Elke paar minuten hoor ik haar stem weer roepen. “Ita? Hoor eens…” Dat betekent: kom even en wel nu. Iets wat ik als puber natuurlijk niet deed. Dan riep ik alleen uit de verte “Jahaa!” En mijn moeder maar wachten… Maar nu doe ik dat niet meer. Zodra ik haar hoor, loop ik snel haar kant weer op, want op blote voeten stiefelt ze alweer naar de deur. Zo haal ik nog even een glaasje met een paar tanden uit de badkamer en zet ze naast haar bed. “De badkamer? Maar als er nu iemand komt, dan moet ik ze hebben.” Even later ondersteun ik haar naar de wc en leg ik haar voor de derde keer deze avond in bed. Ik moet lachen. De wereld heeft zich omgedraaid. Ik was een jaar of 8, denk ik. Slapen was een vervelende bezigheid, die ik het liefst oversloeg. Ik lag dan ook altijd tijdenlang klaarwakker in bed verhaaltjes te vertellen aan mijn beren en liedjes te zingen met de poppen.
Tussendoor liep ik regelmatig naar de huiskamer om even te melden dat ik nog wakker was. “En nu niet meer uit bed komen hoor!”, probeerden mijn ouders me bij te brengen. “Maar kom je dan wel regelmatig kijken?”, vroeg ik en zo kwam mijn moeder af en toe haar hoofd om de hoek van de deur steken. Mij leek dat een leuk klusje.
Op een avond stapte mijn moeder over naar de overtreffende trap. “Welterusten lieverd”, zei ze nog. “Kom je wel regelmatig kijken?”, riep ik naar de sluitende kier van de deur. “Ja hoor”, klonk het door het hout. En daar zwaaide de deur weer open. “Slaap je al?” “Nee”, zei ik. “O.” En dicht ging de deur weer. Woeps, daar zwaaide hij weer open. “Slaap je al?” “Nee.” En weer dicht. En weer open. “Slaap je al?” “Neehee”, hikte ik. Dicht. Open. “Slaap je al?” “Neeeee”, giechelde ik. Dicht – open. “Slaap je al?” “Neeheeeee”, schaterde ik. En ook de stem aan de andere kant werd steeds joliger.
Ik zal het niet herhalen bij mijn moeder. Zij vergeet dat ze al een paar keer geroepen heeft. Ik stop haar nog eens lekker in en vertel haar dat ik nu echt wegga. “Je hoort mijn stem door de deur en komt daardoor steeds uit bed. Zo val je nooit in slaap.” Ik geef haar nog een laatste knuffel en verdwijn in de nacht.
Posts tonen met het label humor. Alle posts tonen
Posts tonen met het label humor. Alle posts tonen
dinsdag 10 juli 2012
donderdag 6 oktober 2011
Naar het Openluchtmuseum
Vandaag is het drukker dan druk. Al bij aankomst zien we het. De parkeerplaats is bomvol en dus moeten we uitladen voor de deur en rijd ik alleen verder voor een parkeerplek langs een achterafweggetje. Als ik bij de ingang aankom heeft zoon de kaartjes al gekocht en zit mijn moeder startklaar in de geleende rolstoel. Het weer is ons waanzinnig goed gezind. Na een week met regen is het vandaag droog en warm. De meegebrachte jassen zitten dan ook in tassen gepropt. Behalve die van mijn moeder natuurlijk, die ligt netjes opgevouwen op haar schoot.
Net wanneer we het museum binnenlopen, komt de Rotterdamse tram er aan. Met rolstoelrijtuig, dus schuiven we mijn moeder gezellig naast een andere dame. “Als je bij de volgende halte uitstapt, ben je op het hoogste punt”, vertelt de dochter van de dame. “Dan hoef je alleen nog maar naar beneden.” Heel praktisch natuurlijk, maar wij zitten niet vanwege het praktische in de tram, maar omdat het de Rotterdamse is. Weliswaar niet zo oud als het rijtuig uit mijn moeders jeugd, maar de kleuren zijn al goed. En dus stappen we twee haltes verder pas uit en lopen we bergop, zoon achter de rolstoel, mijn moeder erin, vol bewondering voor de bomen. Zoons vriendin en ik komen er slenterend achteraan.
Het kruisgebouw, dat is een leuke start, lijkt me. Mijn moeder vindt het echter verwarrend. “Moet ik in bad?”, vraagt ze bij het zien van de bad- en douchecellen. “Herken je de geur?”, vraag ik. “Nee, ik herken helemaal niets.” Niet helemaal het succes waar ik op hoop, blijkbaar liggen het oude kruisgebouw en mijn moeders tijd in de verpleging nog een eind uit elkaar. Zelfs de verhalen over mijn jeugd komen niet meer boven. Dan wordt het tijd voor humor, dat klaart de lucht altijd. “Beetje stijve dokter, vind ik”, toeter ik richting mijn moeder. Het pad is smal en er staan twee mensen tussen ons in. “Nou!” Haar ogen beginnen te glimmen. “Hij zegt ook niet veel.” “Je hebt gelijk, een beetje een nietszeggend figuur.” “En die bril op tafel”, merkt zoon op. “Geen wonder dat hij zo’n onleesbaar handschrift heeft!” Lachend laten we de plastic dokter achter wanneer we weer naar buiten rollen. Op naar de Tilburgse huisjes. Met mijn arm ter ondersteuning probeert mijn moeder het jongste huisje door te lopen, maar gelukkig komt zoon erachteraan met de rolstoel. Lopen én rondkijken is toch wat veelgevraagd en moe laat mijn moeder zich achterover zakken.
