Over de bergen naar Italië trekken we en daarna terug naar Nederland, naar Deventer, waar de verhalenverteller woont. We komen langs het mooiste schilderij van de wereld. Ik zie het hangen aan de muur, ik zie de mensen die ernaar kijken. Maar we zien nog veel meer, de clown, de gezichten van zijn publiek. Af en toe zie ik de gezichten van de mensen om me heen. Ingespannen luisterend, dromerig, afwezig. Maar wat al hun ogen zien, weet ik niet. Na het slotverhaal, over het mooie, doorleefde hart, vertelt de stille vrouw honderduit over haar vader die een hartkwaal had. Of heeft, in haar beleving.
“Deventer?”, vraagt een ander. “Daar heb ik ook nog gewoond. Dat park ken ik wel. Nee, ik ben niet in Deventer geboren, maar ik heb er gewerkt en daarom ook gewoond.” Zelf denk ik aan de beelden uit de verhalen en aan de diepere betekenis. Ik weet nu al dat ze de komende tijd steeds even bij me terug zullen komen. En bij het zien van het park zal ik ongetwijfeld terugdenken aan het hart van de oude vrouw en aan de rijkdom die iedere ervaring, ook deze weer, mij geeft.
We nemen afscheid vandaag, mijn moeder en ik. Vier jaar heeft ze in Het Huis gewoond. Jaren waarin ze steeds minder kon, maar waarin haar leven niet minder rijk werd. Ze leerde zoveel mensen kennen. Op een heel andere manier dan vroeger, maar met haar warmte wist ze al die mensen voor zich te winnen en aan zich te binden. Ineens kwam er een einde aan. Dat was nodig, dat zag ik ook. Maar ik wilde niet weggaan zonder mooi afscheid.
Daarom is de verhalenverteller met ons meegekomen. Nog één keer zitten we samen in de groep waar ze de laatste maanden haar dagen doorbracht. “Hoe is het om hier nu te zijn? Het is alweer even geleden”, vraag ik. “Ben je gek, even geleden? Ik zat hier gisteren nog”, reageert ze niet-begrijpend. De vier weken ertussen zijn volkomen verdwenen. In alle rust legt ze haar handen naast haar koffiemok op tafel. Ze is thuis en geniet.
Diverse medewerkers komen mijn moeder begroeten. “Hoe is het met u? Wat fijn u te zien!” Mijn moeder geniet van alle aandacht. De bewoners reageren niet op de verschijning van mijn moeder. Natuurlijk niet! Ook voor hen was mijn moeder er gisteren nog, er is niets veranderd, behalve dat er nu een ander op haar stoel zit. En dus wordt er gewoon koffie gedronken, verhuizen de suiker en melk van de ene kant van de tafel naar de andere en weer terug, en wordt er links en rechts gebabbeld.
Maar als de verhalenverteller begint, keren alle vrouwen in de groep, zelfs de in zichzelf gekeerde vrouw in de rolstoel, hun hoofd zijn kant op. Wanneer hij vertelt is het muisstil, want ieder beleeft haar eigen verhaal. Even moet ik denken aan de Fabeltjeskrant. Als kind lachte ik om het Hatsikidee van Lowieke de Vos en wilde ik pas slapen na de knipoog van Meneer de Uil. Later, als moeder, lachte ik om de dubbele bodem die de verhalen hadden en keek ik samen met mijn kind verwachtingsvol uit naar de aloude knipoog. Om mij heen zie ik nu hetzelfde. Ieder geniet op haar niveau en in haar beleving van de verhalen, van de boodschappen. De jongeren horen iets anders dan de ouderen, de medewerksters iets anders dan de bewoners. En het is goed, het is mooi. Voor even is het perfect.
Posts tonen met het label feest. Alle posts tonen
Posts tonen met het label feest. Alle posts tonen
donderdag 26 april 2012
zondag 25 december 2011
Kerst 2011
“Is opa al weg?” Een beetje verwijtend kijkt mijn moeder me aan. Opa? Waar haalt ze die ineens vandaan? “Ja, die is al weg.” “Ik heb het helemaal niet gemerkt”, moppert ze. “Hij heeft gegroet hoor”, pleit ik mijn grootvader vrij. Die groet vond ruim twintig jaar geleden plaats, maar wat is twintig jaar in een mensenhoofd? Peanuts, in elk geval bij mijn moeder.
“Wil je zo even gaan slapen? Het is allemaal wel vermoeiend he?”, probeer ik alvast. “Nee, laat ik dat maar niet doen, dat is niet nodig.” Maar als ik haar aan de arm meevoer naar het toilet, kan ze met moeite op haar benen blijven staan. Eenmaal terug aan tafel is het op. Een groepsleidster biedt aan mijn moeder naar haar kamer te brengen, maar nee, dat zal ik vandaag zelf wel doen. Zo kan zij in de tussentijd beneden helpen, waar alle handen welkom zijn. Even later schuift mijn moeder uitgeput tussen de lakens. Ik geef haar nog een paar dikke knuffels en stop haar lekker toe.
En dat terwijl mijn moeder zojuist voor het eerst in haar leven een spelletje op de smartphone speelde. Weliswaar had ze geen idee dat ze vier vakjes op een rij moest kleuren, maar gedwee liet ze zich door David instrueren. Ze begreep zelfs de bedoeling toen ik zei dat het schermpje reageerde op de warmte van haar vinger. Ah, geen nagel dus, maar je vingertop gebruiken.
Het was slechts een korte opleving en wat ik al vreesde, gebeurt: ver voor het dessert lopen we naar boven. Mijn moeder in een rolstoel en ik erachter. Terwijl David en zijn vriendin de auto halen, leg ik mijn moeder in bed. “Hoe gaat het nu als ik wakker word?” “Dan komt de zuster, je herkent haar wel. Zij komt straks ook nog even kijken.” Bij de deur kan ik nog met moeite “welterusten” zeggen. Mijn keel zit dicht.
“Wil je zo even gaan slapen? Het is allemaal wel vermoeiend he?”, probeer ik alvast. “Nee, laat ik dat maar niet doen, dat is niet nodig.” Maar als ik haar aan de arm meevoer naar het toilet, kan ze met moeite op haar benen blijven staan. Eenmaal terug aan tafel is het op. Een groepsleidster biedt aan mijn moeder naar haar kamer te brengen, maar nee, dat zal ik vandaag zelf wel doen. Zo kan zij in de tussentijd beneden helpen, waar alle handen welkom zijn. Even later schuift mijn moeder uitgeput tussen de lakens. Ik geef haar nog een paar dikke knuffels en stop haar lekker toe.
En dat terwijl mijn moeder zojuist voor het eerst in haar leven een spelletje op de smartphone speelde. Weliswaar had ze geen idee dat ze vier vakjes op een rij moest kleuren, maar gedwee liet ze zich door David instrueren. Ze begreep zelfs de bedoeling toen ik zei dat het schermpje reageerde op de warmte van haar vinger. Ah, geen nagel dus, maar je vingertop gebruiken.
Het was slechts een korte opleving en wat ik al vreesde, gebeurt: ver voor het dessert lopen we naar boven. Mijn moeder in een rolstoel en ik erachter. Terwijl David en zijn vriendin de auto halen, leg ik mijn moeder in bed. “Hoe gaat het nu als ik wakker word?” “Dan komt de zuster, je herkent haar wel. Zij komt straks ook nog even kijken.” Bij de deur kan ik nog met moeite “welterusten” zeggen. Mijn keel zit dicht.
donderdag 6 oktober 2011
Naar het Openluchtmuseum
Vandaag is het drukker dan druk. Al bij aankomst zien we het. De parkeerplaats is bomvol en dus moeten we uitladen voor de deur en rijd ik alleen verder voor een parkeerplek langs een achterafweggetje. Als ik bij de ingang aankom heeft zoon de kaartjes al gekocht en zit mijn moeder startklaar in de geleende rolstoel. Het weer is ons waanzinnig goed gezind. Na een week met regen is het vandaag droog en warm. De meegebrachte jassen zitten dan ook in tassen gepropt. Behalve die van mijn moeder natuurlijk, die ligt netjes opgevouwen op haar schoot.
Net wanneer we het museum binnenlopen, komt de Rotterdamse tram er aan. Met rolstoelrijtuig, dus schuiven we mijn moeder gezellig naast een andere dame. “Als je bij de volgende halte uitstapt, ben je op het hoogste punt”, vertelt de dochter van de dame. “Dan hoef je alleen nog maar naar beneden.” Heel praktisch natuurlijk, maar wij zitten niet vanwege het praktische in de tram, maar omdat het de Rotterdamse is. Weliswaar niet zo oud als het rijtuig uit mijn moeders jeugd, maar de kleuren zijn al goed. En dus stappen we twee haltes verder pas uit en lopen we bergop, zoon achter de rolstoel, mijn moeder erin, vol bewondering voor de bomen. Zoons vriendin en ik komen er slenterend achteraan.
Het kruisgebouw, dat is een leuke start, lijkt me. Mijn moeder vindt het echter verwarrend. “Moet ik in bad?”, vraagt ze bij het zien van de bad- en douchecellen. “Herken je de geur?”, vraag ik. “Nee, ik herken helemaal niets.” Niet helemaal het succes waar ik op hoop, blijkbaar liggen het oude kruisgebouw en mijn moeders tijd in de verpleging nog een eind uit elkaar. Zelfs de verhalen over mijn jeugd komen niet meer boven. Dan wordt het tijd voor humor, dat klaart de lucht altijd. “Beetje stijve dokter, vind ik”, toeter ik richting mijn moeder. Het pad is smal en er staan twee mensen tussen ons in. “Nou!” Haar ogen beginnen te glimmen. “Hij zegt ook niet veel.” “Je hebt gelijk, een beetje een nietszeggend figuur.” “En die bril op tafel”, merkt zoon op. “Geen wonder dat hij zo’n onleesbaar handschrift heeft!” Lachend laten we de plastic dokter achter wanneer we weer naar buiten rollen. Op naar de Tilburgse huisjes. Met mijn arm ter ondersteuning probeert mijn moeder het jongste huisje door te lopen, maar gelukkig komt zoon erachteraan met de rolstoel. Lopen én rondkijken is toch wat veelgevraagd en moe laat mijn moeder zich achterover zakken.
