Posts tonen met het label hulpmiddelen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hulpmiddelen. Alle posts tonen

zondag 15 januari 2012

Een brief met een rand - vervolg

Mijn moeder zit al in de grote huiskamer als ik aankom. Misschien ook wel goed. Dan is ze in ieder geval niet alleen wanneer ik weer wegga. “Heb je iets voor me meegenomen?”, vraagt ze al snel. Hoe kan ze dat weten, schiet door me heen, maar het maakt niet uit, ik open mijn tas. Ik geef haar de kopie van de rouwkaart.

Ze schrikt. Even denkt ze dat het mijn neef betreft, maar dan begrijpt ze dat het zijn vader is, haar zwager. Ze schrikt opnieuw, want in haar beleving is hij nog niet zo oud. “Wat erg voor Anne”, verzucht ze. “Ze heeft al zoveel meegemaakt. Nu is ze helemaal alleen.” Ik slik een brok weg. Anne is nu net zo alleen als mijn moeder, zou ze dat bedoelen? Zou ze bedoelen dat ze het zelf elke ochtend zo zwaar vindt om in haar eentje wakker te worden, zonder iemand die zachtjes “goedemorgen” prevelt? Die alvast het koffiezetapparaat aanzet terwijl zij haar haren schikt en die haar boterham gesmeerd en gesneden voor haar neerzet wanneer ze op haar plekje op de bank neerzakt, met de krant naast zich.

Dat ben ik, die al die plaatjes op elkaar plakt. Mijn moeder denkt alleen maar aan haar zus. “Ga jij erheen?”, vraagt ze. Ik knik. “Dan wil ik wel graag met je mee. Ik zie er niet overheen om alleen te gaan.” “Nee, natuurlijk niet. Je gaat daar toch niet alleen naar toe, dan haal ik je op”, stel ik haar gerust. “Op dit soort momenten moet je achter elkaar staan”, zegt ze beslist. “Dat klopt niet he? Achter elkaar klinkt een beetje vreemd. Naast elkaar, dat bedoel ik. Je snapt me wel he?” “Ja mam, ik begrijp het helemaal. Achter elkaar vind ik ook mooi klinken.”

“O, o, overleden. Hoe oud was hij? Drieëntachtig? Dat is ook al een hele leeftijd.” Ik realiseer me dat het niet eens zoveel ouder is dan mijn moeder zelf, maar gelukkig lijkt mijn moeder daar nog ver van verwijderd. “Ga jij naar de begrafenis? Dan wil ik graag meerijden.” “Ja, mam, dat is goed. Maar ik wil nog even met Anne overleggen.” “Dat is een goed idee. Misschien vindt ze het veel fijner als ik een ander moment kom”, bedenkt mijn moeder. “Ik zal haar in ieder geval bellen.” Ik vermoed dat ze dat over een paar uur wel vergeten zal zijn, maar ik neem me voor toch met Anne te overleggen wat ze wil.

De volgende dag bel ik mijn nicht en leg haar mijn dilemma voor. We komen er niet helemaal uit. “Mail mijn moeder”, stelt ze voor. “Ik spreek haar straks, dan heeft ze even tijd om erover na te denken.” Annes antwoord is snel en helder. Ik begin mijn planning voor de dag van de begrafenis. Eerst een telefoontje naar Heleen. Die denkt meteen mee en belooft de kleding klaar te hangen. “En dan ga ik later deze week nog even langs om te kijken hoe het gaat. Ze zal wel een paar dagen van slag zijn.” Wanneer ik David spreek, blijkt dat hij op de dag van de uitvaart een officiële bespreking met zijn projectgroep heeft. “Ik zal wel kijken of het ook zonder mij kan”, belooft hij. Ik plan alvast dat ik een rolstoel haal en langzaam groeit de dag in mijn hoofd. Ik krijg de tijden nog niet helemaal helder. Rust in het programma is belangrijk, om onrust bij mijn moeder te voorkomen. Maar als we al uren op pad zijn voordat het begint, vrees ik dat mijn moeder volkomen verward zal zijn van vermoeidheid, nog voor er een woord gesproken is. Ik besluit haar in ieder geval de rouwkaart in handen te geven onderweg, zodat ze steeds weer even kan zien waar we heengaan.

