Posts tonen met het label moeder. Alle posts tonen
Posts tonen met het label moeder. Alle posts tonen

woensdag 12 september 2012

Stemmen

Haar ogen lichten op als ik binnenkom. Terwijl ze een handdoek vouwt, zeg ik: “Er zijn verkiezingen vandaag, mam.” “Dan moeten we gaan stemmen”, antwoordt ze resoluut. “Maar dan moet ik zo’n papier hebben.” Ik loop naar haar postvak en daar ligt het bovenop. Ik ben opgelucht. Mijn moeder mag dan niet meer weten welke dag het is, wat politiek is, weet ze nog al te goed. En ook wat ze vindt. Ik pak een rolstoel en een vest en we gaan op pad. "Wat ga je stemmen?", vraag ik onderweg. "Wat ik meestal stem." Ze blijft er tamelijk rustig onder, kalmer dan toen ik er een paar dagen geleden over begon.

“Het is koud zeg”, bibbert mijn moeder voor mij. Ik loop in de luwte, maar zij vangt de onverwachte wind. Gelukkig is het niet ver en nog gelukkiger is het stembureau in een verzorgingshuis. Hier zijn ze goed ingericht op rollend materieel en kijken ze ook niet vreemd op dat ik mijn moeder nog even moet uitleggen hoe het formulier ook alweer werkt. “Zie je de partij waar je op wilt stemmen?” “Ja, die heb ik hier. Maar nu?” Ik kijk over haar schouder mee. “Dan kleur je zo’n rondje rood met dit potlood.” “Welk rondje?” “Welke vind je er goed uitzien? Op wie wil je stemmen?” “Is deze goed?” Ik heb mijn bril niet op en kijk ook niet echt. Intussen word ik gelukkig streng in de gaten gehouden door de medewerkers. “Ja hoor, dat is prima.” Dat wil ze horen.

“Ik parkeer je even hier hoor, dan ga ik nu zelf”, en ik verdwijn in het hokje. Achter mij wordt druk gebabbeld. “We gaan vanavond die papieren tellen. Eerder was er de stemcomputer”, hoor ik de medewerker van het stembureau uitleggen. “Maar nu moet het weer met potlood.” In gedachten zie ik mijn moeder heel begripvol knikken. Ja, ze begrijpt het, dat is veel werk, de arme man. Waar zou hij het over hebben? Een stemcomputer? Wat is dat in ’s hemelsnaam? Maar daar ziet de man niets van.

Ik laat mijn formulier in de stembus vallen en haal de rolstoel van de rem. “Kom mam, we gaan weer.” “Goedendag heren”, groet mijn moeder vrolijk. We rijden de straat weer op. Bij de hoek lopen we een andere dochter en moeder tegemoet. “Het stembureau?”, vraagt de dochter. Ik wijs, bij het gele bordje linksaf. “Waar gaan wij nu heen?”, vraagt mijn moeder. “Naar jouw huis.” “Mijn huis? Waar is dat dan?” “Daarachter, voorbij de winkels.” “O, als jij het maar weet is het goed. Fijn dat je meeging, als ik jou toch niet had.” “Dan had je niet gestemd.” “Zo is het, dan had ik niet kunnen stemmen.”

dinsdag 10 juli 2012

Slaap je al?

Elke paar minuten hoor ik haar stem weer roepen. “Ita? Hoor eens…” Dat betekent: kom even en wel nu. Iets wat ik als puber natuurlijk niet deed. Dan riep ik alleen uit de verte “Jahaa!” En mijn moeder maar wachten… Maar nu doe ik dat niet meer. Zodra ik haar hoor, loop ik snel haar kant weer op, want op blote voeten stiefelt ze alweer naar de deur. Zo haal ik nog even een glaasje met een paar tanden uit de badkamer en zet ze naast haar bed. “De badkamer? Maar als er nu iemand komt, dan moet ik ze hebben.” Even later ondersteun ik haar naar de wc en leg ik haar voor de derde keer deze avond in bed. Ik moet lachen. De wereld heeft zich omgedraaid. Ik was een jaar of 8, denk ik. Slapen was een vervelende bezigheid, die ik het liefst oversloeg. Ik lag dan ook altijd tijdenlang klaarwakker in bed verhaaltjes te vertellen aan mijn beren en liedjes te zingen met de poppen.

Tussendoor liep ik regelmatig naar de huiskamer om even te melden dat ik nog wakker was. “En nu niet meer uit bed komen hoor!”, probeerden mijn ouders me bij te brengen. “Maar kom je dan wel regelmatig kijken?”, vroeg ik en zo kwam mijn moeder af en toe haar hoofd om de hoek van de deur steken. Mij leek dat een leuk klusje.