Ik loop de andere huisjes nog door met zoons vriendin en vertel kort over de perioden en de bijzonderheden van de huisjes. Dan doen we tenminste nog een beetje historisch verantwoord en kunnen we met een gerust gemoed richting pannenkoeken. Die vinden we op het terras van de herberg. Wanneer de ober de bestelling op komt nemen, noemt ieder zijn of haar keuze. “Met appel en kaneel.” “De Veluwse, maar dan met kaas.” “De Veluwse, wel gewoon met ei.” “Een pannenkoek”, zegt mijn moeder. “Jij wilde geloof ik graag een spekpannenkoek, he mam?” “Ja, een spekpannenkoek graag”, herhaalt ze voor de ober. Met grote ogen kijk ik een tijdje later naar mijn moeders bord. Het is leeg. Helemaal leeg. En het hele flesje cola dat ze erbij dronk is ook leeg. Beslist iets om te melden aan Het Huis. Meestal bereiken me geluiden over “te weinig gegeten, niet voldoende gedronken”, maar pannenkoek en cola zijn in een mum van tijd verdwenen. Is het de buitenlucht? Of is het een kwestie van smaak?
Het wordt tijd om ons op te splitsen. Zoon heeft nog wat wensen en zijn vriendin bezoekt het Openluchtmuseum zelfs pas voor het eerst. Ik neem mijn moeder in de rolstoel mee. Over hobbelige keien duw ik haar naar de kerk. Zelf zit ik er graag, zolang er geen dominee is, en voor mijn moeder lijkt het me zo vlak na het eten een fijn, rustig plekje. “Laat maar hoor”, klinkt ze hobbelig. “Ik ga wel lopen.” “Nee joh, het gaat prima. Of is het voor jou vervelend?” “Nee, maar het lijkt me zo lastig voor jou om me te duwen.” Elke vijf meter herhaalt dit gesprek zich en ik ben dan ook trots dat het me lukt mijn moeder met rolstoel en al over hobbelkeien bergop de kerk in de krijgen. Alleen wacht ons daar geen rust. Het is hoogzomer en hartje schoolvakantie, dus het is ook in het Zeeuwse kerkje druk. Menig ouderling denkt verlangend aan zoveel belangstelling voor zijn of haar kerk. Lang blijven de bezoekers niet, maar direct worden zij afgewisseld door nieuwe belangstellenden.
“Ik wil nu wel weer eens naar huis”, zegt mijn moeder ineens. Oei! Dat we maar drie dingen gezien en een pannenkoek gegeten hebben, vind ik geen punt. Mijn doel vandaag is niet om zoveel mogelijk te bekijken, maar om samen met mijn moeder te genieten van het museum. En dat genieten zouden we onder andere in de Rotterdamse tram doen. Niet die ene waarin we naar boven gesnord zijn, maar de echte oude tram die mijn moeder als jong meisje van school naar huis voerde. Lijn 2 naar Charlois, in een tijd dat dat nog een mooie, jonge buitenwijk in aanbouw was. Mijn moeder weet het niet, maar de mensen van de tram laten deze wagen speciaal voor haar rijden vandaag, omdat ik op mijn verjaardag samen met mijn moeder wil genieten in ‘haar’ trammetje. Op weg naar de halte vertel ik het haar. Nou vooruit, dat wil ze nog wel, al is ze inmiddels wel toe aan haar middagslaap. We laten lijn 1 uit Arnhem voorbijgaan, maar daarna schuurt de onze in de verte de bocht om. De conducteur helpt mijn moeder aan boord en we vouwen de rolstoel op. Deze rit gaan we op een echt bankje, vlakbij de machinist. Dat blijkt de medewerker te zijn die deze tram geregeld heeft. Al snel begrijpt hij dat hij de hooggeplaatste passagiere aan boord heeft. “Vindt uw moeder het leuk?”, vraagt hij. Ik kijk naar haar tevreden en kalme gezicht. Het uitzicht mag dan anders zijn dan dat op de huizen en schepen in de Maasstad destijds, maar in een scherpe bocht lacht ze me toe. “Dit geluid vergeet ik nooit”, roept ze boven de gierende wielen uit. We rijden nog een extra rondje. De wens om naar huis te gaan is even verdwenen. Of nee, niet verdwenen, vervuld. Meer thuis dan haar eigen huis is dit bankje in de tram. Haar tram. En ik mag ernaast zitten.
De verjaardag is geslaagd, mijn moeder is moe. Zoon en zijn vriendin wachten bij de uitgang. Voldaan rijden we in de middagzon weer naar huis.
Net wanneer we het museum binnenlopen, komt de Rotterdamse tram er aan. Met rolstoelrijtuig, dus schuiven we mijn moeder gezellig naast een andere dame. “Als je bij de volgende halte uitstapt, ben je op het hoogste punt”, vertelt de dochter van de dame. “Dan hoef je alleen nog maar naar beneden.” Heel praktisch natuurlijk, maar wij zitten niet vanwege het praktische in de tram, maar omdat het de Rotterdamse is. Weliswaar niet zo oud als het rijtuig uit mijn moeders jeugd, maar de kleuren zijn al goed. En dus stappen we twee haltes verder pas uit en lopen we bergop, zoon achter de rolstoel, mijn moeder erin, vol bewondering voor de bomen. Zoons vriendin en ik komen er slenterend achteraan.
Het kruisgebouw, dat is een leuke start, lijkt me. Mijn moeder vindt het echter verwarrend. “Moet ik in bad?”, vraagt ze bij het zien van de bad- en douchecellen. “Herken je de geur?”, vraag ik. “Nee, ik herken helemaal niets.” Niet helemaal het succes waar ik op hoop, blijkbaar liggen het oude kruisgebouw en mijn moeders tijd in de verpleging nog een eind uit elkaar. Zelfs de verhalen over mijn jeugd komen niet meer boven. Dan wordt het tijd voor humor, dat klaart de lucht altijd. “Beetje stijve dokter, vind ik”, toeter ik richting mijn moeder. Het pad is smal en er staan twee mensen tussen ons in. “Nou!” Haar ogen beginnen te glimmen. “Hij zegt ook niet veel.” “Je hebt gelijk, een beetje een nietszeggend figuur.” “En die bril op tafel”, merkt zoon op. “Geen wonder dat hij zo’n onleesbaar handschrift heeft!” Lachend laten we de plastic dokter achter wanneer we weer naar buiten rollen. Op naar de Tilburgse huisjes. Met mijn arm ter ondersteuning probeert mijn moeder het jongste huisje door te lopen, maar gelukkig komt zoon erachteraan met de rolstoel. Lopen én rondkijken is toch wat veelgevraagd en moe laat mijn moeder zich achterover zakken.
Ik loop de andere huisjes nog door met zoons vriendin en vertel kort over de perioden en de bijzonderheden van de huisjes. Dan doen we tenminste nog een beetje historisch verantwoord en kunnen we met een gerust gemoed richting pannenkoeken. Die vinden we op het terras van de herberg. Wanneer de ober de bestelling op komt nemen, noemt ieder zijn of haar keuze. “Met appel en kaneel.” “De Veluwse, maar dan met kaas.” “De Veluwse, wel gewoon met ei.” “Een pannenkoek”, zegt mijn moeder. “Jij wilde geloof ik graag een spekpannenkoek, he mam?” “Ja, een spekpannenkoek graag”, herhaalt ze voor de ober. Met grote ogen kijk ik een tijdje later naar mijn moeders bord. Het is leeg. Helemaal leeg. En het hele flesje cola dat ze erbij dronk is ook leeg. Beslist iets om te melden aan Het Huis. Meestal bereiken me geluiden over “te weinig gegeten, niet voldoende gedronken”, maar pannenkoek en cola zijn in een mum van tijd verdwenen. Is het de buitenlucht? Of is het een kwestie van smaak?
Het wordt tijd om ons op te splitsen. Zoon heeft nog wat wensen en zijn vriendin bezoekt het Openluchtmuseum zelfs pas voor het eerst. Ik neem mijn moeder in de rolstoel mee. Over hobbelige keien duw ik haar naar de kerk. Zelf zit ik er graag, zolang er geen dominee is, en voor mijn moeder lijkt het me zo vlak na het eten een fijn, rustig plekje. “Laat maar hoor”, klinkt ze hobbelig. “Ik ga wel lopen.” “Nee joh, het gaat prima. Of is het voor jou vervelend?” “Nee, maar het lijkt me zo lastig voor jou om me te duwen.” Elke vijf meter herhaalt dit gesprek zich en ik ben dan ook trots dat het me lukt mijn moeder met rolstoel en al over hobbelkeien bergop de kerk in de krijgen. Alleen wacht ons daar geen rust. Het is hoogzomer en hartje schoolvakantie, dus het is ook in het Zeeuwse kerkje druk. Menig ouderling denkt verlangend aan zoveel belangstelling voor zijn of haar kerk. Lang blijven de bezoekers niet, maar direct worden zij afgewisseld door nieuwe belangstellenden.
“Ik wil nu wel weer eens naar huis”, zegt mijn moeder ineens. Oei! Dat we maar drie dingen gezien en een pannenkoek gegeten hebben, vind ik geen punt. Mijn doel vandaag is niet om zoveel mogelijk te bekijken, maar om samen met mijn moeder te genieten van het museum. En dat genieten zouden we onder andere in de Rotterdamse tram doen. Niet die ene waarin we naar boven gesnord zijn, maar de echte oude tram die mijn moeder als jong meisje van school naar huis voerde. Lijn 2 naar Charlois, in een tijd dat dat nog een mooie, jonge buitenwijk in aanbouw was. Mijn moeder weet het niet, maar de mensen van de tram laten deze wagen speciaal voor haar rijden vandaag, omdat ik op mijn verjaardag samen met mijn moeder wil genieten in ‘haar’ trammetje. Op weg naar de halte vertel ik het haar. Nou vooruit, dat wil ze nog wel, al is ze inmiddels wel toe aan haar middagslaap. We laten lijn 1 uit Arnhem voorbijgaan, maar daarna schuurt de onze in de verte de bocht om. De conducteur helpt mijn moeder aan boord en we vouwen de rolstoel op. Deze rit gaan we op een echt bankje, vlakbij de machinist. Dat blijkt de medewerker te zijn die deze tram geregeld heeft. Al snel begrijpt hij dat hij de hooggeplaatste passagiere aan boord heeft. “Vindt uw moeder het leuk?”, vraagt hij. Ik kijk naar haar tevreden en kalme gezicht. Het uitzicht mag dan anders zijn dan dat op de huizen en schepen in de Maasstad destijds, maar in een scherpe bocht lacht ze me toe. “Dit geluid vergeet ik nooit”, roept ze boven de gierende wielen uit. We rijden nog een extra rondje. De wens om naar huis te gaan is even verdwenen. Of nee, niet verdwenen, vervuld. Meer thuis dan haar eigen huis is dit bankje in de tram. Haar tram. En ik mag ernaast zitten.