woensdag 14 december 2011

Verdwaald

“Het kan dus goed zijn dat wij dat helemaal niet mogen.” De vrouw zit tegenover me en kijkt me begripvol aan. “Je hebt het nog niet gekocht, toch?”, vraagt ze nog even voor de zekerheid. Nee, ik heb me alleen nog maar georiënteerd. Ik zoek een gps-systeem zodat mijn moeder traceerbaar is wanneer ze verdwaald is. Verdwaald betekent in dit geval: al wel erg lang aan het wandelen. Het is de eerste actie die ik nam nadat het verzorgingshuis me belde met de mededeling dat ik moest gaan uitkijken voor een ander huis voor mijn moeder, omdat ze steeds meer wandelt en soms blijkt te verdwalen.

Mijn moeder wandelt omdat ze van lopen en van de buitenlucht houdt en omdat ze niet meer kan fietsen. Voorheen, toen haar hoofd nog helder was, fietste ze dagelijks vele kilometers. Uitwaaien langs het kanaal, met halverwege een kopje koffie bij een restaurant op de route. Ze weet niet dat ze niet meer fietst, maar ze weet wel dat ze loopt. Want dat prijkt vet bovenaan haar lijst “Dingen die ik graag doe”. De mensen van Het Huis gunnen haar haar wandelrondjes wel, maar kunnen haar niet steeds gaan zoeken als ze na een uur nog niet is teruggekeerd. Met een gps-systeem hoeft er op zijn minst niet meer gezocht te worden, maar geeft de computer of een hippe smartphone meteen duidelijkheid over de verblijfplaats van mijn moeder. Met nog wat meer techniek kan ze vervolgens teruggepraat worden naar huis, zonder dat er iemand achter een balie vandaan hoeft te gaan. Sterker nog, dat kan ik zelfs, vanachter mijn bureau kilometers verderop.

Maar nu kan het dus zijn dat er een stokje voor gestoken wordt. “Het klinkt als een vrijheidsbeperkende maatregel en die mogen wij niet uitvoeren”, vertelt de vrouw. “Dus als ik het goed begrijp mag zo’n gps-systeem niet omdat het vrijheidsbeperkend is, met als gevolg dat mijn moeder naar een gesloten afdeling moet, waar ze helemaal niet meer kan wandelen, want gesloten afdelingen hebben vanwege de kosten nooit een tuin.” “Precies, zo zit het.”


Inmiddels is het een paar maanden later. Ik krijg een mail en ja, het is zoals de vrouw al vreesde. Het mag niet. Ze biedt me de maas in de wet, maar ik wil meer: een betere wet. Want wie die maas niet kan gebruiken wordt opgesloten, weggestopt.

vrijdag 11 november 2011

Speldjes

In het winkelcentrum is een nieuwe Hema geopend en daar wandelen we kalmpjes doorheen. “Kijk mam, grijze speldjes. Heb je die nog nodig?” Ik houd ze naast haar opgestoken haar en zie dat ze er goed bij kleuren. “Altijd handig. Maar ik heb geen tas bij me en dus ook geen geld.” “Ik schiet wel even voor.” “Dat is goed, maar ik betaal het straks terug hoor.” Ik loop achter de rolstoel met uitzicht op mijn moeders kapsel. Iedere medewerkster is altijd weer verbaasd als ze hoort dat mijn moeder dat dagelijks zelf voor elkaar maakt. Voor ze de deur uitgaat, wil ze ook altijd van me weten of haar haar nog wel goed zit.

Misschien is dat wel de reden dat de receptioniste vandaag tegen me zegt: “Ah, u bent de dochter van mevrouw Van Dijk”, als ik haar een invulstrookje overhandig. “Leuke vrouw, een beetje een dame.” “Ja, dat klopt wel. Ik ben de gewone in de familie”, grap ik maar. Mijn moeder een dame? Ik zie het niet direct, maar deze middag schittert het er af en toe inderdaad doorheen. Net even anders, maar niet hautain. Vind ik dan, maar ik kan bevooroordeeld zijn.