Ik loop de andere huisjes nog door met zoons vriendin en vertel kort over de perioden en de bijzonderheden van de huisjes. Dan doen we tenminste nog een beetje historisch verantwoord en kunnen we met een gerust gemoed richting pannenkoeken. Die vinden we op het terras van de herberg. Wanneer de ober de bestelling op komt nemen, noemt ieder zijn of haar keuze. “Met appel en kaneel.” “De Veluwse, maar dan met kaas.” “De Veluwse, wel gewoon met ei.” “Een pannenkoek”, zegt mijn moeder. “Jij wilde geloof ik graag een spekpannenkoek, he mam?” “Ja, een spekpannenkoek graag”, herhaalt ze voor de ober. Met grote ogen kijk ik een tijdje later naar mijn moeders bord. Het is leeg. Helemaal leeg. En het hele flesje cola dat ze erbij dronk is ook leeg. Beslist iets om te melden aan Het Huis. Meestal bereiken me geluiden over “te weinig gegeten, niet voldoende gedronken”, maar pannenkoek en cola zijn in een mum van tijd verdwenen. Is het de buitenlucht? Of is het een kwestie van smaak?
Het wordt tijd om ons op te splitsen. Zoon heeft nog wat wensen en zijn vriendin bezoekt het Openluchtmuseum zelfs pas voor het eerst. Ik neem mijn moeder in de rolstoel mee. Over hobbelige keien duw ik haar naar de kerk. Zelf zit ik er graag, zolang er geen dominee is, en voor mijn moeder lijkt het me zo vlak na het eten een fijn, rustig plekje. “Laat maar hoor”, klinkt ze hobbelig. “Ik ga wel lopen.” “Nee joh, het gaat prima. Of is het voor jou vervelend?” “Nee, maar het lijkt me zo lastig voor jou om me te duwen.” Elke vijf meter herhaalt dit gesprek zich en ik ben dan ook trots dat het me lukt mijn moeder met rolstoel en al over hobbelkeien bergop de kerk in de krijgen. Alleen wacht ons daar geen rust. Het is hoogzomer en hartje schoolvakantie, dus het is ook in het Zeeuwse kerkje druk. Menig ouderling denkt verlangend aan zoveel belangstelling voor zijn of haar kerk. Lang blijven de bezoekers niet, maar direct worden zij afgewisseld door nieuwe belangstellenden.
“Ik wil nu wel weer eens naar huis”, zegt mijn moeder ineens. Oei! Dat we maar drie dingen gezien en een pannenkoek gegeten hebben, vind ik geen punt. Mijn doel vandaag is niet om zoveel mogelijk te bekijken, maar om samen met mijn moeder te genieten van het museum. En dat genieten zouden we onder andere in de Rotterdamse tram doen. Niet die ene waarin we naar boven gesnord zijn, maar de echte oude tram die mijn moeder als jong meisje van school naar huis voerde. Lijn 2 naar Charlois, in een tijd dat dat nog een mooie, jonge buitenwijk in aanbouw was. Mijn moeder weet het niet, maar de mensen van de tram laten deze wagen speciaal voor haar rijden vandaag, omdat ik op mijn verjaardag samen met mijn moeder wil genieten in ‘haar’ trammetje. Op weg naar de halte vertel ik het haar. Nou vooruit, dat wil ze nog wel, al is ze inmiddels wel toe aan haar middagslaap. We laten lijn 1 uit Arnhem voorbijgaan, maar daarna schuurt de onze in de verte de bocht om. De conducteur helpt mijn moeder aan boord en we vouwen de rolstoel op. Deze rit gaan we op een echt bankje, vlakbij de machinist. Dat blijkt de medewerker te zijn die deze tram geregeld heeft. Al snel begrijpt hij dat hij de hooggeplaatste passagiere aan boord heeft. “Vindt uw moeder het leuk?”, vraagt hij. Ik kijk naar haar tevreden en kalme gezicht. Het uitzicht mag dan anders zijn dan dat op de huizen en schepen in de Maasstad destijds, maar in een scherpe bocht lacht ze me toe. “Dit geluid vergeet ik nooit”, roept ze boven de gierende wielen uit. We rijden nog een extra rondje. De wens om naar huis te gaan is even verdwenen. Of nee, niet verdwenen, vervuld. Meer thuis dan haar eigen huis is dit bankje in de tram. Haar tram. En ik mag ernaast zitten.
De verjaardag is geslaagd, mijn moeder is moe. Zoon en zijn vriendin wachten bij de uitgang. Voldaan rijden we in de middagzon weer naar huis.
Net wanneer we het museum binnenlopen, komt de Rotterdamse tram er aan. Met rolstoelrijtuig, dus schuiven we mijn moeder gezellig naast een andere dame. “Als je bij de volgende halte uitstapt, ben je op het hoogste punt”, vertelt de dochter van de dame. “Dan hoef je alleen nog maar naar beneden.” Heel praktisch natuurlijk, maar wij zitten niet vanwege het praktische in de tram, maar omdat het de Rotterdamse is. Weliswaar niet zo oud als het rijtuig uit mijn moeders jeugd, maar de kleuren zijn al goed. En dus stappen we twee haltes verder pas uit en lopen we bergop, zoon achter de rolstoel, mijn moeder erin, vol bewondering voor de bomen. Zoons vriendin en ik komen er slenterend achteraan.
Het kruisgebouw, dat is een leuke start, lijkt me. Mijn moeder vindt het echter verwarrend. “Moet ik in bad?”, vraagt ze bij het zien van de bad- en douchecellen. “Herken je de geur?”, vraag ik. “Nee, ik herken helemaal niets.” Niet helemaal het succes waar ik op hoop, blijkbaar liggen het oude kruisgebouw en mijn moeders tijd in de verpleging nog een eind uit elkaar. Zelfs de verhalen over mijn jeugd komen niet meer boven. Dan wordt het tijd voor humor, dat klaart de lucht altijd. “Beetje stijve dokter, vind ik”, toeter ik richting mijn moeder. Het pad is smal en er staan twee mensen tussen ons in. “Nou!” Haar ogen beginnen te glimmen. “Hij zegt ook niet veel.” “Je hebt gelijk, een beetje een nietszeggend figuur.” “En die bril op tafel”, merkt zoon op. “Geen wonder dat hij zo’n onleesbaar handschrift heeft!” Lachend laten we de plastic dokter achter wanneer we weer naar buiten rollen. Op naar de Tilburgse huisjes. Met mijn arm ter ondersteuning probeert mijn moeder het jongste huisje door te lopen, maar gelukkig komt zoon erachteraan met de rolstoel. Lopen én rondkijken is toch wat veelgevraagd en moe laat mijn moeder zich achterover zakken.