De verjaardag is geslaagd, mijn moeder is moe. Zoon en zijn vriendin wachten bij de uitgang. Voldaan rijden we in de middagzon weer naar huis.
donderdag 24 maart 2011
In de glooooriiiiaaaa
Verjaardagen bijhouden is niet mijn sterkste kant. Zelfs niet met een levensgrote verjaarskalender op de wc. Ik til er zelf maar niet meer al te hard aan en troost me met de gedachte dat de meeste mensen mijn verjaardag ook vergeten. Of misschien vergeten ze die omdat ik die van hen.... nou ja, het geeft niet.
Maar tussen de namen van mijn vrienden staan die van mijn moeders familie en vrienden. Sommigen heb ik zelf nog nooit gezien. Toch probeer ik die verjaardagen goed in degaten te houden. Ook dat lukt natuurlijk niet vlekkeloos, meestal realiseer ik me op de dag zelf pas dat ze jarig zijn. Maar dan volgt er actie. Ik plan een telefoongesprek met mijn moeder. Haar dagritme zit strak in elkaar. Leve de structuurbehoefte van mijn moeder! Daardoor weet ik hoe laat ik haar kan bereiken op haar eigen nummer. Vervolgens bel ik om te melden dat er wederom een jarige is. Zij pakt haar telefoonklapper en belt de jarige vrolijk op om te feliciteren. Gevolg: contact wordt onderhouden en als mijn moeder zelf jarig is, krijgt ze van overal nog kaartjes en telefoontjes.
Ineens valt mijn oog op de kalender: Paula is jarig! He nee, ik had nog een kaart willen sturen. Dat lukt niet meer, maar ik kan nog wel even mijn moeder inseinen. Die blijkt al in bed te liggen. “Het is maar goed dat ik bel”, lach ik, “om dit uur al in bed liggen is te erg, dat kan niet.” Mijn moeder lacht vrolijk mee. Nee, het is wat overdreven, vindt ze zelf ook. Maar ja, ze ligt zo graag in bed. Een half uur lang praten we over van alles. Zeven keer uitgebreid over hoe het met haar kleinzoon gaat en dan vraagt ze ineens, glashelder, of John, kleinzoons vader, iets bijdraagt aan de kosten van de studie.
Gelukkig kan ik twee dingen tegelijk. Terwijl ik van mijn stoel rol van verbazing - mijn moeder weet zijn naam nog en bedenkt ineens iets over kosten van levensonderhoud - geef ik heel gewoon antwoord.
Voor ik ophang meld ik dat Paula jarig is en dat mijn moeder haar best nog even kan bellen. “In het laatje ligt je adresboek”. Laatje? Adresboek? “Nou, dat doe ik nu maar niet meer. Morgen kan ook nog wel.” Vreemd klinkt het niet, maar wel voor mijn moeder. Die belt liever drie keer om je te feliciteren of te bedanken, dan dat ze het één keer vergeet. De opdracht is te ingewikkeld. Een paar maanden geleden zou ze direct het laatje ingedoken zijn. Nu klinkt het als een verborgen schat.
“Weet je”, zeg ik. “Paula kennende kan het best zo zijn dat ze binnenkort met taartjes op de stoep staat en zegt: ik ben jarig geweest. We gaan het vieren!” “Precies”, vindt mijn moeder. “Dat is echt Paula.” Ik zou het niet weten, ik heb haar maar één keer ontmoet, bij een begrafenis. Maar ik neem me wel voor binnenkort een kadootje te kopen. Namens mijn moeder, voor Paula. Want al zie ik Paula dan nooit, uit de map weet ik dat ze regelmatig komt.
Maar tussen de namen van mijn vrienden staan die van mijn moeders familie en vrienden. Sommigen heb ik zelf nog nooit gezien. Toch probeer ik die verjaardagen goed in degaten te houden. Ook dat lukt natuurlijk niet vlekkeloos, meestal realiseer ik me op de dag zelf pas dat ze jarig zijn. Maar dan volgt er actie. Ik plan een telefoongesprek met mijn moeder. Haar dagritme zit strak in elkaar. Leve de structuurbehoefte van mijn moeder! Daardoor weet ik hoe laat ik haar kan bereiken op haar eigen nummer. Vervolgens bel ik om te melden dat er wederom een jarige is. Zij pakt haar telefoonklapper en belt de jarige vrolijk op om te feliciteren. Gevolg: contact wordt onderhouden en als mijn moeder zelf jarig is, krijgt ze van overal nog kaartjes en telefoontjes.
Ineens valt mijn oog op de kalender: Paula is jarig! He nee, ik had nog een kaart willen sturen. Dat lukt niet meer, maar ik kan nog wel even mijn moeder inseinen. Die blijkt al in bed te liggen. “Het is maar goed dat ik bel”, lach ik, “om dit uur al in bed liggen is te erg, dat kan niet.” Mijn moeder lacht vrolijk mee. Nee, het is wat overdreven, vindt ze zelf ook. Maar ja, ze ligt zo graag in bed. Een half uur lang praten we over van alles. Zeven keer uitgebreid over hoe het met haar kleinzoon gaat en dan vraagt ze ineens, glashelder, of John, kleinzoons vader, iets bijdraagt aan de kosten van de studie.
Gelukkig kan ik twee dingen tegelijk. Terwijl ik van mijn stoel rol van verbazing - mijn moeder weet zijn naam nog en bedenkt ineens iets over kosten van levensonderhoud - geef ik heel gewoon antwoord.
Voor ik ophang meld ik dat Paula jarig is en dat mijn moeder haar best nog even kan bellen. “In het laatje ligt je adresboek”. Laatje? Adresboek? “Nou, dat doe ik nu maar niet meer. Morgen kan ook nog wel.” Vreemd klinkt het niet, maar wel voor mijn moeder. Die belt liever drie keer om je te feliciteren of te bedanken, dan dat ze het één keer vergeet. De opdracht is te ingewikkeld. Een paar maanden geleden zou ze direct het laatje ingedoken zijn. Nu klinkt het als een verborgen schat.
“Weet je”, zeg ik. “Paula kennende kan het best zo zijn dat ze binnenkort met taartjes op de stoep staat en zegt: ik ben jarig geweest. We gaan het vieren!” “Precies”, vindt mijn moeder. “Dat is echt Paula.” Ik zou het niet weten, ik heb haar maar één keer ontmoet, bij een begrafenis. Maar ik neem me wel voor binnenkort een kadootje te kopen. Namens mijn moeder, voor Paula. Want al zie ik Paula dan nooit, uit de map weet ik dat ze regelmatig komt.
maandag 21 februari 2011
Naar Heleen
“Heleen is jarig geweest”, leg ik aan mijn moeder uit. “Dus daarom gaan we op de koffie? Gezellig! Maar ik heb geen cadeau.” Dat heb ik al gehaald, want eerst naar de winkel en dan nog naar Heleen lijkt mij een slopende onderneming. Niet voor mij, maar wel voor mijn moeder, voor wie regelmaat en overzicht nog belangrijker geworden is dan het ooit was. Als we bij de auto zijn, laat ik de grote bos bloemen zien die ik gekocht heb. Mijn moeders kleuren. Nu maar hopen dat Heleen daar ook van houdt.
Op weg naar het huis van Heleen twijfel ik even over de route. Rechtdoor is sneller, maar ook iets langer. Maar belangrijker nog: het is de route die mijn moeder nooit reed en dus sla ik rechtsaf, het drukke verkeer in. “Wat een auto’s hier”, merkt mijn moeder op. “Ja, dat klopt, die stonden hier nooit. Hier was een groenstrook”. Voor we de nieuwe parkeerplaats voorbij zijn, herhalen we dit kleine gesprekje nog drie keer. Aan het eind van de weg sla ik linksaf. “Komt het je hier bekend voor?”, vraag ik. Ik vrees dat ze door alle indrukken geen idee heeft wat we ook alweer gaan doen en dus waar we zijn, maar ik zit er, gelukkig, ook weleens naast. “Dit is in de buurt van mijn oude huis”, zegt ze beslist. Ze wijst: daar moet je linksaf. Ik sta perplex. “Klopt, en dan straks weer.” Als ik de auto parkeer vertel ik dat ik hem altijd daar neerzette als ik op bezoek kwam. Het is een onnodige mededeling, want ze ziet meteen haar eigen huis. “Ze hebben het helemaal geverfd. Zo is het ook best mooi. En de tuin is helemaal veranderd.” Ik leg uit dat dat vanwege de rolstoel van de huidige bewoner is.
“Zeg, wie was er nu ook alweer jarig? Heleen of haar man?” “Heleen, mam.” “Dan weet ik wie ik moet feliciteren.” Bij binnenkomst zoent ze Heleen hartelijk op haar wang en feliciteert haar. Ook Heleens man Sander begroet ze als een oude vriend en ze volgt hem naar de zithoek. Ze krijgt een stoel met uitzicht op haar huis. Behalve in haar eigen flat heb ik haar in geen jaren zo rustig zien zitten. Al snel is ze uitgebreid in gesprek met Sander. Ik schuif op de andere stoel en volg hun gesprek. Wanneer Heleen taart en koffie serveert, wordt het even stil. We eten en nippen koffie. Daarna vertelt Heleen over de nieuwe buren in mijn moeders oude huis. Mijn moeder heeft ze nooit ontmoet, alleen ik heb ze één keer gezien. Maar Heleen ziet ze natuurlijk vaker, al blijkt dat nog mee te vallen. Wel is er van alles te vertellen over alle andere buren. Vrijwel iedereen in het buurtje woont er nog. Een overbuurvrouw heeft een nieuwe liefde, het stel op de hoek wil het huis graag verkopen maar de crisis ligt dwars. En ook een ander wil zijn huis graag verkopen, maar blijft voorlopig maar wachten op betere tijden.
We praten over familiegeschiedenissen, de kleinkinderen van Sander en Heleen en alles wat maar voorbijkomt. En intussen verbaas ik me over mijn moeder. Ze zit rechtop, energiek, en praat overal over mee. Alleen moeten we ervoor waken dat het gesprek niet te snel gaat, verder is het even mijn moeder van vroeger.
Maar ineens is het op. Ik probeer de tijd nog een beetje te rekken, maar uiteindelijk is ze vriendelijk maar beslist: het is tijd om te gaan. Buiten kijkt ze nog naar haar oude huis. “Ze hebben het helemaal geverfd. Ik vind het niet mooi!” Het is waar: dit is echt weer even moeder-van-vroeger. Het houtwerk was voorheen een prachtige, bijzondere, blauwe tint, door mijn moeder zorgvuldig uitgekozen. De standaardkleuren die er nu opzitten, zou ze zelf nooit bedacht hebben.
Dit is niet het laatste bezoek aan Heleen, dat weet ik alvast. Ik krijg er even een stukje van mijn moeder terug. En dat smaakt naar meer, naar veel meer.