Het zit er al generaties in weet ik, als ik me zo de foto’s van mijn moeders voorouders in gedachten neem. Haar vader had het en haar grootvader, die toch, volgens de neef die ik gisteren sprak, een gewone vlasboer was. Maar ik herinner mij foto’s van mijn overgrootvader naast zijn broer: beiden vlasboer, maar ieder met een heel andere manier van staan. De ene als boer, een sterke werker, de ander ook sterk, maar vooral aanwezig. Het is mij totaal duidelijk: met mijn overgrootvader viel niet te spotten. Net zo min als met mijn grootvader, al had ik, als jongste en meest dwarse kleindochter, daar soms maling aan, iets wat hij ook wel kon waarderen, want was hij zelf ook niet zo?

Mijn moeder is milder, of meer: toont milder. Als dingen haar werkelijk niet zinnen, zal ze dat laten blijken. Altijd in het nette, nooit met grove taal, maar vooral in haar houding. Dan recht ze haar rug en krijgen haar ogen de felheid die haar tante al in haar baby-blik zag. Het is waar, daarin zie je de dame nog.

En in haar kapsel natuurlijk. Wanneer we in de groep zitten waar ze aan het eind van de middag koffie drinkt, kijkt ze me ineens nadenkend aan. “Krijg jij niet nog iets van mij?”, vraagt ze. Ik denk even na en herinner me dan de haarspeldjes. “Het was ongeveer een euro, maar ik kan het je ook schenken.” “Nee hoor, ik betaal het even terug.” In stilte verbaas ik me. Ze weet precies wat ze uit haar portemonnee tovert, maar bovenal is blijven hangen dat ze mij nog iets verschuldigd was. Meestal zeg ik “Ik schiet het wel even voor”, om vervelende situaties te voorkomen, maar blijkbaar moet ik daar toch mee uit gaan kijken. Mijn moeder onthoudt meer dan ik denk.

maandag 25 april 2011

Naar het terras

Nu het mooier weer is, probeer ik het erin te houden: een wandeling in plaats van koffie op de bank. En ook deze keer in het gelukt. Op internet heb ik de kortste wandelroute naar het terras uitgezocht. Het is hetzelfde cafeetje als waar we vroeger vaak zaten na het winkelen. Voor mij is het een kippeneindje, maar mijn moeder is dringend aan een stoel toe als we aankomen. Onderweg zijn we nog even gestopt om de rug te rechten. Volgens de specialist vergeet mijn moeder hoe ze moet lopen, waardoor haar lichaam niet meer de goede houding aanneemt. Dat kan het zijn, maar het kan ook vermoeidheid zijn, houd ik mezelf nog maar even voor. In ieder geval zet ik haar even stil als ik vind dat ze te ver voorover helt. Want dan wordt het lopen alleen maar zwaarder.

“Dat klopt”, beaamt mijn moeder. “Ik heb er zere handen van.” Ze hangt op de rollator. “Je moet hem ook niet voortduwen, mam. Hij is bedoeld voor houvast, niet als zware duwkar.” Uit eigen ervaring weet ik echter dat het helemaal niet gemakkelijk is om met een rollator te lopen. Weliswaar helpt het bij je evenwicht en geeft het enige steun en veiligheid, maar het kost veel kracht, vooral op de hobbelige, net niet rechte stoepen en straatjes die ons land rijk is. Bovendien staan de handvaten verkeerd, realiseer ik me. Je zet je polsen voortdurend in een vreemde knik om de handvaten vast te kunnen houden. De stang van een boodschappenkarretje duwt vele malen fijner dan de handvaten van een rollator. Geen nood, die handvaten kan ik verzetten.

Inmiddels zijn we bij het terras. Het is er warm, maar er staat gelukkig een klein beetje wind. In de halfschaduw drinken we wat sap en knabbelen we een appelflap weg. “Kijk, daar zijn ze aan het vissen”, merkt mijn moeder op. Net boven het muurtje langs het terras schiet de punt van een hengel omhoog. Steeds wanneer de vissende kinderen de hengel opnieuw uitgooien, ziet mijn moeder het voor de eerste keer. Ze geniet volop. “Hier heb ik nog nooit gezeten”, vertelt ze. “Maar binnen wel. Daar kwam ik weleens.” “Dat klopt, daar hebben we samen weleens koffie gedronken en ook wel gegeten.” Dat ze vorig jaar zomer uitgebreid ijs heeft gegeten op het terras is helaas alweer verdwenen.

