, toen de verzorging het nog niet zo in de gaten had. Haar woordenschat begon langzaam te slinken. Woorden die de medewerkersters niet kenden verdwenen uit haar hoofd. In de conversatie vielen zoekpauzes. Inmiddels zijn het niet meer alleen die woorden, maar is ook haar kennis onbereikbaar aan het worden. Het lopen gaat moeilijk, vooral omdat de weg naar het “hoe moet je lopen”-centrum in haar hersenen nog maar een dun draadje lijkt te zijn. Geluiden van anderen storen haar en in haar eentje in haar kamer wordt ze onrustig. Waar moet ze ook alweer heen? Ze wordt toch ergens op tijd verwacht? Op tijd zijn is er ooit al jong ingeslepen. Dat is een tweede natuur geworden. En dus gaat ze de gang op, op zoek naar iemand die haar kan vertellen hoe laat en waar ze verwacht wordt. Het antwoord blijft alleen niet langer dan 15 seconden hangen. En dus gaat ze weer op zoek naar iemand die haar kan vertellen hoe laat en waar ze verwacht wordt. Het antwoord blijft alleen niet langer dan 15 seconden hangen. En dus gaat ze.........

Alles bij elkaar is het voldoende reden om de zorg uit te breiden. Niet alleen gaat ze nu naar de dagopvang, maar ook zit ze in de ontbijtgroep en is er sinds deze week een avondgroep bij. En een paar dagen geleden heeft ze haar oude dag-groep verlaten om naar de laatste groep te gaan. De kleine groep, met rust, eenvoudige spellen en een vrolijke, warme inrichting. Haar eigen leidster was er niet gelukkig mee. Vaak ging het nog best, vond ze. Maar ze moest toegeven dat haar collega’s gelijk hadden: steeds meer dagen ging het eigenlijk niet. Ze moest alle zeilen bijzetten om het bij te kunnen houden. De gesprekken gingen snel, de vragen werden te moeilijk. Nu, na twee dagen proberen op de nieuwe groep, moet ze het toegeven: de oude, zorgende aard komt weer naar boven. Mijn moeder zit weer lekker in haar vel.

Het is slikken, heel diep slikken. Ze heeft helemaal gelijk en ik beaam het allemaal, maar diep van binnen wil ik dit helemaal niet. Ik wil niet dat mijn moeder naar een andere groep gaat, want ik wil niet dat ze achteruit gaat. Ik wil niet dat ze wegglijdt uit mijn leven. Ze is het laatste wat ik van vroeger heb. En terwijl ik dit zeg, weet ik dat het onzin is. Mijn vroeger is allang onbereikbaar in haar geheugen. Vroeger is dood. En ook ik sterf een beetje, van binnen.

maandag 25 april 2011

Naar het terras

Nu het mooier weer is, probeer ik het erin te houden: een wandeling in plaats van koffie op de bank. En ook deze keer in het gelukt. Op internet heb ik de kortste wandelroute naar het terras uitgezocht. Het is hetzelfde cafeetje als waar we vroeger vaak zaten na het winkelen. Voor mij is het een kippeneindje, maar mijn moeder is dringend aan een stoel toe als we aankomen. Onderweg zijn we nog even gestopt om de rug te rechten. Volgens de specialist vergeet mijn moeder hoe ze moet lopen, waardoor haar lichaam niet meer de goede houding aanneemt. Dat kan het zijn, maar het kan ook vermoeidheid zijn, houd ik mezelf nog maar even voor. In ieder geval zet ik haar even stil als ik vind dat ze te ver voorover helt. Want dan wordt het lopen alleen maar zwaarder.

“Dat klopt”, beaamt mijn moeder. “Ik heb er zere handen van.” Ze hangt op de rollator. “Je moet hem ook niet voortduwen, mam. Hij is bedoeld voor houvast, niet als zware duwkar.” Uit eigen ervaring weet ik echter dat het helemaal niet gemakkelijk is om met een rollator te lopen. Weliswaar helpt het bij je evenwicht en geeft het enige steun en veiligheid, maar het kost veel kracht, vooral op de hobbelige, net niet rechte stoepen en straatjes die ons land rijk is. Bovendien staan de handvaten verkeerd, realiseer ik me. Je zet je polsen voortdurend in een vreemde knik om de handvaten vast te kunnen houden. De stang van een boodschappenkarretje duwt vele malen fijner dan de handvaten van een rollator. Geen nood, die handvaten kan ik verzetten.