Ik loop de andere huisjes nog door met zoons vriendin en vertel kort over de perioden en de bijzonderheden van de huisjes. Dan doen we tenminste nog een beetje historisch verantwoord en kunnen we met een gerust gemoed richting pannenkoeken. Die vinden we op het terras van de herberg. Wanneer de ober de bestelling op komt nemen, noemt ieder zijn of haar keuze. “Met appel en kaneel.” “De Veluwse, maar dan met kaas.” “De Veluwse, wel gewoon met ei.” “Een pannenkoek”, zegt mijn moeder. “Jij wilde geloof ik graag een spekpannenkoek, he mam?” “Ja, een spekpannenkoek graag”, herhaalt ze voor de ober. Met grote ogen kijk ik een tijdje later naar mijn moeders bord. Het is leeg. Helemaal leeg. En het hele flesje cola dat ze erbij dronk is ook leeg. Beslist iets om te melden aan Het Huis. Meestal bereiken me geluiden over “te weinig gegeten, niet voldoende gedronken”, maar pannenkoek en cola zijn in een mum van tijd verdwenen. Is het de buitenlucht? Of is het een kwestie van smaak?
Het wordt tijd om ons op te splitsen. Zoon heeft nog wat wensen en zijn vriendin bezoekt het Openluchtmuseum zelfs pas voor het eerst. Ik neem mijn moeder in de rolstoel mee. Over hobbelige keien duw ik haar naar de kerk. Zelf zit ik er graag, zolang er geen dominee is, en voor mijn moeder lijkt het me zo vlak na het eten een fijn, rustig plekje. “Laat maar hoor”, klinkt ze hobbelig. “Ik ga wel lopen.” “Nee joh, het gaat prima. Of is het voor jou vervelend?” “Nee, maar het lijkt me zo lastig voor jou om me te duwen.” Elke vijf meter herhaalt dit gesprek zich en ik ben dan ook trots dat het me lukt mijn moeder met rolstoel en al over hobbelkeien bergop de kerk in de krijgen. Alleen wacht ons daar geen rust. Het is hoogzomer en hartje schoolvakantie, dus het is ook in het Zeeuwse kerkje druk. Menig ouderling denkt verlangend aan zoveel belangstelling voor zijn of haar kerk. Lang blijven de bezoekers niet, maar direct worden zij afgewisseld door nieuwe belangstellenden.
“Ik wil nu wel weer eens naar huis”, zegt mijn moeder ineens. Oei! Dat we maar drie dingen gezien en een pannenkoek gegeten hebben, vind ik geen punt. Mijn doel vandaag is niet om zoveel mogelijk te bekijken, maar om samen met mijn moeder te genieten van het museum. En dat genieten zouden we onder andere in de Rotterdamse tram doen. Niet die ene waarin we naar boven gesnord zijn, maar de echte oude tram die mijn moeder als jong meisje van school naar huis voerde. Lijn 2 naar Charlois, in een tijd dat dat nog een mooie, jonge buitenwijk in aanbouw was. Mijn moeder weet het niet, maar de mensen van de tram laten deze wagen speciaal voor haar rijden vandaag, omdat ik op mijn verjaardag samen met mijn moeder wil genieten in ‘haar’ trammetje. Op weg naar de halte vertel ik het haar. Nou vooruit, dat wil ze nog wel, al is ze inmiddels wel toe aan haar middagslaap. We laten lijn 1 uit Arnhem voorbijgaan, maar daarna schuurt de onze in de verte de bocht om. De conducteur helpt mijn moeder aan boord en we vouwen de rolstoel op. Deze rit gaan we op een echt bankje, vlakbij de machinist. Dat blijkt de medewerker te zijn die deze tram geregeld heeft. Al snel begrijpt hij dat hij de hooggeplaatste passagiere aan boord heeft. “Vindt uw moeder het leuk?”, vraagt hij. Ik kijk naar haar tevreden en kalme gezicht. Het uitzicht mag dan anders zijn dan dat op de huizen en schepen in de Maasstad destijds, maar in een scherpe bocht lacht ze me toe. “Dit geluid vergeet ik nooit”, roept ze boven de gierende wielen uit. We rijden nog een extra rondje. De wens om naar huis te gaan is even verdwenen. Of nee, niet verdwenen, vervuld. Meer thuis dan haar eigen huis is dit bankje in de tram. Haar tram. En ik mag ernaast zitten.
De verjaardag is geslaagd, mijn moeder is moe. Zoon en zijn vriendin wachten bij de uitgang. Voldaan rijden we in de middagzon weer naar huis.
donderdag 5 mei 2011
Jullie lijken niet op elkaar
“Jullie lijken niet op elkaar", constateert de man tegenover me. Hij kijkt van mijn moeder naar mij. “Jullie haar is heel verschillend.” Gelukkig maar, denk ik. Mijn moeders haar is inmiddels spierwit, daar voel ik me nog te jong voor. “En jij hebt meer gewicht”, voegt hij er nog aan toe, met zijn armen voor zijn buik zwaaiend. “Je doet nog net dit niet”, reageert mijn moeder pijlsnel, en ze beeldt een stevige boezem uit. “Nee, dat deed ik niet”, roept de man meteen. “Dat deed ik echt niet.” De anderen aan tafel roepen er lachend doorheen. Hilariteit alom. “Ik ben slager geweest”, zegt de man nog even. “Dus ik houd wel van wat vlees.” Inmiddels ben ik bijna geschokt.