Op een avond stapte mijn moeder over naar de overtreffende trap. “Welterusten lieverd”, zei ze nog. “Kom je wel regelmatig kijken?”, riep ik naar de sluitende kier van de deur. “Ja hoor”, klonk het door het hout. En daar zwaaide de deur weer open. “Slaap je al?” “Nee”, zei ik. “O.” En dicht ging de deur weer. Woeps, daar zwaaide hij weer open. “Slaap je al?” “Nee.” En weer dicht. En weer open. “Slaap je al?” “Neehee”, hikte ik. Dicht. Open. “Slaap je al?” “Neeeee”, giechelde ik. Dicht – open. “Slaap je al?” “Neeheeeee”, schaterde ik. En ook de stem aan de andere kant werd steeds joliger.

Ik zal het niet herhalen bij mijn moeder. Zij vergeet dat ze al een paar keer geroepen heeft. Ik stop haar nog eens lekker in en vertel haar dat ik nu echt wegga. “Je hoort mijn stem door de deur en komt daardoor steeds uit bed. Zo val je nooit in slaap.” Ik geef haar nog een laatste knuffel en verdwijn in de nacht.

donderdag 26 april 2012

De verhalenverteller komt en hij neemt ons mee op reis.

Over de bergen naar Italië trekken we en daarna terug naar Nederland, naar Deventer, waar de verhalenverteller woont. We komen langs het mooiste schilderij van de wereld. Ik zie het hangen aan de muur, ik zie de mensen die ernaar kijken. Maar we zien nog veel meer, de clown, de gezichten van zijn publiek. Af en toe zie ik de gezichten van de mensen om me heen. Ingespannen luisterend, dromerig, afwezig. Maar wat al hun ogen zien, weet ik niet. Na het slotverhaal, over het mooie, doorleefde hart, vertelt de stille vrouw honderduit over haar vader die een hartkwaal had. Of heeft, in haar beleving.

“Deventer?”, vraagt een ander. “Daar heb ik ook nog gewoond. Dat park ken ik wel. Nee, ik ben niet in Deventer geboren, maar ik heb er gewerkt en daarom ook gewoond.” Zelf denk ik aan de beelden uit de verhalen en aan de diepere betekenis. Ik weet nu al dat ze de komende tijd steeds even bij me terug zullen komen. En bij het zien van het park zal ik ongetwijfeld terugdenken aan het hart van de oude vrouw en aan de rijkdom die iedere ervaring, ook deze weer, mij geeft.

We nemen afscheid vandaag, mijn moeder en ik. Vier jaar heeft ze in Het Huis gewoond. Jaren waarin ze steeds minder kon, maar waarin haar leven niet minder rijk werd. Ze leerde zoveel mensen kennen. Op een heel andere manier dan vroeger, maar met haar warmte wist ze al die mensen voor zich te winnen en aan zich te binden. Ineens kwam er een einde aan. Dat was nodig, dat zag ik ook. Maar ik wilde niet weggaan zonder mooi afscheid.

Daarom is de verhalenverteller met ons meegekomen. Nog één keer zitten we samen in de groep waar ze de laatste maanden haar dagen doorbracht. “Hoe is het om hier nu te zijn? Het is alweer even geleden”, vraag ik. “Ben je gek, even geleden? Ik zat hier gisteren nog”, reageert ze niet-begrijpend. De vier weken ertussen zijn volkomen verdwenen. In alle rust legt ze haar handen naast haar koffiemok op tafel. Ze is thuis en geniet.

Diverse medewerkers komen mijn moeder begroeten. “Hoe is het met u? Wat fijn u te zien!” Mijn moeder geniet van alle aandacht. De bewoners reageren niet op de verschijning van mijn moeder. Natuurlijk niet! Ook voor hen was mijn moeder er gisteren nog, er is niets veranderd, behalve dat er nu een ander op haar stoel zit. En dus wordt er gewoon koffie gedronken, verhuizen de suiker en melk van de ene kant van de tafel naar de andere en weer terug, en wordt er links en rechts gebabbeld.

Maar als de verhalenverteller begint, keren alle vrouwen in de groep, zelfs de in zichzelf gekeerde vrouw in de rolstoel, hun hoofd zijn kant op. Wanneer hij vertelt is het muisstil, want ieder beleeft haar eigen verhaal. Even moet ik denken aan de Fabeltjeskrant. Als kind lachte ik om het Hatsikidee van Lowieke de Vos en wilde ik pas slapen na de knipoog van Meneer de Uil. Later, als moeder, lachte ik om de dubbele bodem die de verhalen hadden en keek ik samen met mijn kind verwachtingsvol uit naar de aloude knipoog. Om mij heen zie ik nu hetzelfde. Ieder geniet op haar niveau en in haar beleving van de verhalen, van de boodschappen. De jongeren horen iets anders dan de ouderen, de medewerksters iets anders dan de bewoners. En het is goed, het is mooi. Voor even is het perfect.