Op weg naar het huis van Heleen twijfel ik even over de route. Rechtdoor is sneller, maar ook iets langer. Maar belangrijker nog: het is de route die mijn moeder nooit reed en dus sla ik rechtsaf, het drukke verkeer in. “Wat een auto’s hier”, merkt mijn moeder op. “Ja, dat klopt, die stonden hier nooit. Hier was een groenstrook”. Voor we de nieuwe parkeerplaats voorbij zijn, herhalen we dit kleine gesprekje nog drie keer. Aan het eind van de weg sla ik linksaf. “Komt het je hier bekend voor?”, vraag ik. Ik vrees dat ze door alle indrukken geen idee heeft wat we ook alweer gaan doen en dus waar we zijn, maar ik zit er, gelukkig, ook weleens naast. “Dit is in de buurt van mijn oude huis”, zegt ze beslist. Ze wijst: daar moet je linksaf. Ik sta perplex. “Klopt, en dan straks weer.” Als ik de auto parkeer vertel ik dat ik hem altijd daar neerzette als ik op bezoek kwam. Het is een onnodige mededeling, want ze ziet meteen haar eigen huis. “Ze hebben het helemaal geverfd. Zo is het ook best mooi. En de tuin is helemaal veranderd.” Ik leg uit dat dat vanwege de rolstoel van de huidige bewoner is.
“Zeg, wie was er nu ook alweer jarig? Heleen of haar man?” “Heleen, mam.” “Dan weet ik wie ik moet feliciteren.” Bij binnenkomst zoent ze Heleen hartelijk op haar wang en feliciteert haar. Ook Heleens man Sander begroet ze als een oude vriend en ze volgt hem naar de zithoek. Ze krijgt een stoel met uitzicht op haar huis. Behalve in haar eigen flat heb ik haar in geen jaren zo rustig zien zitten. Al snel is ze uitgebreid in gesprek met Sander. Ik schuif op de andere stoel en volg hun gesprek. Wanneer Heleen taart en koffie serveert, wordt het even stil. We eten en nippen koffie. Daarna vertelt Heleen over de nieuwe buren in mijn moeders oude huis. Mijn moeder heeft ze nooit ontmoet, alleen ik heb ze één keer gezien. Maar Heleen ziet ze natuurlijk vaker, al blijkt dat nog mee te vallen. Wel is er van alles te vertellen over alle andere buren. Vrijwel iedereen in het buurtje woont er nog. Een overbuurvrouw heeft een nieuwe liefde, het stel op de hoek wil het huis graag verkopen maar de crisis ligt dwars. En ook een ander wil zijn huis graag verkopen, maar blijft voorlopig maar wachten op betere tijden.
We praten over familiegeschiedenissen, de kleinkinderen van Sander en Heleen en alles wat maar voorbijkomt. En intussen verbaas ik me over mijn moeder. Ze zit rechtop, energiek, en praat overal over mee. Alleen moeten we ervoor waken dat het gesprek niet te snel gaat, verder is het even mijn moeder van vroeger.
Maar ineens is het op. Ik probeer de tijd nog een beetje te rekken, maar uiteindelijk is ze vriendelijk maar beslist: het is tijd om te gaan. Buiten kijkt ze nog naar haar oude huis. “Ze hebben het helemaal geverfd. Ik vind het niet mooi!” Het is waar: dit is echt weer even moeder-van-vroeger. Het houtwerk was voorheen een prachtige, bijzondere, blauwe tint, door mijn moeder zorgvuldig uitgekozen. De standaardkleuren die er nu opzitten, zou ze zelf nooit bedacht hebben.
Dit is niet het laatste bezoek aan Heleen, dat weet ik alvast. Ik krijg er even een stukje van mijn moeder terug. En dat smaakt naar meer, naar veel meer.
vrijdag 28 januari 2011
Kwart voor elf!
De telefoon gaat. Kwart voor elf ’s avonds! Steeds meer mensen krijgen door dat ik een avondmens ben, maar zo laat gebeld worden, alarmeert me toch altijd. “Mam” staat er in het venster. Ik neem snel op. “Hallo, met Ita”, roep ik vrolijk. Je weet het nooit, het zou eens kunnen helpen. Aan de andere kant is er echter helemaal geen paniek, niet eens een bedrukte stemming. Het is gewoon mijn moeder, die belt alsof het kwart voor elf ’s ochtends is. “Zeg, ben jij jarig?”, begint ze. “Nee, nog lang niet, maar ik wil het best zijn hoor.” “Nou, dan van harte gefeliciteerd!” “Dank je wel! Je bent de eerste!!” “En waarschijnlijk ook de laatste”, lacht ze. “Maar hoe kom je daar nu op, dat ik jarig zou zijn? Staat de klok verkeerd?” De datumklok is nog steeds een fijne steun in haar huis, maar af en toe rommelt ze aan de knoppen. Of misschien doet de schoonmaakster dat, dat weet ik natuurlijk niet. En mijn moeder kan het mij niet vertellen. In elk geval is het al in de routine ingebouwd dat ik elke keer dat ik op bezoek kom even een blik op de klok werp om te kijken of dag en datum wel juist zijn.
Maar nee, daar is niets mee aan de hand, bezweert ze me. “Ik heb geslapen en werd wakker en dacht: nu moet ik eerst Ita bellen.” “Nou, gezellig. Ik dacht eigenlijk dat je nog wel zou slapen.” En omdat ze zo vreselijk monter klinkt, vraag ik toch maar: “Is het nu dan ochtend?” “Nee, natuurlijk niet, het is stikkedonker. Het is avond.”
Donker is eenvoudiger dan licht. Nog niet zo lang geleden belde ze me op een ochtend met de vraag of het nu ochtend of avond was. Want half tien ’s avonds kan het nog licht zijn, in de zomer tenminste. En in het huis is het altijd zo warm, dat het verschil tussen zomer en winter moeilijk waarneembaar is. Maar licht en donker zijn nog steeds duidelijke aanwijzingen voor mijn moeder. Gelukkig helpt het dat ze haar gordijnen nooit helemaal dicht doet. Ze heeft altijd ergens zicht op een streepje buitenlucht.
In dit gesprek komen de onvermijdelijke vragen weer voorbij: hoe gaat het met je, en met zoon? En heb je nu een vriend? Ik wist het niet zeker meer. Ga je nog op vakantie? En natuurlijk ook: waar woon je nu? Dat laatste, toch een redelijk constante factor, wil niet meer blijven plakken. Een paar dagen geleden plaatste ze me op kamers in Utrecht, een fase die ik ruim twintig jaar geleden heb afgesloten. Soms kets ik daarom de vraag weleens terug, zodat ik weet wat haar referentiekader is. Niet dat het betekent dat ze in haar hoofd dan twintig jaar terug is in de tijd. Geenszins! Het huis waar ze destijds woonde is een vage vlek in haar herinnering, maar haar vorige adres is nog steeds 'haar huis'. Inclusief huisnummer, postcode en telefoonnummer dreunt ze dat zo op. Dat gezegd hebbende: met regelmaat laat ze een saldo cijfers op me los. “Ben jij dat?”, checkt ze dan even. Ik moet altijd even hard denken voor ik “ja” kan antwoorden.
Dat ze belde voor mijn verjaardag is ze inmiddels alweer vergeten. Jammer, zo’n minifeestje halverwege smaakt goed! Ach, op de verrassing van dit vrolijke telefoontje kan ik ook wel een tijdje teren.
Maar nee, daar is niets mee aan de hand, bezweert ze me. “Ik heb geslapen en werd wakker en dacht: nu moet ik eerst Ita bellen.” “Nou, gezellig. Ik dacht eigenlijk dat je nog wel zou slapen.” En omdat ze zo vreselijk monter klinkt, vraag ik toch maar: “Is het nu dan ochtend?” “Nee, natuurlijk niet, het is stikkedonker. Het is avond.”
Donker is eenvoudiger dan licht. Nog niet zo lang geleden belde ze me op een ochtend met de vraag of het nu ochtend of avond was. Want half tien ’s avonds kan het nog licht zijn, in de zomer tenminste. En in het huis is het altijd zo warm, dat het verschil tussen zomer en winter moeilijk waarneembaar is. Maar licht en donker zijn nog steeds duidelijke aanwijzingen voor mijn moeder. Gelukkig helpt het dat ze haar gordijnen nooit helemaal dicht doet. Ze heeft altijd ergens zicht op een streepje buitenlucht.
In dit gesprek komen de onvermijdelijke vragen weer voorbij: hoe gaat het met je, en met zoon? En heb je nu een vriend? Ik wist het niet zeker meer. Ga je nog op vakantie? En natuurlijk ook: waar woon je nu? Dat laatste, toch een redelijk constante factor, wil niet meer blijven plakken. Een paar dagen geleden plaatste ze me op kamers in Utrecht, een fase die ik ruim twintig jaar geleden heb afgesloten. Soms kets ik daarom de vraag weleens terug, zodat ik weet wat haar referentiekader is. Niet dat het betekent dat ze in haar hoofd dan twintig jaar terug is in de tijd. Geenszins! Het huis waar ze destijds woonde is een vage vlek in haar herinnering, maar haar vorige adres is nog steeds 'haar huis'. Inclusief huisnummer, postcode en telefoonnummer dreunt ze dat zo op. Dat gezegd hebbende: met regelmaat laat ze een saldo cijfers op me los. “Ben jij dat?”, checkt ze dan even. Ik moet altijd even hard denken voor ik “ja” kan antwoorden.
Dat ze belde voor mijn verjaardag is ze inmiddels alweer vergeten. Jammer, zo’n minifeestje halverwege smaakt goed! Ach, op de verrassing van dit vrolijke telefoontje kan ik ook wel een tijdje teren.
maandag 3 januari 2011
Iedereen heeft zijn kwaliteiten
Je verjaardag is meestal een bijzondere dag. Je gaat toch met een iets ander gevoel slapen, wetend dat je bij het wakker worden een jaar ouder zult zijn. En voor het geval er visite komt, haal je alvast wat lekkers in huis.
Maar zo gaat het niet meer als je dementie hebt. De ene dag of de andere, ze zijn naadloos inwisselbaar. En dus belt mijn tante om te vragen of mijn moeder soms bij mij is, want ze blijkt al de hele dag telefonisch onbereikbaar. En ook ik krijg geen gehoor, zelfs niet op de tijden dat ze normaal toch echt thuis is. Desondanks vertrekken wij ’s middags met cadeau en goed humeur naar het huis waar mijn moeder woont. Ik bel op de parkeerplaats nog even, maar inderdaad, het blijft stil aan de andere kant. Nou ja, we gaan toch maar naar binnen. Maar nee, ook op ons bellen wordt niet gereageerd. “Ik hoor wat”, zegt zoon. Ik hoor ook wat, vrij veel zelfs. De tv van de overbuurman, muziek bij zijn buurvrouw en ergens in een keuken wordt koffie gezet. Het huis is gevuld met geluiden, maar ook mijn roepen door de brievenbus levert geen reactie op in de flat van mijn moeder. Als we op pad gaan om haar te zoeken, lopen we haar net tegen het lijf. Ze is blij verrast met deze onverwachte gasten. Binnen feliciteren we haar uitgebreid, met dikke zoenen. Nu is ze nog verraster: “ben ik jarig? O jee, ik heb niks in huis gehaald.” “Daar heb ik voor gezorgd”, reageer ik meteen. “Hebben we dat afgesproken?” “Ja hoor.”