Op mijn gemak kuieren we terug naar haar flat. Onderweg wijken we lachend uit voor een paar kinderen met waterpistolen en kletsnatte kleren. Het is pas lente, maar het voelt als zomer. We zakken nog even op een bankje en lopen daarna de laatste meters naar de deur. Onlangs verzuchtte mijn moeder tegen Heleen: “Jullie moeten maar geen leuke dingen meer met me doen, want ik vergeet het toch allemaal weer.” Zij misschien wel, maar wij niet. Iedere glimlach plakt zich vast in ons geheugen, want genieten kan ze nog steeds, met volle teugen. Eens even kijken op googlemaps, waar we de volgende keer heen kunnen wandelen.

zaterdag 16 april 2011

"En een knuffel voor Rikkie!"

Terwijl mijn moeder het zegt, glijdt de twijfel over haar gezicht. “Is Rikkie er nog wel?” “Nee mam, die is er al jaren niet meer.” Bijna vijfentwintig jaar geleden belde mijn moeder me op om te vertellen dat ze met Rikkie naar de dierenarts ging voor een spuitje. Vijftien was hij, was doof, had staar en inmiddels ook een verzameling kankergezwellen. Ontroostbaar was ik aan de andere kant van de lijn. Rikkie, de hond die ik als kind zo graag wilde hebben en die er tot mijn grote geluk ook kwam. Hij paste precies bij ons gezin: zwart met een witte bef. De perfecte hond voor een domineesgezin. Bovendien had hij de juiste hoogte: wanneer hij – altijd vrolijk – langs de lage tafel schurkte, sloeg zijn wapperende staart de asbak schoon en de tafel leeg. Eten? Dat scheen erbij te horen, maar Rikkie leefde van de liefde, zeiden wij altijd. Aaien en geknuffeld worden gingen boven bakken voer. Inmiddels leeft hij vooral nog in fotoboeken. Maar vandaag wandelde hij zomaar ineens weer ons hoofd binnen.

Bewegen is goed voor ieder mens en zeker ook voor mensen met dementie. Ik besluit op mijn wandelrondje mijn moeder mee te nemen. En dus stap ik in de auto en tuf op de bonnefooi naar haar toe. Gelukkig, ze is thuis. “Ik wilde net naar buiten gaan”, zegt ze als ik voor haar sta. “Dat komt mooi uit, want dat wil ik ook.” We lopen de parkeerplaats over en stappen het park in. De kwieke houding van zojuist is alweer verdwenen, dus wijs ik op de bankjes een eindje verder. We laten ons lekker in de zon achterover zakken en genieten van het groen, de sloot in de verte, de wandelende mensen en hee, een groepje honden. Een zwarte hond wordt losgelaten en rent onze kant op. “Net Rikkie”, zeg ik. “Inderdaad.” “Dat is net onze hond van vroeger”, zeg ik tegen de vrouw die hem schielijk terugfluit. “Het is niet erg, hij is leuk.”

We peuzelen een doosje rozijnen leeg en staan weer eens op. De energie is weer terug en daar gaan we weer. Nu nemen we een lastige route: een paadje naar beneden. Ik maan mijn moeder in de rem te knijpen en houd intussen haar arm vast. Alsof ik haar daaraan kan ophijsen als ze dreigt te vallen. Daar moeten we allebei hartelijk om lachen. Aan het eind van het pad helt de weg juist weer omhoog. Mijn moeder neemt een sprint en wil flink afzetten. Weer pak ik haar arm, nu om haar tegen te houden, want de naderende vrachtwagenchauffeur verwacht vast geen racerollator op zijn pad. Wanneer hij voorbij is, stappen we de weg over. De kracht is alweer op, de bankjes ook, dus besluiten we op huis aan te gaan.