Inmiddels zijn we bij het terras. Het is er warm, maar er staat gelukkig een klein beetje wind. In de halfschaduw drinken we wat sap en knabbelen we een appelflap weg. “Kijk, daar zijn ze aan het vissen”, merkt mijn moeder op. Net boven het muurtje langs het terras schiet de punt van een hengel omhoog. Steeds wanneer de vissende kinderen de hengel opnieuw uitgooien, ziet mijn moeder het voor de eerste keer. Ze geniet volop. “Hier heb ik nog nooit gezeten”, vertelt ze. “Maar binnen wel. Daar kwam ik weleens.” “Dat klopt, daar hebben we samen weleens koffie gedronken en ook wel gegeten.” Dat ze vorig jaar zomer uitgebreid ijs heeft gegeten op het terras is helaas alweer verdwenen.

Op mijn gemak kuieren we terug naar haar flat. Onderweg wijken we lachend uit voor een paar kinderen met waterpistolen en kletsnatte kleren. Het is pas lente, maar het voelt als zomer. We zakken nog even op een bankje en lopen daarna de laatste meters naar de deur. Onlangs verzuchtte mijn moeder tegen Heleen: “Jullie moeten maar geen leuke dingen meer met me doen, want ik vergeet het toch allemaal weer.” Zij misschien wel, maar wij niet. Iedere glimlach plakt zich vast in ons geheugen, want genieten kan ze nog steeds, met volle teugen. Eens even kijken op googlemaps, waar we de volgende keer heen kunnen wandelen.

dinsdag 15 maart 2011

Alle dagen vla

Het duo aan de andere tafel is druk in gesprek. Hij klaagt, zij luistert. Uiteindelijk wordt me duidelijk waarom ze hier zijn: hun moeder zit in een van de kamers, in gesprek met de arts of verpleegkundige en zij, de volwassen kinderen, moeten wachten. Het is hun eerste bezoek aan de polikliniek geriatrie. Vooral de dochter hoopt op een heldere diagnose. Dan wordt het makkelijker om te begrijpen waarom moeder zo veranderd is, verwacht ze. Even later neemt tegenover me een ander tweetal plaats. Vader en dochter, schat ik zo in. Wat betekent dat zijn vrouw, haar moeder, nog ergens in gesprek is. Niemand kijkt op van mijn aanwezigheid als eenling. Behalve de arts, die even later de wachtkamer binnenstapt. Ze zoekt mijn moeder, maar die heb ik laten slapen.

Dat vertelt mijn moeder ook, wanneer ik even later bij haar langs ga. “Ik heb net heerlijk geslapen.” Logisch, dat doet ze al sinds jaar en dag even na het middageten. Om jaloers op te worden: ze ligt en slaapt. En na een half uur is ze helemaal verfrist. Wanneer ik binnenzeil, zit er een vrouw tegenover mijn moeder. Met lange lappen papier. Zij noemt een lijstje dingen, mijn moeder kiest er iets uit, de vrouw kruist het aan. Zo vullen ze samen het menu van de volgende week in. Vrijwel elke dag kiest mijn moeder aardappelpuree. “Hoho”, probeer ik even. “Kauwen is goed voor je hersens, weet ik.” “Je bedoelt dat ik aardappelen moet nemen in plaats van puree? Nou, daar zal ik dan eens over nadenken, maar doe nu maar puree.” “Ja zeg”, werp ik nog even tegen, “als je nu dus aardappelen neemt, kun je er beter over nadenken.” Het helpt weinig. Wel ontstaat er een nieuw voornemen: bij elk bezoek een appel meenemen, of ander knaagfruit, zodat we samen onze tanden ergens in kunnen zetten. Want het is waar, mijn moeder kiest overwegend eten dat op de tong smelt en salades komen niet voorbij in het menu. Wel is er de mogelijkheid om fruit toe te eten, maar mijn moeder heeft één grote favoriet: vanillevla. Hoewel, na een tijdje kiest ze één keer chocoladevla. “Dat vind ik minder lekker, maar het is goed voor de afwisseling.”