dinsdag 20 maart 2012

We hebben plaats

Ik zit net met mijn hoofd in de bloemenwebsites als de telefoon gaat. Een nummer in mijn eigen stad. Misschien het werk van David? Ik neem beleefd op en wacht af. De man aan de andere kant van de lijn stelt zich voor en noemt zijn bedrijf. Nee, niet de werkgever van David en ik herken de naam niet uit mijn klantenbestand. Gelukkig wacht hij mijn gepeins niet af, maar legt hij het zelf even uit. “Uw moeder staat bij ons op een wachtlijst.” O ja, daar ken ik die naam van! “Ik heb een plaats voor haar.” “Meent u dat? Echt een plaats?” “Ja, overmorgen.” Wacht even, dat gaat me te snel. “Ik wil graag even met haar samen komen kijken. Ze heeft het zelf nog niet gezien.” “Natuurlijk kan dat. Schikt morgen?” Pfff, wat een voortvarende man! “Vooruit, morgenmiddag zou wel kunnen. Niet eerder dan half drie, want mijn moeder slaapt tot twee uur.” “Prima, ik regel het even, u hoort nog van mij.” “En wat bedoelde u dan met overmorgen?” “Dan gaat ze er wonen.” “Ehm, dat is wel heel erg snel en plotseling.” ”Voor uw moeder maakt dat waarschijnlijk niet uit. Wanneer je niets kan onthouden, gebeurt alles plotseling.” “Dat klopt, voor mijn moeder is het sowieso een schokkende ervaring, maar ik ben er ook nog. Ik moet het regelen en ik heb een agenda. Met afspraken.” “Ja, dat begrijp ik, maar overleg dat morgen maar even. Het gaat overmorgen in.”

Verbluft blijf ik achter. Ergens diep van binnen voel ik blijdschap. Er hing een groot zwaard boven onze hoofden. In een behoorlijk snel tempo gaat de situatie van mijn moeder achteruit. Al een paar keer heeft ze me zelf gezegd. “Het gaat niet goed hoor, Iet. Ik denk niet dat ik hier kan blijven.” Uit voorzorg had ik maar vast uitgelegd dat ze bij een mooi huis op de wachtlijst stond, maar dat ze nog lang niet aan de beurt was. “En dan kan het zijn dat je tijdelijk naar een verpleeghuis moet. Ik wil het niet, dat weten ze ook, ik ben daar faliekant tegen.” “Dat snap ik, maar wat moet, moet.” Ze keek me kalm aan. Maar nu gaat dat dus helemaal niet gebeuren. Geen verpleeghuis met lange, witte, kale gangen, maar een flat met ruime eigen kamers. Maar vooral ook met een gemeenschappelijk ‘gezinsleven’, waarin je de hele dag mensen om je heen kunt hebben, precies waar mijn moeder zo naar verlangt.

Maar twee dagen! En dat niet alleen, maar ook nog eens twee dagen met een bulk afspraken in Mijn Agenda. De zorg is goed en nodig, maar de zorg moet onderhand eens gaan begrijpen dat hun bewoners ook familieleden hebben. Familie die graag wil helpen, maar die ook een leven probeert te hebben. En dat gaat best moeilijk als de zorg dat negeert.

Het is een kwestie van geld. Dat zegt de man niet, maar dat begrijp ik zo ook wel. Maar dat is het in mijn geval ook voor een deel. Overmorgen heb ik een overleg waar het om een boel geld gaat en waar ik bovendien al een tijd op wacht. Ik besluit die afspraak dan ook niet af te zeggen, maar de schouders moeten er wel even onder. Eerst maar even contact opnemen met iedereen die dit in eerste instantie al moet weten. Medewerkers in het huis waar mijn moeder nu woont, Heleen natuurlijk, en Anne. Heleen blijkt niet thuis. Anne mail ik, want die wil ik vooral even informeren. En het huis bel ik, want ik wil informeren én overleggen. Heel snel werken we ons erdoorheen. De medewerkster heeft n naam en telefoonnummer voor me, zodat ik iemand kan inhuren om de verhuizing te regelen, maar ik besluit eerst zelf te kijken wat ik voor elkaar kan krijgen. Geld betalen voor diensten vind ik prima, fijn zelfs, wanneer het diensten zijn die ik zelf niet of niet goed kan vervullen. In dit geval kan ik het best zelf. Ik moet vooral de dingen op een rijtje zien te krijgen. Vanavond nog snel wat verhuisdozen kopen. Een paar helpende handen vinden. Een busje huren en een steekwagen. Het enige punt is nog de timing. En zorgen dat ik zelf overeind blijf en mijn agenda nog zoveel mogelijk blijf volgen. Eén afspraak schuif ik vooruit, de rest staat nog even, maar ik neem me wel voor om de komende tijd iedere dag even bij mijn moeder langs te gaan. Ja, dat klinkt overdreven, want ze komt immers in een huis met vierentwintig uur verzorging om haar heen. Dat klopt. Maar mijn gezicht is de enige vertrouwde blik in deze hele stad. Nou ja, en dat van David natuurlijk. En het zal nog jaren duren voordat daar gezichten bijkomen. Als dat al ooit gebeurt.