“U bent nieuw hier, volgens mij”, zeg ik tegen hem. “Niet in het huis hoor, ik zag u vier jaar geleden al, toen ik hier voor het eerst kwam kijken.” “Weet je hoe het komt dat ze dat nog weet?”, verklaart hij tegen de anderen. “Dat overkomt alleen knappe mannen.” Daarna komt hij zelf niet meer bij om zijn eigen grap.
“Je bent nogal blij met jezelf”, zegt de vrouw naast hem. “Ja, ik mag mezelf wel”, reageert de man. Hartstikke goed, vind ik. “Je sleept jezelf overal mee naar toe, dan is het wel zo prettig als je jezelf leuk vindt.” Daar is iedereen het eigenlijk wel mee eens. “En als ik mijn vrouw weer bezoek, beginnen haar ogen te glimmen”, zegt de man nog. Is het al zo ver, bedenk ik me. De man woont in het verzorgingshuis. Al jaren. Eerder samen met zijn vrouw, maar tegenwoordig woont hij er alleen. Zijn vrouw is naar het verpleeghuis overgegaan. Zo pijnlijk, vind ik dat steeds weer. Echtparen die bijna hun hele leven al samen geweest zijn en dan in de tijd dat ze zelf hulpbehoevend worden, worden ze uit elkaar gerukt. En dan is de achterblijver ook niet meer zo fit dat hij of zij makkelijk naar het verpleeghuis kan om op bezoek te gaan. Op bezoek, nota bene, bij degene met wie je al zestig jaar getrouwd bent.
Maar aan meneer S. is niets te zien. Hij blijft even vrolijk. De koffie wordt rondgedeeld en terwijl we daarvan genieten, leest een van de leidsters voor uit een boek met streekverhalen in dialect. Ze verontschuldigt zich voor haar uitspraak, want dialect spreekt ze voor het eerst in haar leven. Volkomen onnodig, die verontschuldiging, het verhaal is goed te volgen en hilarisch voor wie het allemaal kan onthouden. Dat zijn er maar weinig in het gezelschap, maar voorgelezen worden blijkt toch fijn te zijn.
Ik moet helaas gaan, ik heb een ander leven, met een ander ritme. Maar binnenkort kom ik terug. Dan loop ik een hele ochtend mee met de groep. Extra handen voor de leiding en een mooie inkijk voor mij in de dagbesteding van mensen met dementie. Ik moet alleen nog een beetje shockproof worden, geloof ik.
“U bent nieuw hier, volgens mij”, zeg ik tegen hem. “Niet in het huis hoor, ik zag u vier jaar geleden al, toen ik hier voor het eerst kwam kijken.” “Weet je hoe het komt dat ze dat nog weet?”, verklaart hij tegen de anderen. “Dat overkomt alleen knappe mannen.” Daarna komt hij zelf niet meer bij om zijn eigen grap.
“Je bent nogal blij met jezelf”, zegt de vrouw naast hem. “Ja, ik mag mezelf wel”, reageert de man. Hartstikke goed, vind ik. “Je sleept jezelf overal mee naar toe, dan is het wel zo prettig als je jezelf leuk vindt.” Daar is iedereen het eigenlijk wel mee eens. “En als ik mijn vrouw weer bezoek, beginnen haar ogen te glimmen”, zegt de man nog. Is het al zo ver, bedenk ik me. De man woont in het verzorgingshuis. Al jaren. Eerder samen met zijn vrouw, maar tegenwoordig woont hij er alleen. Zijn vrouw is naar het verpleeghuis overgegaan. Zo pijnlijk, vind ik dat steeds weer. Echtparen die bijna hun hele leven al samen geweest zijn en dan in de tijd dat ze zelf hulpbehoevend worden, worden ze uit elkaar gerukt. En dan is de achterblijver ook niet meer zo fit dat hij of zij makkelijk naar het verpleeghuis kan om op bezoek te gaan. Op bezoek, nota bene, bij degene met wie je al zestig jaar getrouwd bent.
Maar aan meneer S. is niets te zien. Hij blijft even vrolijk. De koffie wordt rondgedeeld en terwijl we daarvan genieten, leest een van de leidsters voor uit een boek met streekverhalen in dialect. Ze verontschuldigt zich voor haar uitspraak, want dialect spreekt ze voor het eerst in haar leven. Volkomen onnodig, die verontschuldiging, het verhaal is goed te volgen en hilarisch voor wie het allemaal kan onthouden. Dat zijn er maar weinig in het gezelschap, maar voorgelezen worden blijkt toch fijn te zijn.
Ik moet helaas gaan, ik heb een ander leven, met een ander ritme. Maar binnenkort kom ik terug. Dan loop ik een hele ochtend mee met de groep. Extra handen voor de leiding en een mooie inkijk voor mij in de dagbesteding van mensen met dementie. Ik moet alleen nog een beetje shockproof worden, geloof ik.
vrijdag 28 januari 2011
Kwart voor elf!
De telefoon gaat. Kwart voor elf ’s avonds! Steeds meer mensen krijgen door dat ik een avondmens ben, maar zo laat gebeld worden, alarmeert me toch altijd. “Mam” staat er in het venster. Ik neem snel op. “Hallo, met Ita”, roep ik vrolijk. Je weet het nooit, het zou eens kunnen helpen. Aan de andere kant is er echter helemaal geen paniek, niet eens een bedrukte stemming. Het is gewoon mijn moeder, die belt alsof het kwart voor elf ’s ochtends is. “Zeg, ben jij jarig?”, begint ze. “Nee, nog lang niet, maar ik wil het best zijn hoor.” “Nou, dan van harte gefeliciteerd!” “Dank je wel! Je bent de eerste!!” “En waarschijnlijk ook de laatste”, lacht ze. “Maar hoe kom je daar nu op, dat ik jarig zou zijn? Staat de klok verkeerd?” De datumklok is nog steeds een fijne steun in haar huis, maar af en toe rommelt ze aan de knoppen. Of misschien doet de schoonmaakster dat, dat weet ik natuurlijk niet. En mijn moeder kan het mij niet vertellen. In elk geval is het al in de routine ingebouwd dat ik elke keer dat ik op bezoek kom even een blik op de klok werp om te kijken of dag en datum wel juist zijn.