We drinken koffie en fris en knabbelen van de chocolade balletjes die ik gekocht heb. En omdat het feest is, doen we niet bescheiden en werken er elk drie weg. Tussendoor lachen we heel wat af. Ik lurk mijn pakje sinaasappelsap leeg. “Wat kan ze altijd stil genieten he?”, zegt mijn moeder tegen zoon. Ze hebben elkaar weer gevonden in hun ridiculiseren van mij. Maar zoals gewoonlijk moet ik er zelf weer het hardst om lachen.
Tussen al het plezier proberen we af en toe een beetje serieus te zijn. Het gaat maar moeizaam, al blijft het haperende geheugen altijd een goed onderwerp voor serieuze reacties. Maar soms ook niet. “Ik ben érg goed in vergeten”, zegt mijn moeder. Haar ogen glinsteren. “Zo heeft iedereen”, begin ik. “Zijn kwaliteiten”, vult ze grijnzend aan. En dan liggen we alledrie weer dubbel.
Maar zo gaat het niet meer als je dementie hebt. De ene dag of de andere, ze zijn naadloos inwisselbaar. En dus belt mijn tante om te vragen of mijn moeder soms bij mij is, want ze blijkt al de hele dag telefonisch onbereikbaar. En ook ik krijg geen gehoor, zelfs niet op de tijden dat ze normaal toch echt thuis is. Desondanks vertrekken wij ’s middags met cadeau en goed humeur naar het huis waar mijn moeder woont. Ik bel op de parkeerplaats nog even, maar inderdaad, het blijft stil aan de andere kant. Nou ja, we gaan toch maar naar binnen. Maar nee, ook op ons bellen wordt niet gereageerd. “Ik hoor wat”, zegt zoon. Ik hoor ook wat, vrij veel zelfs. De tv van de overbuurman, muziek bij zijn buurvrouw en ergens in een keuken wordt koffie gezet. Het huis is gevuld met geluiden, maar ook mijn roepen door de brievenbus levert geen reactie op in de flat van mijn moeder. Als we op pad gaan om haar te zoeken, lopen we haar net tegen het lijf. Ze is blij verrast met deze onverwachte gasten. Binnen feliciteren we haar uitgebreid, met dikke zoenen. Nu is ze nog verraster: “ben ik jarig? O jee, ik heb niks in huis gehaald.” “Daar heb ik voor gezorgd”, reageer ik meteen. “Hebben we dat afgesproken?” “Ja hoor.”
We drinken koffie en fris en knabbelen van de chocolade balletjes die ik gekocht heb. En omdat het feest is, doen we niet bescheiden en werken er elk drie weg. Tussendoor lachen we heel wat af. Ik lurk mijn pakje sinaasappelsap leeg. “Wat kan ze altijd stil genieten he?”, zegt mijn moeder tegen zoon. Ze hebben elkaar weer gevonden in hun ridiculiseren van mij. Maar zoals gewoonlijk moet ik er zelf weer het hardst om lachen.
Tussen al het plezier proberen we af en toe een beetje serieus te zijn. Het gaat maar moeizaam, al blijft het haperende geheugen altijd een goed onderwerp voor serieuze reacties. Maar soms ook niet. “Ik ben érg goed in vergeten”, zegt mijn moeder. Haar ogen glinsteren. “Zo heeft iedereen”, begin ik. “Zijn kwaliteiten”, vult ze grijnzend aan. En dan liggen we alledrie weer dubbel.
zondag 26 december 2010
Kerst 2010
Natuurlijk hebben we ons dit jaar ook weer aangemeld voor het kerstdiner en zo zitten we met ons drieën aan een ronde tafel in het restaurant van het huis, mijn moeder, zoon en ik. Het loopt aardig vol, maar toch zijn niet alle stoelen bezet. Mij deert het niet, maar voor al die mensen die zich zo inzetten op eerste kerstdag zou ik het fijn vinden als de opkomst groter was. Al vind ik het aantal bezoekende familieleden hoog dit jaar. Officieel mag je als bewoner twee gasten hebben, maar vrijwel overal zijn het er meer. Zo heeft een vrouw haar kinderen, kleinkinderen én achterkleinkinderen op bezoek. Drie hartveroverende meisjes, die van vader en moeder na een tijdje door de zaal mogen lopen. Als ze ook daarvan genoeg hebben, gaan ze met oma kerstliedjes zingen.
Mijn moeders buurvrouw heeft drie van haar kleinkinderen te eten. Ze babbelen met zijn vieren vrolijk de middag door. Het maakt dat ik me meer dan voorheen realiseer dat dat bij ons nooit meer zo zal zijn. Elke paar minuten geniet mijn moeder opnieuw van de versiering, wijst ze ons op de dingen die haar opvallen, de rekjes aan het plafond, de kersttakken die overal hangen en de zilverkleurige kandelaar met drie kaarsen, midden op tafel. Leuk dat die er staat. Mijn moeder brandde altijd veel kaarsen voor ze in dit huis kwam wonen. Tot grote zorg van haar overburen, die elke avond controleerden of ze ze wel uitgeblazen had. Maar kaarsen zijn verboden in dit huis. De waxinelichtjes zijn vervangen door batterijgestuurde exemplaren, maar ze vergeet hoe die ook alweer werken en steekt ze rustig aan als ze maar even aan vuur kan komen. Alleen branden ze niet. Daarom gun ik haar die kaarsen op tafel zo. Eindelijk weer eens gezellige vlammetjes.
Vlammetjes ziet ze ook in de gordijnen. Het is het zonlicht dat er af en toe zacht doorheen flakkert. De gordijnen zijn dicht getrokken om een avond-sfeer te creëren. In de hoek met dementerende bewoners hebben ze ze juist weer opengetrokken, want het dagritme is vaak al zo moeilijk te volgen voor hen. Mijn moeder maakt het niet uit. Ze geniet. We lopen samen met haar langs het buffet. Voor het eerst, bedenk ik me. Voorgaande jaren wilde ze liever dat ik het voor haar haalde. Dit keer stelde ik haar gewoon voor om zelf mee te gaan en dat deed ze als vanzelf. Maar wachten in een rij valt niet meer mee. Tot ze het systeem doorkrijgt. Als ze bij de borden staat, geeft ze zoon en mij een bord en pakt er zelf een. Bij de verschillende schotels kiest ze wat lekkere hapjes uit en samen met haar loop ik weer terug naar de tafel.
Ze geniet, van het eten, het gezelschap en de feestelijke aankleding. En van het feit dat het zo druk is. Maar dat is het altijd als er iets georganiseerd wordt, vertelt ze. Want soms weet ze best waar ze zit, daar beneden, waar gegeten wordt. "We zaten hier pas ook", vertelt ze. "Toen werd er gezongen, allemaal liedjes die we kenden, dan konden we meezingen. Het was erg gezellig." Ik moet lachen. Nee, ze is niet grappig al is ze wel vrolijk. Ma ar ik weet dat ze die avond heeft gehad, want ik moest haar daarvoor opgeven. Zelden hoor ik terug wat er gedaan is, want dat blijft in haar hoofd niet hangen. En met dit soort dagen blijft nog minder hangen. Ze verwart mij met mijn zoon en denkt even later dat zoon mijn man is. Okee, hij is groot, maar overduidelijk heel wat jaren jonger dan ik. Maar ze wist al vanaf dat ze ons zag dat wij bij haar horen, dus dat stemt mij voor vandaag al tevreden. Hoewel, heel even zou ik mijn oude moeder terugwillen, met wie we meer kunnen delen dan lekker eten en bewondering voor de kerstversiering.
Mijn moeders buurvrouw heeft drie van haar kleinkinderen te eten. Ze babbelen met zijn vieren vrolijk de middag door. Het maakt dat ik me meer dan voorheen realiseer dat dat bij ons nooit meer zo zal zijn. Elke paar minuten geniet mijn moeder opnieuw van de versiering, wijst ze ons op de dingen die haar opvallen, de rekjes aan het plafond, de kersttakken die overal hangen en de zilverkleurige kandelaar met drie kaarsen, midden op tafel. Leuk dat die er staat. Mijn moeder brandde altijd veel kaarsen voor ze in dit huis kwam wonen. Tot grote zorg van haar overburen, die elke avond controleerden of ze ze wel uitgeblazen had. Maar kaarsen zijn verboden in dit huis. De waxinelichtjes zijn vervangen door batterijgestuurde exemplaren, maar ze vergeet hoe die ook alweer werken en steekt ze rustig aan als ze maar even aan vuur kan komen. Alleen branden ze niet. Daarom gun ik haar die kaarsen op tafel zo. Eindelijk weer eens gezellige vlammetjes.
Vlammetjes ziet ze ook in de gordijnen. Het is het zonlicht dat er af en toe zacht doorheen flakkert. De gordijnen zijn dicht getrokken om een avond-sfeer te creëren. In de hoek met dementerende bewoners hebben ze ze juist weer opengetrokken, want het dagritme is vaak al zo moeilijk te volgen voor hen. Mijn moeder maakt het niet uit. Ze geniet. We lopen samen met haar langs het buffet. Voor het eerst, bedenk ik me. Voorgaande jaren wilde ze liever dat ik het voor haar haalde. Dit keer stelde ik haar gewoon voor om zelf mee te gaan en dat deed ze als vanzelf. Maar wachten in een rij valt niet meer mee. Tot ze het systeem doorkrijgt. Als ze bij de borden staat, geeft ze zoon en mij een bord en pakt er zelf een. Bij de verschillende schotels kiest ze wat lekkere hapjes uit en samen met haar loop ik weer terug naar de tafel.