Wanneer de vrouw met de lijsten weg is, schenk ik een sapje in. Ieder een glas. Het is onverwacht warm en het koele sap is daarom meer dan welkom. Ik vertel over mijn bezoek aan de arts een uur geleden. Alle aspecten komen voorbij, zoals de medicijnen die afgebouwd gaan worden. Maar ook vertel ik hoe dementie het loopvermogen aantast en dat dat volgens de arts bij mijn moeder het geval kan zijn. “Lopen en evenwicht bewaren zijn ingewikkelde processen in je hersenen. Dementie tast je hersenen aan. Dat zie je eerst aan je geheugen, maar uiteindelijk ook aan dit soort ingewikkelde zaken. Daarom loop je moeilijker.” Mijn moeder knikt begrijpend, maar ik laat toch nog maar even zien wat er veranderd is. De eerste passen gaan nog wel, maar na een tijdje verdwijnt de fiere, rechte houding en helt mijn moeder voorover. Onlangs verzuchtte ze ook: “ik loop niet, ik val naar voren.” Toen ik haar rechtop zette, liep ze weer gewoon. Een klein stukje.

Hopelijk helpt de rollator bij de goede loophouding. In elk geval geeft het steun en minder kans om te vallen. Vervolgens moeten er rondjes gelopen worden. Iets wat nog maar kortgeleden uit het dagelijks patroon verdwenen lijkt. Geen nood. Dat kan met hulp ook weer teruggebracht worden. “Want bewegen is juist goed”, zei de arts. En die boodschap breng ik graag over.

“Triest is het”, zeg ik tegen mijn moeder. “Eigenlijk heb je alles gedaan waarvan men zegt dat het goed is, voldoende bewegen...”. “O ja, ik fietste elke dag. Dat gaat helaas niet meer.” “Klopt. En wandelen, deed je ook.” “Dat doe ik nog.” “Je at altijd gezond en toch heb je dementie gekregen.”
“Familiegenen, he”, vindt ze. “Het kon haast niet anders. Opa, mijn tante en nu ik. Ik merk wel dat ik dingen niet meer zo goed kan, maar ik wind me er maar niet over op. Wil jij nog wat sap?”

zondag 13 maart 2011

Twee benen zag Heleen

Twee benen, dat was alles wat ze zag toen ze binnenkwam, vertelt Heleen. Haar hart stond stil, maar toen ze om de hoek kwam, keken mijn moeders ogen haar verbijsterd aan. Hulp kwam snel en na een kort onderzoek van heupen, ledematen, rug en hoofd, werd mijn moeder voorzichtig overeind geholpen. Intussen was ik nietsvermoedend op weg naar Denemarken. Toen ik een paar dagen later bij thuiskomst hoorde over de val, belde ik meteen mijn moeder. Gevallen? Daar wist ze niets van. Maar moe, dat was ze wel. Ik trof haar nog net voordat ze om half negen haar bed in kroop, vertelde ze.

Werk moet maar even wachten. De volgende dag staat grotendeels in het teken van mijn moeder. Overleg met Heleen, overleg met de verzorging en een lang bezoek aan mijn moeder zelf, die vooral geniet, maar zichtbaar minder kan dan een paar maanden geleden. Ik zet koffie en pak koekjes. Zij zit in mijn stoel, zodat ze armleuningen heeft. Ik zit op haar plaats op de bank. Gek genoeg verlopen de gesprekken daardoor ook anders.