Maar nee, daar is niets mee aan de hand, bezweert ze me. “Ik heb geslapen en werd wakker en dacht: nu moet ik eerst Ita bellen.” “Nou, gezellig. Ik dacht eigenlijk dat je nog wel zou slapen.” En omdat ze zo vreselijk monter klinkt, vraag ik toch maar: “Is het nu dan ochtend?” “Nee, natuurlijk niet, het is stikkedonker. Het is avond.”
Donker is eenvoudiger dan licht. Nog niet zo lang geleden belde ze me op een ochtend met de vraag of het nu ochtend of avond was. Want half tien ’s avonds kan het nog licht zijn, in de zomer tenminste. En in het huis is het altijd zo warm, dat het verschil tussen zomer en winter moeilijk waarneembaar is. Maar licht en donker zijn nog steeds duidelijke aanwijzingen voor mijn moeder. Gelukkig helpt het dat ze haar gordijnen nooit helemaal dicht doet. Ze heeft altijd ergens zicht op een streepje buitenlucht.
In dit gesprek komen de onvermijdelijke vragen weer voorbij: hoe gaat het met je, en met zoon? En heb je nu een vriend? Ik wist het niet zeker meer. Ga je nog op vakantie? En natuurlijk ook: waar woon je nu? Dat laatste, toch een redelijk constante factor, wil niet meer blijven plakken. Een paar dagen geleden plaatste ze me op kamers in Utrecht, een fase die ik ruim twintig jaar geleden heb afgesloten. Soms kets ik daarom de vraag weleens terug, zodat ik weet wat haar referentiekader is. Niet dat het betekent dat ze in haar hoofd dan twintig jaar terug is in de tijd. Geenszins! Het huis waar ze destijds woonde is een vage vlek in haar herinnering, maar haar vorige adres is nog steeds 'haar huis'. Inclusief huisnummer, postcode en telefoonnummer dreunt ze dat zo op. Dat gezegd hebbende: met regelmaat laat ze een saldo cijfers op me los. “Ben jij dat?”, checkt ze dan even. Ik moet altijd even hard denken voor ik “ja” kan antwoorden.
Dat ze belde voor mijn verjaardag is ze inmiddels alweer vergeten. Jammer, zo’n minifeestje halverwege smaakt goed! Ach, op de verrassing van dit vrolijke telefoontje kan ik ook wel een tijdje teren.
Maar nee, daar is niets mee aan de hand, bezweert ze me. “Ik heb geslapen en werd wakker en dacht: nu moet ik eerst Ita bellen.” “Nou, gezellig. Ik dacht eigenlijk dat je nog wel zou slapen.” En omdat ze zo vreselijk monter klinkt, vraag ik toch maar: “Is het nu dan ochtend?” “Nee, natuurlijk niet, het is stikkedonker. Het is avond.”
Donker is eenvoudiger dan licht. Nog niet zo lang geleden belde ze me op een ochtend met de vraag of het nu ochtend of avond was. Want half tien ’s avonds kan het nog licht zijn, in de zomer tenminste. En in het huis is het altijd zo warm, dat het verschil tussen zomer en winter moeilijk waarneembaar is. Maar licht en donker zijn nog steeds duidelijke aanwijzingen voor mijn moeder. Gelukkig helpt het dat ze haar gordijnen nooit helemaal dicht doet. Ze heeft altijd ergens zicht op een streepje buitenlucht.
In dit gesprek komen de onvermijdelijke vragen weer voorbij: hoe gaat het met je, en met zoon? En heb je nu een vriend? Ik wist het niet zeker meer. Ga je nog op vakantie? En natuurlijk ook: waar woon je nu? Dat laatste, toch een redelijk constante factor, wil niet meer blijven plakken. Een paar dagen geleden plaatste ze me op kamers in Utrecht, een fase die ik ruim twintig jaar geleden heb afgesloten. Soms kets ik daarom de vraag weleens terug, zodat ik weet wat haar referentiekader is. Niet dat het betekent dat ze in haar hoofd dan twintig jaar terug is in de tijd. Geenszins! Het huis waar ze destijds woonde is een vage vlek in haar herinnering, maar haar vorige adres is nog steeds 'haar huis'. Inclusief huisnummer, postcode en telefoonnummer dreunt ze dat zo op. Dat gezegd hebbende: met regelmaat laat ze een saldo cijfers op me los. “Ben jij dat?”, checkt ze dan even. Ik moet altijd even hard denken voor ik “ja” kan antwoorden.
Dat ze belde voor mijn verjaardag is ze inmiddels alweer vergeten. Jammer, zo’n minifeestje halverwege smaakt goed! Ach, op de verrassing van dit vrolijke telefoontje kan ik ook wel een tijdje teren.
woensdag 26 januari 2011
Schuttemajoor
Als ik een envelop van tafel pak om even een aantekening op te maken, zie ik het weer staan: Dominee.... pastoor .....Schuttemajoor. He ja, dat is dat rijmpje waar mijn moeder het gisteren ineens over had. Na een paar vreselijk drukke weken kon ik eindelijk een middag vrij plannen om naar haar toe te gaan. Lekker kletsen over van alles en nog wat. En zo kwam ook ineens dat halve rijmpje voorbij. Ik ken het niet, maar het klinkt als een aftelrijmpje. En het doet me meteen denken aan de Popla-reclame: “Koning, Keizer, Admiraal, Popla willen ze allemaal”. Dat vertel ik maar even niet, want dat verwart alleen maar.