We drinken wat en praten nog na. “Ik heb nog even geslapen”, vertelt mijn moeder. “En toen werd ik helemaal blij wakker: Ita komt zo!” Ik help haar niet uit de droom, beticht haar niet eens van voorspellende gaven. Het hoeft niet. Op dit moment geniet ze van de gedachte dat ze voorpret heeft gehad. “Zo jammer dat je dat soort dingen vaak vergeet”, zegt ze. “Daardoor mis je een boel plezier. Maar ik vind het erg gezellig dat je er bent.” Wanneer we afscheid nemen in de gang, zegt ze: “de groeten thuis!” Dat is de veilige weg, zodat ze niet hoeft te benoemen wie er bij mijn ‘thuis’ horen. “En een knuffel voor Rikkie!” We zwaaien tot we elkaar niet meer kunnen zien.

dinsdag 15 maart 2011

Alle dagen vla

Het duo aan de andere tafel is druk in gesprek. Hij klaagt, zij luistert. Uiteindelijk wordt me duidelijk waarom ze hier zijn: hun moeder zit in een van de kamers, in gesprek met de arts of verpleegkundige en zij, de volwassen kinderen, moeten wachten. Het is hun eerste bezoek aan de polikliniek geriatrie. Vooral de dochter hoopt op een heldere diagnose. Dan wordt het makkelijker om te begrijpen waarom moeder zo veranderd is, verwacht ze. Even later neemt tegenover me een ander tweetal plaats. Vader en dochter, schat ik zo in. Wat betekent dat zijn vrouw, haar moeder, nog ergens in gesprek is. Niemand kijkt op van mijn aanwezigheid als eenling. Behalve de arts, die even later de wachtkamer binnenstapt. Ze zoekt mijn moeder, maar die heb ik laten slapen.

Dat vertelt mijn moeder ook, wanneer ik even later bij haar langs ga. “Ik heb net heerlijk geslapen.” Logisch, dat doet ze al sinds jaar en dag even na het middageten. Om jaloers op te worden: ze ligt en slaapt. En na een half uur is ze helemaal verfrist. Wanneer ik binnenzeil, zit er een vrouw tegenover mijn moeder. Met lange lappen papier. Zij noemt een lijstje dingen, mijn moeder kiest er iets uit, de vrouw kruist het aan. Zo vullen ze samen het menu van de volgende week in. Vrijwel elke dag kiest mijn moeder aardappelpuree. “Hoho”, probeer ik even. “Kauwen is goed voor je hersens, weet ik.” “Je bedoelt dat ik aardappelen moet nemen in plaats van puree? Nou, daar zal ik dan eens over nadenken, maar doe nu maar puree.” “Ja zeg”, werp ik nog even tegen, “als je nu dus aardappelen neemt, kun je er beter over nadenken.” Het helpt weinig. Wel ontstaat er een nieuw voornemen: bij elk bezoek een appel meenemen, of ander knaagfruit, zodat we samen onze tanden ergens in kunnen zetten. Want het is waar, mijn moeder kiest overwegend eten dat op de tong smelt en salades komen niet voorbij in het menu. Wel is er de mogelijkheid om fruit toe te eten, maar mijn moeder heeft één grote favoriet: vanillevla. Hoewel, na een tijdje kiest ze één keer chocoladevla. “Dat vind ik minder lekker, maar het is goed voor de afwisseling.”

Wanneer de vrouw met de lijsten weg is, schenk ik een sapje in. Ieder een glas. Het is onverwacht warm en het koele sap is daarom meer dan welkom. Ik vertel over mijn bezoek aan de arts een uur geleden. Alle aspecten komen voorbij, zoals de medicijnen die afgebouwd gaan worden. Maar ook vertel ik hoe dementie het loopvermogen aantast en dat dat volgens de arts bij mijn moeder het geval kan zijn. “Lopen en evenwicht bewaren zijn ingewikkelde processen in je hersenen. Dementie tast je hersenen aan. Dat zie je eerst aan je geheugen, maar uiteindelijk ook aan dit soort ingewikkelde zaken. Daarom loop je moeilijker.” Mijn moeder knikt begrijpend, maar ik laat toch nog maar even zien wat er veranderd is. De eerste passen gaan nog wel, maar na een tijdje verdwijnt de fiere, rechte houding en helt mijn moeder voorover. Onlangs verzuchtte ze ook: “ik loop niet, ik val naar voren.” Toen ik haar rechtop zette, liep ze weer gewoon. Een klein stukje.