“Wil je nog een koekje?”, vraagt mijn moeder bij het tweede kopje koffie. “Nee, dank je. Of is het een hint? Wil je zelf nog?” “Willen wel, maar ik doe het niet”, antwoordt ze. “Ik word hier zo goed verzorgd, ik doe geen klap. Straks groei ik nog dicht.” Verbaasd kijk ik haar aan. Ze heeft namelijk volkomen gelijk. Al sinds haar aankomst in het huis hebben we haar garderobe een paar keer moeten aanpassen. Ieder seizoen heeft ze nieuwe broeken nodig. Bij ons bezoek aan het ziekenhuis werd ze gewogen. “66 kilo”, noteerde de arts. “Iet, hoor je dat?? Zes-en-zestig kilo”, riep ze verschrikt vanaf de weegschaal. Die schrik werkt zeker nog door.

De schrik van het vallen is ze echter helemaal kwijt. Reconstruerend kwamen we tot de conclusie dat ze er nog maar net gelegen moet hebben, zich amper beseffend wat er gebeurd was. Het voordeel is dat het daardoor niet beklijft. Grote schrik en angstige situaties blijven ook in een dementerend brein lange tijd aanwezig. Het nadeel is dat ze daardoor moeilijk te bewegen is om nu eindelijk de rollator of de wandelstok mee te nemen als ze op pad gaat.

Intussen praten we rustig door. We hebben alle tijd deze middag. “Het is wel vreemd”, zegt mijn moeder. “Wat is vreemd?” “Alles, eigenlijk. Maar dat is ook niet zo gek”, vindt ze zelf. Aanvullen hoeft niet. Ze woont er immers nog maar net, ze moet nog wennen. De drie jaar dat ze nu in deze flat woont, voelen voor haar als drie weken. En wie voelt zich na drie weken nu helemaal thuis en vertrouwd in een totaal nieuwe omgeving? Zij in elk geval niet.
“Vind jij dat wij een goed contact hebben?”, vraagt ze ineens heel rechtstreeks. “Ja, absoluut”, flap ik eruit. “Dat is fijn. Dat vind ik namelijk ook, maar dat wil nog niet zeggen dat jij het ook zo ervaart”, antwoordt ze. Natuurlijk is het veranderd, dat snapt mijn moeder ook. Waar ik vroeger op haar leunde met vragen en zorgen, doet zij dat nu bij mij, al wil ze zeker geen last zijn. “Is het voor jou een moeten om naar mij toe te gaan?”, wil ze weten. Wat een indringende vragen deze middag. Eerlijk antwoord ik dat het soms moeilijk is, omdat ik er tijd en ruimte voor moet maken. Maar nee, als moeten wil ik het niet ervaren. En ik leg haar uit hoe ik ‘moeten’ heb omgedraaid tot ‘willen’. “Ik moest een keer naar je toe om boodschappen voor je te doen. En dat was maar één ding op mijn lijst van ‘moeten’ die dag. Een drukke dag dus. Maar toen besefte ik, naar aanleiding van een stuk dat ik gelezen had, dat ik dat moest omdat ik wil dat het goed met jou gaat. Ik wil dat jij goed verzorgd bent, en dus moeten er boodschappen komen”, vertel ik. “Dat scheelt”, weet mijn moeder. “Als je het doet omdat je het wilt, wordt de last veel lichter.” “Precies. Dus nee, ik moet niet komen, ik wil naar je toe komen, omdat ik weet dat het fijn voor je is. En ik wil graag dat het goed met je gaat.”

Ineens slaat het om. Ze kijkt op haar horloge en de onrust begint. Ik weet het inmiddels. Elke middag om half vier, zelfs zonder horloge zou ze de tijd voelen, gaat de knop om. Dan maakt ze zich op om naar de groep te gaan. Eerder heette die groep nog ‘cursus’, tegenwoordig noemt ze het ‘eten’. We stappen op, pakken jassen, tassen en sleutels. “En de rollator, mam. Omdat je de laatste tijd wankel op je benen staat, hebben we afgesproken dat je de rollator meeneemt als je de deur uitgaat.” Zonder morren pakt ze het karretje en rolt het de deur uit. Ik parkeer mijn tas in het mandje en samen lopen we de lange gang uit naar de lift.

zaterdag 12 maart 2011

Gaan we nog naar oma?