Maar nu ik al werkend achter mijn computer zit, kan ik best even googlen op “Schuttemajoor”. Geen idee wat het is, en dat is ook googles gedachte, maar die oppert meteen of ik misschien “Schutter, Majoor” zoek. Goed idee! Als ik de pastoor er dan ook nog bijplak, duikt er een versje op. Ik pak meteen de telefoon. Mijn moeder zit er gelukkig naast en ik vertel dat we gisteren niet op de tekst van een versje konden komen, maar dat ik het gevonden heb. “We begonnen Dominee, lalala,lala, pastoor”. Mijn moeder valt meteen in: “Koning, keizer, schutter, majoor.” Ja, precies, die woorden! We moeten allebei lachen. “Het begin gaat”Edelman..”, mijn moeder valt meteen weer bij “.. bedelman, dokter pastoor, koning, keizer, schutter, majoor”, hoewel het nog steeds klinkt als schuttemajoor.
Het is een springtouwliedje, vertel ik mijn moeder. Ik ken het geheel niet, maar leuk is wel dat ik erdoor een op website met liedjes beland. Weliswaar met kinderliedjes, maar daar zitten hele mooie oude liedjes bij. Wie weet kan ik mijn moeder daarmee eens over de streep trekken om gezellig samen te gaan zingen. Met wat geluk schuift de buurvrouw aan en met nog meer geluk zijn de omwonenden hardhorend. Want dan kunnen we ons lekker uitleven in de muziek!
Ook op zoek naar liedjes? http://www.liedjesland.com/
Maar nu ik al werkend achter mijn computer zit, kan ik best even googlen op “Schuttemajoor”. Geen idee wat het is, en dat is ook googles gedachte, maar die oppert meteen of ik misschien “Schutter, Majoor” zoek. Goed idee! Als ik de pastoor er dan ook nog bijplak, duikt er een versje op. Ik pak meteen de telefoon. Mijn moeder zit er gelukkig naast en ik vertel dat we gisteren niet op de tekst van een versje konden komen, maar dat ik het gevonden heb. “We begonnen Dominee, lalala,lala, pastoor”. Mijn moeder valt meteen in: “Koning, keizer, schutter, majoor.” Ja, precies, die woorden! We moeten allebei lachen. “Het begin gaat”Edelman..”, mijn moeder valt meteen weer bij “.. bedelman, dokter pastoor, koning, keizer, schutter, majoor”, hoewel het nog steeds klinkt als schuttemajoor.
Het is een springtouwliedje, vertel ik mijn moeder. Ik ken het geheel niet, maar leuk is wel dat ik erdoor een op website met liedjes beland. Weliswaar met kinderliedjes, maar daar zitten hele mooie oude liedjes bij. Wie weet kan ik mijn moeder daarmee eens over de streep trekken om gezellig samen te gaan zingen. Met wat geluk schuift de buurvrouw aan en met nog meer geluk zijn de omwonenden hardhorend. Want dan kunnen we ons lekker uitleven in de muziek!
Ook op zoek naar liedjes? http://www.liedjesland.com/
maandag 3 januari 2011
Iedereen heeft zijn kwaliteiten
Je verjaardag is meestal een bijzondere dag. Je gaat toch met een iets ander gevoel slapen, wetend dat je bij het wakker worden een jaar ouder zult zijn. En voor het geval er visite komt, haal je alvast wat lekkers in huis.
Maar zo gaat het niet meer als je dementie hebt. De ene dag of de andere, ze zijn naadloos inwisselbaar. En dus belt mijn tante om te vragen of mijn moeder soms bij mij is, want ze blijkt al de hele dag telefonisch onbereikbaar. En ook ik krijg geen gehoor, zelfs niet op de tijden dat ze normaal toch echt thuis is. Desondanks vertrekken wij ’s middags met cadeau en goed humeur naar het huis waar mijn moeder woont. Ik bel op de parkeerplaats nog even, maar inderdaad, het blijft stil aan de andere kant. Nou ja, we gaan toch maar naar binnen. Maar nee, ook op ons bellen wordt niet gereageerd. “Ik hoor wat”, zegt zoon. Ik hoor ook wat, vrij veel zelfs. De tv van de overbuurman, muziek bij zijn buurvrouw en ergens in een keuken wordt koffie gezet. Het huis is gevuld met geluiden, maar ook mijn roepen door de brievenbus levert geen reactie op in de flat van mijn moeder. Als we op pad gaan om haar te zoeken, lopen we haar net tegen het lijf. Ze is blij verrast met deze onverwachte gasten. Binnen feliciteren we haar uitgebreid, met dikke zoenen. Nu is ze nog verraster: “ben ik jarig? O jee, ik heb niks in huis gehaald.” “Daar heb ik voor gezorgd”, reageer ik meteen. “Hebben we dat afgesproken?” “Ja hoor.”
We drinken koffie en fris en knabbelen van de chocolade balletjes die ik gekocht heb. En omdat het feest is, doen we niet bescheiden en werken er elk drie weg. Tussendoor lachen we heel wat af. Ik lurk mijn pakje sinaasappelsap leeg. “Wat kan ze altijd stil genieten he?”, zegt mijn moeder tegen zoon. Ze hebben elkaar weer gevonden in hun ridiculiseren van mij. Maar zoals gewoonlijk moet ik er zelf weer het hardst om lachen.
Tussen al het plezier proberen we af en toe een beetje serieus te zijn. Het gaat maar moeizaam, al blijft het haperende geheugen altijd een goed onderwerp voor serieuze reacties. Maar soms ook niet. “Ik ben érg goed in vergeten”, zegt mijn moeder. Haar ogen glinsteren. “Zo heeft iedereen”, begin ik. “Zijn kwaliteiten”, vult ze grijnzend aan. En dan liggen we alledrie weer dubbel.