Ze geniet, van het eten, het gezelschap en de feestelijke aankleding. En van het feit dat het zo druk is. Maar dat is het altijd als er iets georganiseerd wordt, vertelt ze. Want soms weet ze best waar ze zit, daar beneden, waar gegeten wordt. "We zaten hier pas ook", vertelt ze. "Toen werd er gezongen, allemaal liedjes die we kenden, dan konden we meezingen. Het was erg gezellig." Ik moet lachen. Nee, ze is niet grappig al is ze wel vrolijk. Ma ar ik weet dat ze die avond heeft gehad, want ik moest haar daarvoor opgeven. Zelden hoor ik terug wat er gedaan is, want dat blijft in haar hoofd niet hangen. En met dit soort dagen blijft nog minder hangen. Ze verwart mij met mijn zoon en denkt even later dat zoon mijn man is. Okee, hij is groot, maar overduidelijk heel wat jaren jonger dan ik. Maar ze wist al vanaf dat ze ons zag dat wij bij haar horen, dus dat stemt mij voor vandaag al tevreden. Hoewel, heel even zou ik mijn oude moeder terugwillen, met wie we meer kunnen delen dan lekker eten en bewondering voor de kerstversiering.
zondag 5 december 2010
Het lijkt wel pakjesavond!
“Het lijkt wel pakjesavond”, lacht mijn moeder als ze om zich heenkijkt. “Het is ook vijf december”, antwoordt zoon. Inmiddels is de tafel bezaaid met hapjes, drankjes, papier, gedichten en uitgepakte cadeaus. Sint heeft dit jaar vooral praktisch ingekocht. Zakdoeken, een nieuw horlogebandje, een nieuwe portemonnee. De man weet precies waar behoefte aan is. Voor zoon zijn het vooral grappige cadeaus en ik krijg heel toevallig precies een paar dingen die ik erg leuk vind. Okee, iets minder toevallig, daar heb ik wel heel erg de hand in gehad, want zoon kwam niet erg in beweging en mijn moeder had er geen idee van dat Sinterklaas naderde.
Het leuke van Sinterklaas is, behalve die paar uur plezier met elkaar, vooral de voor- en de napret. En dat is nu net wat weg is als je dementeert. Er is een nu en er is een heel ver verleden, maar de pret over de Sinterklaasavond is weg zodra de visite de deur uit is. En dus krijgt mijn moeder bij elk pakje een gedicht. Niet dat ze nog weet welk cadeau er bij elk gedicht hoorde, maar waar de cadeaus opgaan in het dagelijks leven, blijven de gedichten iets opvallends. Napret op papier.
Het leuke van Sinterklaas is, behalve die paar uur plezier met elkaar, vooral de voor- en de napret. En dat is nu net wat weg is als je dementeert. Er is een nu en er is een heel ver verleden, maar de pret over de Sinterklaasavond is weg zodra de visite de deur uit is. En dus krijgt mijn moeder bij elk pakje een gedicht. Niet dat ze nog weet welk cadeau er bij elk gedicht hoorde, maar waar de cadeaus opgaan in het dagelijks leven, blijven de gedichten iets opvallends. Napret op papier.
woensdag 4 augustus 2010
Taart en eten
Tegenwoordig doe ik het niet meer, mijn moeder vertellen dat ik de volgende dag kom.Ik gun haar best de voorpret, een belangrijk ingrediënt van geluk las ik onlangs, maar die is steeds vaker overschaduwd door de onrust die ze erdoor voelt.
Als je hoofd niet meer precies doet wat het deed, gooit het tijden en dagen door elkaar. Ook al staat de datumklok te tikken op de kast, hoe kun je zeker weten dat je het goed opgeschreven hebt? Beter kun je het nog maar een keertje checken en dus bel je even. En als je een kwartier later – wat is eigenlijk een kwartier – het briefje nog eens tegenkomt, kun je dan zeker weten dat het klopt wat daar staat? Een telefoontje brengt altijd uitkomst. Al groeit meteen ook weer de twijfel. Heb ik wel gebeld? En waar hebben we het dan over gehad? Moeten we nog iets afspreken?
Dat de telefoon om de haverklap gaat is wat onhandig voor mij, maar het tekent vooral de onrust aan de andere kant van de lijn. En dus doe ik zoveel mogelijk bij verrassing tegenwoordig. Maar nu is er een dilemma. Taart en eten. Voor de meesten is allebei erg goed mogelijk, maar voor mijn moeder is het net wat teveel. Dus overleggen we hier thuis wat het beste is. En daarna overleg ik met haar wat zij het liefste zou willen. Uiteindelijk blijkt mijn inschatting te kloppen. Natuurlijk had ik haar liever naast me aan tafel gehad bij het eten. Pratend en luid lachend zoals ze dat altijd deed. Aanstekelijk genietend. Ze zou wel genieten, van het mooie uitzicht, of, zoals vorig jaar, van de grote kroonluchter. Maar ze zou ook snel moe worden van de geluiden, van alle beelden, van de constant nieuwe indrukken, elke minuut weer. En na een half uur zou ze toch wel erg graag, als het niet teveel moeite is, terug naar huis.
“Ik kom liever taart eten”, zegt ze dan ook als ik haar de keuze voorleg. “Gewoon gezellig bij jullie.” Een wijs besluit, ons thuis is voor haar al uit. En toch ook een beetje thuis, doordat de sfeer, de meubels en de lange rijen boeken in de kamer, voelen als iets wat ze al heel lang kent. En dat is een wonder in de wereld die in haar hoofd elke dag verandert.
Als je hoofd niet meer precies doet wat het deed, gooit het tijden en dagen door elkaar. Ook al staat de datumklok te tikken op de kast, hoe kun je zeker weten dat je het goed opgeschreven hebt? Beter kun je het nog maar een keertje checken en dus bel je even. En als je een kwartier later – wat is eigenlijk een kwartier – het briefje nog eens tegenkomt, kun je dan zeker weten dat het klopt wat daar staat? Een telefoontje brengt altijd uitkomst. Al groeit meteen ook weer de twijfel. Heb ik wel gebeld? En waar hebben we het dan over gehad? Moeten we nog iets afspreken?
Dat de telefoon om de haverklap gaat is wat onhandig voor mij, maar het tekent vooral de onrust aan de andere kant van de lijn. En dus doe ik zoveel mogelijk bij verrassing tegenwoordig. Maar nu is er een dilemma. Taart en eten. Voor de meesten is allebei erg goed mogelijk, maar voor mijn moeder is het net wat teveel. Dus overleggen we hier thuis wat het beste is. En daarna overleg ik met haar wat zij het liefste zou willen. Uiteindelijk blijkt mijn inschatting te kloppen. Natuurlijk had ik haar liever naast me aan tafel gehad bij het eten. Pratend en luid lachend zoals ze dat altijd deed. Aanstekelijk genietend. Ze zou wel genieten, van het mooie uitzicht, of, zoals vorig jaar, van de grote kroonluchter. Maar ze zou ook snel moe worden van de geluiden, van alle beelden, van de constant nieuwe indrukken, elke minuut weer. En na een half uur zou ze toch wel erg graag, als het niet teveel moeite is, terug naar huis.
“Ik kom liever taart eten”, zegt ze dan ook als ik haar de keuze voorleg. “Gewoon gezellig bij jullie.” Een wijs besluit, ons thuis is voor haar al uit. En toch ook een beetje thuis, doordat de sfeer, de meubels en de lange rijen boeken in de kamer, voelen als iets wat ze al heel lang kent. En dat is een wonder in de wereld die in haar hoofd elke dag verandert.
Labels:
feest,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning,
telefoon
woensdag 28 juli 2010
Het mooiste cadeau
Zelden nog belt ze uit zichzelf, maar nu staat er echt MAM in het venster van mijn telefoon. Ik neem op, verwacht verwarring of een moeilijke vraag. “Morgen heb je het vast druk, dus ik bel nu alvast. Van harte gefeliciteerd!” Een half uur later belt ze weer. “Ik was abuis, geloof ik he? Een dag te vroeg.” “Nee hoor, je belde alvast voor morgen, zei je.” En zo herhaalt zich dat nog een paar keer.
De volgende ochtend echter gaat de telefoon voor dag en dauw. “Van harte gefeliciteerd!” “Zo, jij bent er vroeg bij.” “Ja, ik dacht: straks ben je vast op pad, dus ik bel maar vroeg.” Dat ik nu eigenlijk nog had willen slapen, vertel ik maar even niet. Het is ook niet nodig. Het mooiste cadeau heeft nooit een ‘maar’. En dit is, al sinds een paar jaar, het allermooiste cadeau dat ik kan krijgen, dat mijn moeder op deze dag weet dat ik jarig ben.
De volgende ochtend echter gaat de telefoon voor dag en dauw. “Van harte gefeliciteerd!” “Zo, jij bent er vroeg bij.” “Ja, ik dacht: straks ben je vast op pad, dus ik bel maar vroeg.” Dat ik nu eigenlijk nog had willen slapen, vertel ik maar even niet. Het is ook niet nodig. Het mooiste cadeau heeft nooit een ‘maar’. En dit is, al sinds een paar jaar, het allermooiste cadeau dat ik kan krijgen, dat mijn moeder op deze dag weet dat ik jarig ben.
woensdag 14 juli 2010
De barbecue
Sinds mijn moeder in het verzorgingshuis woont, heeft ze een helder dagritme met vaste koffie- en etenstijden. Ik zou er van gruwen, maar mijn moeder vaart er wel bij. Sterker nog: die had ze vroeger ook altijd al. Mijn moeder houdt van de klok, ze heeft er dan ook minstens drie in haar kamer staan, plus een wekker en natuurlijk een horloge.
Dat nieuwe ritme is er dan ook al snel ingesleten. Wanneer ik haar eens aan de telefoon heb, wordt er aan haar deur gebeld. “Gaat u mee naar beneden, koffie drinken?”, vraagt een vriendelijke stem. “Dat vragen ze anders nooit hoor”, verklapt mijn moeder mij. Dat verbaast me niets. Uit de verhalen weet ik dat mijn moeder al voor koffietijd keurig zit te wachten bij de koffiekamer. Want aan te laat komen heeft ze een hekel. De vriendelijke stem staat dus dagelijks voor niets aan de deur.
Omdat ik weet dat ze al vroeg op pad gaat, bel ik haar net na het ontbijt. Net na háár ontbijt, het mijne is vandaag wat later. Vrolijk neemt ze op. “Warm is het he?”, zegt ze. “Ja, hier ook. Is het een beetje uit te houden daar?”, vraag ik. “Gelukkig heb ik de zon pas laat”, weet ze. “Maar als het me te erg word, ga ik even op de gang lopen. Die is koeler, daar zitten bijna geen ramen in.” Zo babbelen we verder, over alledaagse dingen. Dit keer heb ik ook een gerichte vraag. “Ik heb post gekregen, of je mee wil doen aan een landendag en aan een barbecue.” “O, wat raar dat ze dat naar jou sturen. Ik heb niets gehad!” “Dat is omdat ik het moet betalen”, reageer ik snel. “Dus wil ik even weten of je wil gaan.” “Wat is het dan? Wat doen ze daar?” De vorige landendagen zijn alweer weggezakt. In plaats van zomaar wat muziek, wordt er een hele dag rondom een thema verzorgd. Met dans, muziek, een modeshow en eten uit het land waar het om gaat. Een uitje in eigen huis voor de bewoners. Voorgaande keren heeft mijn moeder ervan genoten, dus neem ik aan dat ze dit keer ook zal willen. “De rest van de groep gaat ook, weet ik van de vorige keer.” “O. En wanneer is dat dan?” Na wat geharrewar over data roer ik toch ook de barbecue maar aan. De laatste barbecue met haar die ik me herinner is alweer jaren geleden. De verjaardag van haar man, bowlen met barbecue toe. Als een ware wachter stond ik naast haar bij de doe-het-zelf-grillplaat, want haar gevoel voor tijd was ze toen al kwijt. Uit angst voor aangebrand vlees gaf ze het niet eens de kans om warm te worden.