“Gaan we nog naar oma?”, vraagt mijn moeder mij bezorgd. Ik heb geen idee over welke oma ze het heeft, maar dat maakt ook niet uit. Welke het ook is, de hare of de mijne, ze is in ieder geval dood. Dus antwoord ik: “We moeten nog naar de fysiotherapeut en nog bloedprikken. Dan is onze dag wel vol.” Ja, dat snapt ze. Dan zit een bezoek aan oma er niet meer in.

De dag is ook vol. Om 11 uur worden we verwacht bij de polikliniek Geriatrie. We zijn er ruim op tijd en dat is maar goed ook, want ik loop van de voordeur naar de afdeling. De vriendelijke dame achter de balie wijst ons de rolstoelen, maar die gedachte wuif ik meteen weg. Lopen is gezond. Maar net voorbij de afdeling Orthopedie stort mijn moeder zo ongeveer in. Gelukkig staat er een bankje. Na tien tellen veert ze weer op. “Waar moeten we naar toe?” En daar gaan we weer, een paar gangen verder.

Eenmaal op de afdeling begint de dag met koffie van een vriendelijke dame. Na een tijdje worden we opgehaald door een verpleegkundige. Met haar hebben we het eerste gesprek van vandaag. Ze vraagt van alles en nog wat. Ook naar de duizeligheid, een van de redenen van onze aanwezigheid. “Duizeligheid, ja, dat heb ik weleens”, antwoordt mijn moeder naar waarheid. “Soms zomaar als ik zit. Maar nee, niet wanneer ik uit een stoel opsta.” “En heeft u moeite met uit bed komen?”, wil de verpleegkundige weten. “Ja, dat wel”, zegt mijn moeder. “Maar dat is omdat ik liever blijf liggen”, lacht ze.

Daarna wil de verpleegkundige alleen met mij spreken. Ze begeleidt mijn moeder naar de wachtruimte. Wanneer mijn moeder opstaat, rolt ze alweer bijna om. Een déjà-vu. “Moet u weleens hoesten?”, vroeg de co-assistent aan mijn opa, die op de behandeltafel lag. Ik keek van een afstandje toe. “Nee, nooit”, antwoordde mijn opa omhoog kijkend. De jongen hielp mijn opa overeind. Zittend moest de oude man diep zuchten, terwijl de stethoscoop over zijn lichaam kroop. “Uche uche uche”, rochelde mijn opa. Ik beet op mijn lip en wendde mijn hoofd af. De scene was al gênant genoeg. Maar nu is het mijn opa niet meer, maar mijn moeder. “Jij gaat nu naar de wachtkamer”, licht ik haar vertrek toe. “Ik kom zo.”

Wanneer ik in de wachtkamer kom, meer een huiskamer, is er nog een stoel voor me vrijgehouden aan tafel. Er zitten meer mensen omheen. We blijken met zijn allen te gaan lunchen. Er komt soep en brood met allerlei beleg in priegelverpakkingen. Goed voor de onderlinge contacten, want wie weet hoe je het kaaspakje moet openen, mag dat voor iedereen doen. Mijn moeder wil niet eten, ze heeft geen trek. Wanneer ik een boterham op mijn bord heb, stel ik haar voor ook een boterham te nemen. “Ik heb niet zo’n trek”, herhaalt ze weer. “Dan neem je een halve, eet ik straks de andere helft wel”, stel ik voor. Dat is een goed idee. De halve boterham is zo verdwenen. En zonder aansporing smeert ze ook de andere helft. Net als vroeger bij mijn peuterzoon maak ik bij mijn moeder ook geen scene. Gewoon rustig blijven en het even later weer proberen.

Zo gaat het ook met de rusttijd na het eten. Iedereen zit nog rond de tafel, dus nee hoor, zij hoeft helemaal niet even te liggen. Dan prijzen de vrijwilligster en ik de fantastische luie stoelen aan die in de huiskamer staan. Ze laat zich verleiden er een te proberen en zo kan ze heerlijk even liggen, benen omhoog, hoofd op een kussen. Haar ogen gaan niet dicht, maar even liggen, met mij naast haar, geeft ook rust. En dat is nodig, want er volgen nog twee drukke bezoeken. Een aan de arts en een aan de fysiotherapeut.