Maar zo gaat het niet meer als je dementie hebt. De ene dag of de andere, ze zijn naadloos inwisselbaar. En dus belt mijn tante om te vragen of mijn moeder soms bij mij is, want ze blijkt al de hele dag telefonisch onbereikbaar. En ook ik krijg geen gehoor, zelfs niet op de tijden dat ze normaal toch echt thuis is. Desondanks vertrekken wij ’s middags met cadeau en goed humeur naar het huis waar mijn moeder woont. Ik bel op de parkeerplaats nog even, maar inderdaad, het blijft stil aan de andere kant. Nou ja, we gaan toch maar naar binnen. Maar nee, ook op ons bellen wordt niet gereageerd. “Ik hoor wat”, zegt zoon. Ik hoor ook wat, vrij veel zelfs. De tv van de overbuurman, muziek bij zijn buurvrouw en ergens in een keuken wordt koffie gezet. Het huis is gevuld met geluiden, maar ook mijn roepen door de brievenbus levert geen reactie op in de flat van mijn moeder. Als we op pad gaan om haar te zoeken, lopen we haar net tegen het lijf. Ze is blij verrast met deze onverwachte gasten. Binnen feliciteren we haar uitgebreid, met dikke zoenen. Nu is ze nog verraster: “ben ik jarig? O jee, ik heb niks in huis gehaald.” “Daar heb ik voor gezorgd”, reageer ik meteen. “Hebben we dat afgesproken?” “Ja hoor.”
We drinken koffie en fris en knabbelen van de chocolade balletjes die ik gekocht heb. En omdat het feest is, doen we niet bescheiden en werken er elk drie weg. Tussendoor lachen we heel wat af. Ik lurk mijn pakje sinaasappelsap leeg. “Wat kan ze altijd stil genieten he?”, zegt mijn moeder tegen zoon. Ze hebben elkaar weer gevonden in hun ridiculiseren van mij. Maar zoals gewoonlijk moet ik er zelf weer het hardst om lachen.
Tussen al het plezier proberen we af en toe een beetje serieus te zijn. Het gaat maar moeizaam, al blijft het haperende geheugen altijd een goed onderwerp voor serieuze reacties. Maar soms ook niet. “Ik ben érg goed in vergeten”, zegt mijn moeder. Haar ogen glinsteren. “Zo heeft iedereen”, begin ik. “Zijn kwaliteiten”, vult ze grijnzend aan. En dan liggen we alledrie weer dubbel.
dinsdag 20 juli 2010
Er is er één jarig
Afgelopen jaren was ik op deze dag vaak in het buitenland, maar nu ik gewoon nog aan het werk ben, besluit ik met een taartje naar mijn moeder te rijden. “Lekker, taart!”, reageert ze blij. “Kijk maar op de klok, dan snap je waarom”, antwoord ik. Twintig juli. Er verschijnt een frons op haar gezicht. “Ben jij jarig?”, vraagt ze met enige aarzeling. “Ik niet, Betty.” “Ja, dat is waar. Hoe oud zou ze nu geworden zijn?” “Achtenveertig.” Een week na haar negenendertigste verjaardag werd mijn zusje ziek, een paar weken later overleed ze.
Mijn moeder pakt de bordjes, ik snijd de taart aan. “Zullen we ieder een halve nemen”, stelt ze voor. Een kwart lijkt mij al ruim genoeg. Uiteindelijk vinden we ieder een zesde deel al voldoende. De rest blijft in de doos.
Met koffie en taart zitten we even later tegenover elkaar. “Lekker he?” “Nou!” “Proost dan maar! Op Betty!”, zeg ik. We heffen onze bordjes op. “Ja”, zegt mijn moeder, “lang zal ze leven!” “Nou ja, dat nou net niet!” "Nee, he?" Proestend beginnen we aan de aardbeienvlaai.
Mijn moeder pakt de bordjes, ik snijd de taart aan. “Zullen we ieder een halve nemen”, stelt ze voor. Een kwart lijkt mij al ruim genoeg. Uiteindelijk vinden we ieder een zesde deel al voldoende. De rest blijft in de doos.
Met koffie en taart zitten we even later tegenover elkaar. “Lekker he?” “Nou!” “Proost dan maar! Op Betty!”, zeg ik. We heffen onze bordjes op. “Ja”, zegt mijn moeder, “lang zal ze leven!” “Nou ja, dat nou net niet!” "Nee, he?" Proestend beginnen we aan de aardbeienvlaai.
zondag 28 maart 2010
Het paspoort
Mijn moeder moet een nieuw paspoort. Ze gaat nooit meer op reis, een middag bij mij op bezoek is eigenlijk al te veel, maar toch moet ze een paspoort hebben. ‘Even’ met haar naar het gemeentehuis voor de aanvraag en een week later om het document weer op te halen, is een karwei waar ik namens haar huizenhoog tegenop zie. En dus schuif ik het stiekem steeds weer voor me uit.
En dan ligt er ineens een brief: bewoners van zorginstellingen moeten een geldig identiteitsbewijs hebben. Slik. Ja, ik weet het. Ik buig beschaamd mijn hoofd al een beetje, maar lees toch maar even verder. En dus heeft de organisatie bedacht dat het veel handiger is als de bewoners niet naar de gemeente hoeven, maar de gemeente even langskomt bij de bewoners. En zelfs de fotograaf wil komen. Of ik daar belangstelling voor heb. Belangstelling? Direct maak ik een rondedansje door de kamer met de antwoordstrook als wimpel.
En zo komt het dat we een paar weken later keurig zitten te wachten in het restaurant van het huis. Intussen bedenk ik dat we sneller geweest waren als we naar het gemeentehuis gereisd zouden zijn, maar dit is ongetwijfeld aangenamer. Om ons heen zien we voortdurend verwarring bij bewoners en bij de medewerksters die het geheel in banen leiden. Zij hebben de pasfoto’s klaarliggen en zien daardoor direct wie er nog niet geweest zijn. En dat is nog een hele lijst. We mogen blij zijn dat al die dames hun belangrijke afspraak vergeten zijn!