Maar bij deze barbecue hoeft ze zelf niet aan de slag. Hier staan koks achter het rooster en is het haar taak om de hapjes samen met alle andere bewoners gezellig weg te werken. “De barbecue is eind augustus.” Maar haar aandacht is allang verslapt. “Hoe is het met de mannen?” vraagt ze me. “Goed hoor, ook warm natuurlijk.” “Ja, het is erg warm he. Hier ook. Bij jou ook?” Ze voelt zich weer op vertrouwd terrein en babbelt vrolijk verder. Over die barbecue heb ik het maar niet meer. Ik meld haar wel aan, als de rest van haar groep ook gaat tenminste.
Dat nieuwe ritme is er dan ook al snel ingesleten. Wanneer ik haar eens aan de telefoon heb, wordt er aan haar deur gebeld. “Gaat u mee naar beneden, koffie drinken?”, vraagt een vriendelijke stem. “Dat vragen ze anders nooit hoor”, verklapt mijn moeder mij. Dat verbaast me niets. Uit de verhalen weet ik dat mijn moeder al voor koffietijd keurig zit te wachten bij de koffiekamer. Want aan te laat komen heeft ze een hekel. De vriendelijke stem staat dus dagelijks voor niets aan de deur.
Omdat ik weet dat ze al vroeg op pad gaat, bel ik haar net na het ontbijt. Net na háár ontbijt, het mijne is vandaag wat later. Vrolijk neemt ze op. “Warm is het he?”, zegt ze. “Ja, hier ook. Is het een beetje uit te houden daar?”, vraag ik. “Gelukkig heb ik de zon pas laat”, weet ze. “Maar als het me te erg word, ga ik even op de gang lopen. Die is koeler, daar zitten bijna geen ramen in.” Zo babbelen we verder, over alledaagse dingen. Dit keer heb ik ook een gerichte vraag. “Ik heb post gekregen, of je mee wil doen aan een landendag en aan een barbecue.” “O, wat raar dat ze dat naar jou sturen. Ik heb niets gehad!” “Dat is omdat ik het moet betalen”, reageer ik snel. “Dus wil ik even weten of je wil gaan.” “Wat is het dan? Wat doen ze daar?” De vorige landendagen zijn alweer weggezakt. In plaats van zomaar wat muziek, wordt er een hele dag rondom een thema verzorgd. Met dans, muziek, een modeshow en eten uit het land waar het om gaat. Een uitje in eigen huis voor de bewoners. Voorgaande keren heeft mijn moeder ervan genoten, dus neem ik aan dat ze dit keer ook zal willen. “De rest van de groep gaat ook, weet ik van de vorige keer.” “O. En wanneer is dat dan?” Na wat geharrewar over data roer ik toch ook de barbecue maar aan. De laatste barbecue met haar die ik me herinner is alweer jaren geleden. De verjaardag van haar man, bowlen met barbecue toe. Als een ware wachter stond ik naast haar bij de doe-het-zelf-grillplaat, want haar gevoel voor tijd was ze toen al kwijt. Uit angst voor aangebrand vlees gaf ze het niet eens de kans om warm te worden.
Maar bij deze barbecue hoeft ze zelf niet aan de slag. Hier staan koks achter het rooster en is het haar taak om de hapjes samen met alle andere bewoners gezellig weg te werken. “De barbecue is eind augustus.” Maar haar aandacht is allang verslapt. “Hoe is het met de mannen?” vraagt ze me. “Goed hoor, ook warm natuurlijk.” “Ja, het is erg warm he. Hier ook. Bij jou ook?” Ze voelt zich weer op vertrouwd terrein en babbelt vrolijk verder. Over die barbecue heb ik het maar niet meer. Ik meld haar wel aan, als de rest van haar groep ook gaat tenminste.
zondag 30 mei 2010
Moederdag
Het is moederdag. Niet dat dat hier in huis tot grote feesten leidt en ook vroeger was het geen reden om de trein te pakken voor een dagje pa en ma. Maar om het nu helemaal ongemerkt voorbij te laten gaan stuit me inmiddels toch tegen de borst en dus kondig ik aan dat we pannenkoeken gaan eten met oma. Okee, prima, doen we. Vlak voor vertrek bel ik uit voorzorg toch maar naar het pannenkoekenrestaurant. Want al is het dan moederdag, ik verdenk al die gezinnen ervan dat ze voor de gezelligheid achter die wagenwielen neerstrijken, met als bonus voor moeder dat ze niet hoeft te koken en af te ruimen cq –wassen.
En ik heb gelijk, zegt mijn gevoel. Het pannenkoekenhuis tuuttuuttuut veelvuldig en nogal snel, elke keer als ik bel. Okee, ander pannenkoekenhuis. Weet ik het te vinden, is de eerste vraag die ik mezelf stel. En dan weer mijn belrondje. Weer tuut tuut tuut, een stuk langzamer nu, maar tijd om op te nemen blijkt er niet te zijn. Of de tent is inmiddels als gevolg van de crisis gesloten, dat sluit ik niet uit. Tijd voor een heel snel plan b, maar dat tover ik gezwind uit mijn hoed. “Zoon, blijf maar thuis, ik haal oma op en haal chinees. Vindt ze ook heerlijk.”
Zoon verdwijnt weer naar boven, ik klim in de telefoon om mijn komst in het verzorgingshuis aan te kondigen en spring in de auto. Wanneer ik aankom, stapt net mijn moeder de hoek om. “Ha, ben je daar?” Ze staat al helemaal klaar. Ik vertel haar van het plan. “Gezellig en lekker. Ik houd wel van chinees.”
Net als al die andere moeders die geen al te kleine kinderen meer hebben, blijkt als ik bij ‘onze’ chinees binnenstap. Ze maken beslist in één avond een jaaromzet. “Hoe lang gaat het duren?”, vraag ik als ik bestel. “Twintig minuten”, antwoordt het meisje achter de balie resoluut. “Dan ben ik over twintig minuten terug.”
Ik verdwijn naar de auto, waar mijn moeder keurig zit te wachten. Het geeft ons heerlijke praattijd en een kleine twintig minuten later keer ik terug in de zaak. Mijn menu staat nog niet klaar en ik zie ook niet direct heel andere gezichten dan daarnet. Ik besluit nog maar even rustig te wachten. Af en toe kijk ik bezorgd buiten om te zien of mijn moeder niet is gaan dwalen, maar nee, die blijft rustig zitten. Het nummersysteem is mijn volkomen onduidelijk, dus weggaan durf ik niet. Uiteindelijk krijg ik een tasje eten, na 55 minuten wachten. Blij keer ik terug bij de auto, alvast roepend dat het zo vreselijk druk was.
“O kind, wat ben ik blij dat je er bent!”, roept mijn moeder uit terwijl haar blik benauwder is dan ik ooit gezien heb. “Was je me kwijt?” “Nee, maar ik moet zo vreselijk naar de wc”, brengt ze nog net uit. “Gauw naar huis.” Gelukkig is het niet ver, maar wel bedekt met verkeersdrempels, de route naar mijn huis. Ze vertelt dat ze nog even geprobeerd had om ergens een wc te vinden, maar ze was bang dat ik haar kwijt zou zijn. Ik beaam het en ben zielsblij dat ze dat niet gedaan heeft. Niet alleen zou ik haar kwijt zijn, maar zij mij ook en hoe konden we elkaar dan weer vinden? Dat ik bij de Chinees was, was ze inmiddels alweer vergeten.
Thuisgekomen open ik de huisdeur en toiletdeur en haal dan het eten uit de auto. Helemaal opgelucht verschijnt mijn moeder aan tafel. Het benauwde avontuur verdwijnt als de borden staan en de geuren opstijgen. Vanaf dat moment genieten we vooral van een gezellige moederdagmaaltijd.
En ik heb gelijk, zegt mijn gevoel. Het pannenkoekenhuis tuuttuuttuut veelvuldig en nogal snel, elke keer als ik bel. Okee, ander pannenkoekenhuis. Weet ik het te vinden, is de eerste vraag die ik mezelf stel. En dan weer mijn belrondje. Weer tuut tuut tuut, een stuk langzamer nu, maar tijd om op te nemen blijkt er niet te zijn. Of de tent is inmiddels als gevolg van de crisis gesloten, dat sluit ik niet uit. Tijd voor een heel snel plan b, maar dat tover ik gezwind uit mijn hoed. “Zoon, blijf maar thuis, ik haal oma op en haal chinees. Vindt ze ook heerlijk.”
Zoon verdwijnt weer naar boven, ik klim in de telefoon om mijn komst in het verzorgingshuis aan te kondigen en spring in de auto. Wanneer ik aankom, stapt net mijn moeder de hoek om. “Ha, ben je daar?” Ze staat al helemaal klaar. Ik vertel haar van het plan. “Gezellig en lekker. Ik houd wel van chinees.”
Net als al die andere moeders die geen al te kleine kinderen meer hebben, blijkt als ik bij ‘onze’ chinees binnenstap. Ze maken beslist in één avond een jaaromzet. “Hoe lang gaat het duren?”, vraag ik als ik bestel. “Twintig minuten”, antwoordt het meisje achter de balie resoluut. “Dan ben ik over twintig minuten terug.”
Ik verdwijn naar de auto, waar mijn moeder keurig zit te wachten. Het geeft ons heerlijke praattijd en een kleine twintig minuten later keer ik terug in de zaak. Mijn menu staat nog niet klaar en ik zie ook niet direct heel andere gezichten dan daarnet. Ik besluit nog maar even rustig te wachten. Af en toe kijk ik bezorgd buiten om te zien of mijn moeder niet is gaan dwalen, maar nee, die blijft rustig zitten. Het nummersysteem is mijn volkomen onduidelijk, dus weggaan durf ik niet. Uiteindelijk krijg ik een tasje eten, na 55 minuten wachten. Blij keer ik terug bij de auto, alvast roepend dat het zo vreselijk druk was.