Hopelijk helpt de rollator bij de goede loophouding. In elk geval geeft het steun en minder kans om te vallen. Vervolgens moeten er rondjes gelopen worden. Iets wat nog maar kortgeleden uit het dagelijks patroon verdwenen lijkt. Geen nood. Dat kan met hulp ook weer teruggebracht worden. “Want bewegen is juist goed”, zei de arts. En die boodschap breng ik graag over.

“Triest is het”, zeg ik tegen mijn moeder. “Eigenlijk heb je alles gedaan waarvan men zegt dat het goed is, voldoende bewegen...”. “O ja, ik fietste elke dag. Dat gaat helaas niet meer.” “Klopt. En wandelen, deed je ook.” “Dat doe ik nog.” “Je at altijd gezond en toch heb je dementie gekregen.”
“Familiegenen, he”, vindt ze. “Het kon haast niet anders. Opa, mijn tante en nu ik. Ik merk wel dat ik dingen niet meer zo goed kan, maar ik wind me er maar niet over op. Wil jij nog wat sap?”

zondag 13 maart 2011

Twee benen zag Heleen

Twee benen, dat was alles wat ze zag toen ze binnenkwam, vertelt Heleen. Haar hart stond stil, maar toen ze om de hoek kwam, keken mijn moeders ogen haar verbijsterd aan. Hulp kwam snel en na een kort onderzoek van heupen, ledematen, rug en hoofd, werd mijn moeder voorzichtig overeind geholpen. Intussen was ik nietsvermoedend op weg naar Denemarken. Toen ik een paar dagen later bij thuiskomst hoorde over de val, belde ik meteen mijn moeder. Gevallen? Daar wist ze niets van. Maar moe, dat was ze wel. Ik trof haar nog net voordat ze om half negen haar bed in kroop, vertelde ze.

Werk moet maar even wachten. De volgende dag staat grotendeels in het teken van mijn moeder. Overleg met Heleen, overleg met de verzorging en een lang bezoek aan mijn moeder zelf, die vooral geniet, maar zichtbaar minder kan dan een paar maanden geleden. Ik zet koffie en pak koekjes. Zij zit in mijn stoel, zodat ze armleuningen heeft. Ik zit op haar plaats op de bank. Gek genoeg verlopen de gesprekken daardoor ook anders.

“Wil je nog een koekje?”, vraagt mijn moeder bij het tweede kopje koffie. “Nee, dank je. Of is het een hint? Wil je zelf nog?” “Willen wel, maar ik doe het niet”, antwoordt ze. “Ik word hier zo goed verzorgd, ik doe geen klap. Straks groei ik nog dicht.” Verbaasd kijk ik haar aan. Ze heeft namelijk volkomen gelijk. Al sinds haar aankomst in het huis hebben we haar garderobe een paar keer moeten aanpassen. Ieder seizoen heeft ze nieuwe broeken nodig. Bij ons bezoek aan het ziekenhuis werd ze gewogen. “66 kilo”, noteerde de arts. “Iet, hoor je dat?? Zes-en-zestig kilo”, riep ze verschrikt vanaf de weegschaal. Die schrik werkt zeker nog door.

De schrik van het vallen is ze echter helemaal kwijt. Reconstruerend kwamen we tot de conclusie dat ze er nog maar net gelegen moet hebben, zich amper beseffend wat er gebeurd was. Het voordeel is dat het daardoor niet beklijft. Grote schrik en angstige situaties blijven ook in een dementerend brein lange tijd aanwezig. Het nadeel is dat ze daardoor moeilijk te bewegen is om nu eindelijk de rollator of de wandelstok mee te nemen als ze op pad gaat.