Omdat ik weet dat je vingerafdrukken moet geven tegenwoordig, hebben we al uitgebreid gelachen over de sporen die mijn moeder na haar paspoortavontuur zou nalaten in het huis. Een kleine tegenvaller is het dan ook wel dat er een vingerafdrukleesapparaatje blijkt te bestaan. Maar verder verloopt het soepel en vrolijk. Het formulier ontbreekt: geen nood, dat maken ze straks op kantoor wel even.
Ik hoop nu alleen maar dat mijn moeder niet schrikt van het grote gat in haar paspoort. Voor de zekerheid heb ik dat er in laten knippen, omdat ze het anders in moest leveren en ze de hele tijd op zoek zou gaan naar het document. Nog een paar dagen, dan heeft ze een nieuw exemplaar. Met een strenge nieuwe foto. Nou ja, streng. Mijn moeders gezicht staat nu eenmaal altijd op zon, dus twee grote, ondeugende ogen staren je recht aan door de camera.
Gelukkig komt het geen douanebeambte meer onder ogen.
En dan ligt er ineens een brief: bewoners van zorginstellingen moeten een geldig identiteitsbewijs hebben. Slik. Ja, ik weet het. Ik buig beschaamd mijn hoofd al een beetje, maar lees toch maar even verder. En dus heeft de organisatie bedacht dat het veel handiger is als de bewoners niet naar de gemeente hoeven, maar de gemeente even langskomt bij de bewoners. En zelfs de fotograaf wil komen. Of ik daar belangstelling voor heb. Belangstelling? Direct maak ik een rondedansje door de kamer met de antwoordstrook als wimpel.
En zo komt het dat we een paar weken later keurig zitten te wachten in het restaurant van het huis. Intussen bedenk ik dat we sneller geweest waren als we naar het gemeentehuis gereisd zouden zijn, maar dit is ongetwijfeld aangenamer. Om ons heen zien we voortdurend verwarring bij bewoners en bij de medewerksters die het geheel in banen leiden. Zij hebben de pasfoto’s klaarliggen en zien daardoor direct wie er nog niet geweest zijn. En dat is nog een hele lijst. We mogen blij zijn dat al die dames hun belangrijke afspraak vergeten zijn!
Omdat ik weet dat je vingerafdrukken moet geven tegenwoordig, hebben we al uitgebreid gelachen over de sporen die mijn moeder na haar paspoortavontuur zou nalaten in het huis. Een kleine tegenvaller is het dan ook wel dat er een vingerafdrukleesapparaatje blijkt te bestaan. Maar verder verloopt het soepel en vrolijk. Het formulier ontbreekt: geen nood, dat maken ze straks op kantoor wel even.
Ik hoop nu alleen maar dat mijn moeder niet schrikt van het grote gat in haar paspoort. Voor de zekerheid heb ik dat er in laten knippen, omdat ze het anders in moest leveren en ze de hele tijd op zoek zou gaan naar het document. Nog een paar dagen, dan heeft ze een nieuw exemplaar. Met een strenge nieuwe foto. Nou ja, streng. Mijn moeders gezicht staat nu eenmaal altijd op zon, dus twee grote, ondeugende ogen staren je recht aan door de camera.
Gelukkig komt het geen douanebeambte meer onder ogen.
woensdag 9 september 2009
Dat zegt wat!
Bij ‘dement’ denk je al gauw aan iemand die helemaal van de wereld is, niet meer weet wie en waar hij is. Die staat kan ooit komen, het hoeft niet altijd. In elk geval is het een lange weg daar naar toe. Wij bewandelen die weg, mijn moeder en ik. In de praktijk betekent dat dat ik de randvoorwaarden creëer, waardoor zij nog zo goed en zelfstandig mogelijk kan leven. Zo heeft ze inmiddels een grote datumklok, waar ze al helemaal aan gewend is. Geen telefoontjes meer met de vraag welke dag het toch is vandaag, en dat zo’n twintig keer per dag. Eén blik op de klok en ze heeft het zelf ontdekt. Haar nieuwe tv is uitgezocht op de afstandbediening: die moest hetzelfde zijn als de oude. Ze woont in een gezellig flatje in een huis met meerzorg, zorg voor dementerenden in een omfloerste term. Ze heeft er kennissen en vriendinnen, met wie ze koffie drinkt en tv kijkt. En natuurlijk kom ik graag op bezoek. Dan praten we de zaken van het leven weer eens door. Niet meer de politiek en de actualiteit, zoals we vroeger deden, maar de dingen waar zij zoal mee bezig is en vooral de dingen uit mijn leven. Want die van haar weet ze meestal eventjes niet precies meer.
Als je ons zo hoort praten, valt er weinig op. Hooguit dat ze vier keer vraagt of ik nog op vakantie ga, hoe het trouwens met me gaat en of m’n verkering nog aan is. Steeds vaker concludeert ze, als het haar een gepast moment lijkt: “Nou, dat zegt wat!”. Jahaa, beaam ik in een milde bui. Maar soms kan ik het niet laten en vraag ik toch even: Wàt zegt het dan? “Nou ja, ik weet niet precies wat, maar het zegt vast iets,” waarop ze zelf het hardst moet lachen.
Als je ons zo hoort praten, valt er weinig op. Hooguit dat ze vier keer vraagt of ik nog op vakantie ga, hoe het trouwens met me gaat en of m’n verkering nog aan is. Steeds vaker concludeert ze, als het haar een gepast moment lijkt: “Nou, dat zegt wat!”. Jahaa, beaam ik in een milde bui. Maar soms kan ik het niet laten en vraag ik toch even: Wàt zegt het dan? “Nou ja, ik weet niet precies wat, maar het zegt vast iets,” waarop ze zelf het hardst moet lachen.
Abonneren op:
Posts (Atom)