“O kind, wat ben ik blij dat je er bent!”, roept mijn moeder uit terwijl haar blik benauwder is dan ik ooit gezien heb. “Was je me kwijt?” “Nee, maar ik moet zo vreselijk naar de wc”, brengt ze nog net uit. “Gauw naar huis.” Gelukkig is het niet ver, maar wel bedekt met verkeersdrempels, de route naar mijn huis. Ze vertelt dat ze nog even geprobeerd had om ergens een wc te vinden, maar ze was bang dat ik haar kwijt zou zijn. Ik beaam het en ben zielsblij dat ze dat niet gedaan heeft. Niet alleen zou ik haar kwijt zijn, maar zij mij ook en hoe konden we elkaar dan weer vinden? Dat ik bij de Chinees was, was ze inmiddels alweer vergeten.
Thuisgekomen open ik de huisdeur en toiletdeur en haal dan het eten uit de auto. Helemaal opgelucht verschijnt mijn moeder aan tafel. Het benauwde avontuur verdwijnt als de borden staan en de geuren opstijgen. Vanaf dat moment genieten we vooral van een gezellige moederdagmaaltijd.
maandag 1 februari 2010
Bloemen
Ik bel mijn moeder:
“Heleen is bijna jarig.”
“O kind, dat wist ik niet.”
“Wil je een kaart sturen?”
“Ja, maar ik heb er geen.”
“Zal ik er dan een sturen, van ons samen?”
“Graag!”
Een paar dagen later zal Heleen langskomen, weet ik. Ik vraag wat mijn moeder haar cadeau zou willen geven. We komen uit op een mooie bos bloemen. Dus ga ik op maandagochtend naar de bloemist, die gelukkig nog wat mooie bossen heeft staan. Net een paar van mijn favorieten in zonnige kleuren. De bloemiste maakt er een vrolijk boeket van en met de bloemen en een bakje hyacinthen rijd ik naar mijn moeder. Die is blij verrast als ze me ziet. Maar Heleen blijkt er niet te zijn. Ik denk dat ik haar misgelopen ben, maar na een tijdje krijg ik het vermoeden dat ze nog helemaal niet geweest is. Er zit een vlek in mijn moeders bloes. Dat zou Heleen nooit hebben laten gebeuren.
Dan komt ze vast vanmiddag, verwacht ik.
“Laat de bloemen dan maar hier, dan geef ik ze wel”, zegt mijn moeder. Uit voorzorg schrijft ze er een kaartje bij en een grote H op het papier. Ik vind het een fijn idee, zo kan ze zelf een cadeau aan Heleen geven.
En ach, denk ik nog, als ze het helemaal vergeet, heeft mijn moeder er in elk geval zelf plezier van.
Uren later gaat de telefoon. Heleen. “Bedankt voor de bloemen.” Wat een schitterend cadeau! Niet die bloemen, al waren die ook mooi, maar het beste cadeau is dat mijn moeder even onthouden heeft dat Heleen jarig was en dat die bloemen voor haar waren. Ook al stond dat op het kaartje.
“Heleen is bijna jarig.”
“O kind, dat wist ik niet.”
“Wil je een kaart sturen?”
“Ja, maar ik heb er geen.”
“Zal ik er dan een sturen, van ons samen?”
“Graag!”
Een paar dagen later zal Heleen langskomen, weet ik. Ik vraag wat mijn moeder haar cadeau zou willen geven. We komen uit op een mooie bos bloemen. Dus ga ik op maandagochtend naar de bloemist, die gelukkig nog wat mooie bossen heeft staan. Net een paar van mijn favorieten in zonnige kleuren. De bloemiste maakt er een vrolijk boeket van en met de bloemen en een bakje hyacinthen rijd ik naar mijn moeder. Die is blij verrast als ze me ziet. Maar Heleen blijkt er niet te zijn. Ik denk dat ik haar misgelopen ben, maar na een tijdje krijg ik het vermoeden dat ze nog helemaal niet geweest is. Er zit een vlek in mijn moeders bloes. Dat zou Heleen nooit hebben laten gebeuren.
Dan komt ze vast vanmiddag, verwacht ik.
“Laat de bloemen dan maar hier, dan geef ik ze wel”, zegt mijn moeder. Uit voorzorg schrijft ze er een kaartje bij en een grote H op het papier. Ik vind het een fijn idee, zo kan ze zelf een cadeau aan Heleen geven.
En ach, denk ik nog, als ze het helemaal vergeet, heeft mijn moeder er in elk geval zelf plezier van.
Uren later gaat de telefoon. Heleen. “Bedankt voor de bloemen.” Wat een schitterend cadeau! Niet die bloemen, al waren die ook mooi, maar het beste cadeau is dat mijn moeder even onthouden heeft dat Heleen jarig was en dat die bloemen voor haar waren. Ook al stond dat op het kaartje.
woensdag 6 januari 2010
Hiep hiep hoera!
Het is al twaalf uur als ik het verzorgingshuis binnenstap, mijn armen vol bloemen en cake. Eerder heb ik al geprobeerd te bellen, maar ze was er niet. Daarom loop ik meteen door naar de groep waar ik haar inderdaad zie zitten, achter een kop tomatensoep. Ze kijkt verrast op. Wat kom ik nu toch doen op zo’n gekke tijd? “Ik kom voor je verjaardag, van harte gefeliciteerd!” “Kind, ben ik jarig? Ik had er geen idee van.” Vlak voor haar staat een grote fles doucheschuim met een fraaie strik erom en een vrolijke verjaarskaart van de hele groep. Ik laat haar even rustig eten en ga naar haar flat om de bloemen te verzorgen.
Op haar aanrecht vind ik nog een bos. In de kasten speur ik naar vazen en gelukkig blijkt ze er precies twee te hebben. Ik pak een mesje en precies zoals de bloemist het mij heeft geleerd, snijd ik de stelen van de rozen schuin af. Zo handig als hij ben ik nog niet, dus als mijn moeder een half uur later haar hoofd om de deur steekt, ben ik net klaar. Even flitst het nog door me heen dat het haar totaal niet verbaast dat ik daar ben. Wel vaker realiseer ik mij dat het lijkt alsof ze denkt dat ik daar ook woon. In dat een-kamerflatje.
De bloemen staan en ik plant mijn moeder op de bank. “Jij bent jarig, dus ik maak koffie.” “Ben ik jarig? Dat wist ik niet. Ik heb niets in huis!” Gelukkig wist ik dat en heb ik heerlijke cake meegenomen. Ik zet een kop koffie en zoek voor mezelf de waterkoker voor een vers kop thee. We genieten van de koffie, thee en cake en praten over de bloemen, de vogels buiten en de verlichte kerstboom waar ze op uit kijkt. Het blijkt een heel andere boom te zijn dan ik aan de telefoon steeds in gedachten had als ze het weer eens noemde.
Aangezien elk onderwerp, inclusief de mooie kerstboom en onze verbazing hoe iemand zó hoog lampjes in een boom kan hangen, wel vijf keer voorbijkomt, gaat de tijd best snel. Zoon is niet mee vanwege zijn vuurwerkongeluk, waar ik dit keer toch maar voorzichtig over vertel. Maar de oud-verpleegster die mijn moeder nog altijd is, schiet niet in paniek. Ik stel haar in dezelfde adem als de mededeling dat zijn gezicht verbrand is meteen gerust dat de vooruitzichten goed zijn. En dat gelooft ze ook wel, zoveel weet ze er nog van. Uiteindelijk is hij de reden dat ik na een paar uur eens opstap. Bovendien kan ze dan toch nog even slapen voor ze weer naar haar ‘cursus’ gaat. In tijden van drukte in haar hoofd, kondigt ze me altijd aan dat ze eens even met die cursussen stopt. Het is haar veel te druk. Maar meestal geeft het haar juist gezelligheid en vooral een fijne dagstructuur. Zelfs op haar verjaardag, al weet ze niet meer dat het dat vandaag is.
Dat geeft helemaal niets, de anderen onthouden het ook niet. En dus zingen ze allemaal drie keer “Lang zal ze leven” wanneer ’s middags de koffie met cake geserveerd wordt.
Op haar aanrecht vind ik nog een bos. In de kasten speur ik naar vazen en gelukkig blijkt ze er precies twee te hebben. Ik pak een mesje en precies zoals de bloemist het mij heeft geleerd, snijd ik de stelen van de rozen schuin af. Zo handig als hij ben ik nog niet, dus als mijn moeder een half uur later haar hoofd om de deur steekt, ben ik net klaar. Even flitst het nog door me heen dat het haar totaal niet verbaast dat ik daar ben. Wel vaker realiseer ik mij dat het lijkt alsof ze denkt dat ik daar ook woon. In dat een-kamerflatje.
De bloemen staan en ik plant mijn moeder op de bank. “Jij bent jarig, dus ik maak koffie.” “Ben ik jarig? Dat wist ik niet. Ik heb niets in huis!” Gelukkig wist ik dat en heb ik heerlijke cake meegenomen. Ik zet een kop koffie en zoek voor mezelf de waterkoker voor een vers kop thee. We genieten van de koffie, thee en cake en praten over de bloemen, de vogels buiten en de verlichte kerstboom waar ze op uit kijkt. Het blijkt een heel andere boom te zijn dan ik aan de telefoon steeds in gedachten had als ze het weer eens noemde.
Aangezien elk onderwerp, inclusief de mooie kerstboom en onze verbazing hoe iemand zó hoog lampjes in een boom kan hangen, wel vijf keer voorbijkomt, gaat de tijd best snel. Zoon is niet mee vanwege zijn vuurwerkongeluk, waar ik dit keer toch maar voorzichtig over vertel. Maar de oud-verpleegster die mijn moeder nog altijd is, schiet niet in paniek. Ik stel haar in dezelfde adem als de mededeling dat zijn gezicht verbrand is meteen gerust dat de vooruitzichten goed zijn. En dat gelooft ze ook wel, zoveel weet ze er nog van. Uiteindelijk is hij de reden dat ik na een paar uur eens opstap. Bovendien kan ze dan toch nog even slapen voor ze weer naar haar ‘cursus’ gaat. In tijden van drukte in haar hoofd, kondigt ze me altijd aan dat ze eens even met die cursussen stopt. Het is haar veel te druk. Maar meestal geeft het haar juist gezelligheid en vooral een fijne dagstructuur. Zelfs op haar verjaardag, al weet ze niet meer dat het dat vandaag is.
Dat geeft helemaal niets, de anderen onthouden het ook niet. En dus zingen ze allemaal drie keer “Lang zal ze leven” wanneer ’s middags de koffie met cake geserveerd wordt.
Abonneren op:
Posts (Atom)