Intussen praten we rustig door. We hebben alle tijd deze middag. “Het is wel vreemd”, zegt mijn moeder. “Wat is vreemd?” “Alles, eigenlijk. Maar dat is ook niet zo gek”, vindt ze zelf. Aanvullen hoeft niet. Ze woont er immers nog maar net, ze moet nog wennen. De drie jaar dat ze nu in deze flat woont, voelen voor haar als drie weken. En wie voelt zich na drie weken nu helemaal thuis en vertrouwd in een totaal nieuwe omgeving? Zij in elk geval niet.
“Vind jij dat wij een goed contact hebben?”, vraagt ze ineens heel rechtstreeks. “Ja, absoluut”, flap ik eruit. “Dat is fijn. Dat vind ik namelijk ook, maar dat wil nog niet zeggen dat jij het ook zo ervaart”, antwoordt ze. Natuurlijk is het veranderd, dat snapt mijn moeder ook. Waar ik vroeger op haar leunde met vragen en zorgen, doet zij dat nu bij mij, al wil ze zeker geen last zijn. “Is het voor jou een moeten om naar mij toe te gaan?”, wil ze weten. Wat een indringende vragen deze middag. Eerlijk antwoord ik dat het soms moeilijk is, omdat ik er tijd en ruimte voor moet maken. Maar nee, als moeten wil ik het niet ervaren. En ik leg haar uit hoe ik ‘moeten’ heb omgedraaid tot ‘willen’. “Ik moest een keer naar je toe om boodschappen voor je te doen. En dat was maar één ding op mijn lijst van ‘moeten’ die dag. Een drukke dag dus. Maar toen besefte ik, naar aanleiding van een stuk dat ik gelezen had, dat ik dat moest omdat ik wil dat het goed met jou gaat. Ik wil dat jij goed verzorgd bent, en dus moeten er boodschappen komen”, vertel ik. “Dat scheelt”, weet mijn moeder. “Als je het doet omdat je het wilt, wordt de last veel lichter.” “Precies. Dus nee, ik moet niet komen, ik wil naar je toe komen, omdat ik weet dat het fijn voor je is. En ik wil graag dat het goed met je gaat.”

Ineens slaat het om. Ze kijkt op haar horloge en de onrust begint. Ik weet het inmiddels. Elke middag om half vier, zelfs zonder horloge zou ze de tijd voelen, gaat de knop om. Dan maakt ze zich op om naar de groep te gaan. Eerder heette die groep nog ‘cursus’, tegenwoordig noemt ze het ‘eten’. We stappen op, pakken jassen, tassen en sleutels. “En de rollator, mam. Omdat je de laatste tijd wankel op je benen staat, hebben we afgesproken dat je de rollator meeneemt als je de deur uitgaat.” Zonder morren pakt ze het karretje en rolt het de deur uit. Ik parkeer mijn tas in het mandje en samen lopen we de lange gang uit naar de lift.

zondag 5 december 2010

Het is winter!

Zo af en toe bellen Heleen en ik met elkaar. Eens even overleggen of wat doorgeven. Uiteindelijk blijkt het altijd veel meer te worden dan waarvoor we eigenlijk belden. Ook dit keer. Ik wil alleen even doorgeven dat de bewoners voortaan hun wc-papier van het huis krijgen. Dat scheelt een boel ruimte in de kast, al is het een zeer praktische kast, constateren we. Met bovenin een gedeelte waar je de zomerkleren weg kunt bergen zonder dat mijn moeder daar bij kan. En dat is nodig, want haar pyjama had ze toch weer uit een onzichbaar hoekje gepeuterd en zo loopt ze ineens in gekortwiekt nachtgoed, hartje winter, een korte broek en een hempje.

Winter, zomer, herfst, lente, het zich op de seizoenen is ze kwijt, ook al kijkt ze hele dagen naar buiten naar de bomen en de vogels. Als je doorpraat snapt ze wel dat het winter moet zijn omdat de bomen voor haar raam kaal zijn. Maar die gedachte schiet niet door haar heen als ze de deur uit stapt. En dus traint Heleen haar nu: altijd een vest aan als je ergens heen gaat. Niet bepaald onnodig, ondanks de soms tropische temperaturen in het huis, want datzelfde huis kent ook openslaande deuren en ramen en soms glijdt er een kille luchtvlaag over je schouders. Voor ons hooguit irritant, maar voor kwakkelende ouderen kan het dodelijk zijn. En op zijn minst de reden van wéér een schrapende verkoudheid.