Daarna mogen we nog niet naar huis, want we gaan nog langs het laboratorium. Zo’n situatie die ik graag mijd, want het is er druk. Dat betekent lang wachten, terwijl mijn moeder geen idee heeft waar ze is. Ik leg uit waar we zijn en hoe het werkt. Ik vertel dat ik een nummertje getrokken heb en houd het zo vast dat ze het continu kan zien. Ze kijkt naar het nummerbord en zoekt of wij al aan de beurt zijn. “Waarom zijn we hier eigenlijk?”, wil ze nog eens weten. Een man schuin tegenover mij glimlacht me bemoedigend toe. Gelukkig is het prikken nooit een probleem. Mijn moeder is een geoefende verpleegkundige en kan zelf prikken als de beste. Ze weet precies wat je als patiënt moet doen om er geen last van te hebben. In minder dan geen tijd staan we buiten.

“En nu hebben we een heerlijk kop koffie verdiend, vind ik.” Dat beaamt ze meteen, al is ze de hele dag al vergeten. “Hier ben ik weleens geweest”, concludeert ze even later, als we achter een joekelgrote mok aan een tafeltje zitten. “Dat klopt, maar dat is al lang geleden”, zeg ik. We bespreken het interieur. “Mooi hier, maar ik ben hier nog nooit geweest”, meent mijn moeder. “Nou, je bent hier weleens geweest, maar al lang geleden. In die tijd werd dit allemaal verbouwd, dus dit herken je niet terug”, antwoord ik. “Ze hebben het mooi gemaakt he?” “Nou, en zo ruim.”

De koffie is op. Het is tijd om te gaan. Wanneer ik haar naar haar flat breng, zakt mijn moeder doodop op de bank. Even later komt de leidster van haar groep binnen. Ze spreekt toverwoorden: “ik breng straks uw eten. Ga eerst maar even slapen.” Nu kan ze rusten. Ook al heeft ze zelden trek, het eten wil ze niet missen. We geven elkaar een warme knuffel en ik vertrek. Nog voor ik beneden ben, is ze in slaap.

vrijdag 25 februari 2011

Het Huis belt

Ik ben aan het werk als mijn telefoon gaat. Toch maar even kijken. Het Huis staat er in mijn scherm. Zij van Het Huis zijn ongetwijfeld geïnstrueerd. Ik neem namelijk enigszins verontrust op. Als mijn moeder zelf belt, zie ik Mam, geen Het Huis. De stem aan de andere kant klinkt meteen uitermate opgewekt. “Stoor ik?” “Nee hoor, het kan wel even.” De mensen die ik gadesla gaan rustig door met het vakkundig slopen van een leren bank. Alle onderdelen moeten ze van elkaar scheiden. Intussen loop ik een eindje weg vanwege het geluid.

“Ik krijg net een telefoontje van het ziekenhuis, dat uw moeder dinsdag al terecht kan.” “Dat is snel!” “Ja, inder daad, we moeten even kijken hoe we dat regelen.” “Geen probleem, ik ga mee.” Pas later realiseer ik me dat die dag geen lege is in mijn agenda, maar dat maakt niet uit. De film die ik zou gaan bekijken omdat die daarna niet meer draait, komt vast ooit op dvd uit. We spreken nog even af waar het invulformulier voor het ziekenhuis komt te liggen, zodat ik dat kan vinden wanneer ik mijn moeder bezoek.