Maar ja, Heleen staat niet altijd bij de deur, dus maak ik een briefje: “Geheugensteuntje: Het is winter. Vest aan.” Vorige winter heb ik uitgebreid foto’s gemaakt van de sneeuw. Ik kies er de mooiste uit en plak die erbij. Als de tekst onopgemerkt voorbijglijdt, trekt in elk geval de foto nog haar oog. En van al die sneeuw gaat ze vanzelf rillen.

dinsdag 1 december 2009

De datumklok

Na een paar dagen vakantie - helemaal als ik dan geen kranten koop - raak ik de draad van de week een beetje kwijt. Het is het toppunt van vakantiegevoel, niet meer weten welke dag het is. Al weet ik natuurlijk nog wel ongeveer waar we in het jaar zitten. Juli meestal.

Anders wordt dat als je hoofd het niet meer goed doet. Keer op keer hangt mijn moeder dan ook aan de telefoon: welke dag is het vandaag? Waarop ze weer naar de kalender stiefelt om te kijken wat er dan allemaal moet, vandaag, morgen, overmorgen of gisteren. Want tegen de tijd dat ze bij de kalender is, is de datum alweer verdwenen uit haar hoofd. Dus belt ze nog even om te checken.

Speurend op de site van Alzheimer Nederland kom ik op het idee van een datumklok. Het is nog niet eenvoudig om hem te vinden, maar uiteindelijk ontdek ik tot mijn vreugde dat de plaatselijke thuiszorgwinkel er twee in het assortiment heeft. Ik bestel er direct een en doe hem mijn moeder cadeau. Goedkoop is ie niet, maar de kosten zijn er al snel uit door de besparing op de telefoontjes. Maar dat is niet de reden dat ik er zo blij mee ben. Na een lange training, bij elk telefoontje weer zeggen: "kijk eens op de kast, daar staat de datum", "ja, maar klopt die dan", "ja hoor die klopt", heeft het mijn moeder een klein stukje onafhankelijkheid teruggegeven. Ze heeft nu geen mens nodig om haar te vertellen dat het december is. Al werkt het natuurlijk alleen als de klok in de buurt is. Een beetje zon op een koude winterdag doet haar geloven dat de tuinstoelen weer naar buiten kunnen.... Zo heeft ze ongeacht de tijd de zomer in haar hoofd.

woensdag 9 september 2009

Dat zegt wat!

Bij ‘dement’ denk je al gauw aan iemand die helemaal van de wereld is, niet meer weet wie en waar hij is. Die staat kan ooit komen, het hoeft niet altijd. In elk geval is het een lange weg daar naar toe. Wij bewandelen die weg, mijn moeder en ik. In de praktijk betekent dat dat ik de randvoorwaarden creëer, waardoor zij nog zo goed en zelfstandig mogelijk kan leven. Zo heeft ze inmiddels een grote datumklok, waar ze al helemaal aan gewend is. Geen telefoontjes meer met de vraag welke dag het toch is vandaag, en dat zo’n twintig keer per dag. Eén blik op de klok en ze heeft het zelf ontdekt. Haar nieuwe tv is uitgezocht op de afstandbediening: die moest hetzelfde zijn als de oude. Ze woont in een gezellig flatje in een huis met meerzorg, zorg voor dementerenden in een omfloerste term. Ze heeft er kennissen en vriendinnen, met wie ze koffie drinkt en tv kijkt. En natuurlijk kom ik graag op bezoek. Dan praten we de zaken van het leven weer eens door. Niet meer de politiek en de actualiteit, zoals we vroeger deden, maar de dingen waar zij zoal mee bezig is en vooral de dingen uit mijn leven. Want die van haar weet ze meestal eventjes niet precies meer.
Als je ons zo hoort praten, valt er weinig op. Hooguit dat ze vier keer vraagt of ik nog op vakantie ga, hoe het trouwens met me gaat en of m’n verkering nog aan is. Steeds vaker concludeert ze, als het haar een gepast moment lijkt: “Nou, dat zegt wat!”. Jahaa, beaam ik in een milde bui. Maar soms kan ik het niet laten en vraag ik toch even: Wàt zegt het dan? “Nou ja, ik weet niet precies wat, maar het zegt vast iets,” waarop ze zelf het hardst moet lachen.