Gelukkig is deze afspraak ontstaan na overleg met de huisarts, dus ik weet er al van. Beiden maken we ons al een tijdje zorgen over mijn moeder en hij wilde eens even overleggen. Hij belde me op en we spraken af dat ik mijn moeder mee zou nemen naar de geriater. Dat woord doet me altijd erg aan psychiater denken en roept daarmee een verkeerd beeld op, weet ik nu. Want dat mijn moeder dementie heeft, hoef ik niet meer te horen. Er zijn wat lichamelijke klachten die eens bekeken moeten worden. Overigens vinden alleen de huisarts en ik dat. Mijn moeder, die ik op de hoogte stelde van dit gesprek, vond het allemaal niet nodig. “Ja, dat klopt, daar had ik last van, maar het is helemaal weg. Ik heb me vandaag geen moment duizelig gevoeld.” “Dat is fijn, joh! Ach weet je wat, we laten er voor de zekerheid even naar kijken en als de arts ook zegt dat het helemaal goed is, is dat toch fijn om te horen. Dan weten we zeker dat je helemaal in orde bent!”

Maar waarom nu die geriater? Die doet het allemaal net even anders dan een andere arts. Ze zorgt ervoor dat zoveel mogelijk onderzoeken op dezelfde dag kunnen plaatsvinden en informeert bovendien van tevoren zo uitgebreid mogelijk over de dingen die die dag staan te gebeuren, zodat ik niet voor een verrassing kom te staan en mijn moeder alvast voor kan bereiden. Dat is althans het plan. Dinsdag maar eens zien of het werkt.

maandag 21 februari 2011

Hersengymnastiek

Als ze de deur opendoet, staat ze al helemaal klaar: tas, sleutels, haar in een nette knot. “Oef, net op tijd”, schiet door me heen. Want of ik haar in de drukte van vandaag had kunnen vinden, betwijfel ik. Haarzelf is de drukte in het huis volkomen ontgaan. Ze heeft lekker liggen slapen.

Desondanks lijkt ze buiten niet fit. We moeten een eindje lopen naar de auto en dat valt haar zwaar. Twee straten verder verklaart ze nu al doodmoe te zijn. Geen wonder, van haar gezonde levensstijl is niet veel meer over. Elke dag verse groenten, beetgaar of als salade, een dagelijkse fietstocht van tenminste 10 kilometer, naast werken in de tuin e een incidentele wandeling met een vand e kleinkinderen. Elke dag versgeprest sinaasappelsap en ’s avonds voor de tv nog een een appel. De enige zonde was een koekje bij de koffie. Eén ’s morgens en één ‘s middags.

Tegenwoordig verdwijnen er diverse pakken koekjes per week, heeft ze af en toe een opleving warbij ze sinaasappels perst of een appel eet, komen de maaltijden uit de instellingskeuken, met zachte worteltjes en vis die op je tong smelt. De foetstocht is vervangen door een rondje wandelen over het parkeerplein voor het huis. Het huishouden behelst niet meer dan het omspoelen van een paar kopjes.

Na een avond levendige uitleg door prof.dr. Erik Scherder snap ik waarom mijn moeder zo moe bij de auto aankomt. Mijn moeders hoofd kan ons wandelingetje naar de auto én het uiteindelijke doel ervan – koffiedrinken bij Heleen – niet verwerken. Niet dat Scherder daar harde uitspraken over deed. Dat zal een wetenschapper wel uit zijn hoofd laten. Zolang er geen hard bewijs is, komt er nog geen statement.

Wel is duidelijk dat de gezonde levensstijl van mijn moeder, veel beweging, gezonde voeding én het dagelijks spellen van drie kranten en diverse journaals, haar niet behoed heeft voor dementie. En die kans was toch wel aanwezig. Wel hoorde ik al jaren geleden van een CIZ-medewerkster dat het goed voor mijn moeder was om onder de mensen te komen. “Dat houdt de hersenen actief”, was haar verklaring. En dat klopt, vertelt ook Scherder. In elk geval bij gezonde ouderen. Praten, jezelf (laten) uitdagen met liefst moeilijke vragen, houden je hersenen in model. En weer is dat bij dementie nog niet bewezen, maar kwaad lijkt het me niet te kunnen.

Behalve al die rechtstreekse hersengymnastiek blijkt lichamelijke inspanning daar ook goed voor te zijn. In de beleving van mijn moeder hebben we die in elk geval al geleverd: we zijn naar de auto gelopen!