woensdag 18 januari 2012

Een brief met een rand – de laatste voorbereidingen

“Zal ik even de rolstoel halen”, biedt David aan. Ik heb mijn ogen nog bijna dicht. “Ik moet toch mee.” En dus ga ik zelf, terwijl hij andere dingen doet. Met de rolstoel leen ik een fijn, dik kussen, bedoeld voor decubituspatiënten, dus dat zit ongetwijfeld heerlijk. Na thuiskomst bel ik nog even met Heleen. “Nou, ze wist het hoor”, vertelt ze. “Toen ik binnenkwam, kwam ze uit de badkamer en begon meteen te huilen.” Het voelt nu extra goed dat we morgen naar de begrafenis gaan. De kleren hangen klaar en de schoenen zijn gepoetst. “Ik heb ook je moeder even verzorgd, zodat ze er morgen goed uitziet,” besluit Heleen. Wat vullen we elkaar toch vaak mooi aan; ik zou daar totaal niet aan gedacht hebben tot het moment dat we er waren. Bovendien geeft het mij een zetje om eens aan mijn eigen kleding te gaan denken. De wasmachine kan meteen aan de slag.

Na mijn afspraken van vandaag fiets ik even snel langs Blokker. Daar hebben ze wel fleecedekens, meende Heleen. En inderdaad, turquoise fleecedekens liggen er buiten in een bak. Niet echt een goede begrafeniskleur, maar wel beter dan niets. Bij navraag blijken er binnen nog meer te zijn, ook effen grijs, kleurend bij de kleding van mijn moeder. Ik vind het zo koud dat ik er meteen maar twee meeneem.

Eenmaal thuis ga ik serieus rekenen. Om 13 uur is de uitvaart. Het is ruim een uur rijden, we moeten nog lunchen en misschien is er nog een sanitaire stop nodig. Ik bel de verzorging. “Je moeder gaat om 9 uur ontbijten”, weet ze. Ik besluit om die tijd van huis te vertrekken, even aan te schuiven als dat nodig is en om uiterlijk 10 uur te vertrekken vanaf mijn moeder. Dan zit er voldoende speling in het programma. Niets gaat immers snel: even in- en uitstappen duurt achtmaal zo lang als bij mij, nog exclusief het uit- en invouwen van de rolstoel.

Zo, de planning is klaar, de warme fleecedekens staan klaar in een tas en ik heb nog wat drinken voor onderweg meegenomen. Er is nog maar een klein restje middag en het weer is koud maar prachtig. Misschien een mooi moment om nu even naar het postkantoor te fietsen. Postkantoor?? Dat zit vlak bij de bloemenzaak! Bloemen!!! Ik ren naar de buurvrouw om haar auto te lenen en haast me naar de bloemenwinkel. Bloemen uitkiezen, midden in de winter. Het valt me even niet mee. Gelukkig begrijpt de verkoopster het na lange tijd en begint ze mee te denken. Terwijl ze geschikt worden tot een mooie bos, loop ik even langs het postkantoor. Daar kom ik nog net op tijd binnen. Op de terugweg neem ik van een andere winkel nog een paar warme handschoenen mee, want waar mijn moeder die heeft, zou ik niet weten.

Met een prachtig boeket haast ik me naar huis. Intussen is David thuisgekomen met de auto, waar ik meteen weer mee vertrek om te gaan tanken. Ondanks alles moet ik lachen om mezelf: zo georganiseerd ga ik nooit van huis. Maar op pad met iemand met dementie vraagt om een heldere planning met voldoende speling. Dus alles wat niet per se morgen hoeft, doe ik nu.

Wanneer ik eindelijk toe ben aan de bank, komt de buurvrouw nog even een wijntje drinken. Goed idee. Even ontspannen zitten en het geheel doorspreken. “Reservekleding”, oppert ze. “Goed idee, ik noteer het meteen.” En dan ben ik eindelijk startklaar.

zondag 15 januari 2012

Een brief met een rand - vervolg

Mijn moeder zit al in de grote huiskamer als ik aankom. Misschien ook wel goed. Dan is ze in ieder geval niet alleen wanneer ik weer wegga. “Heb je iets voor me meegenomen?”, vraagt ze al snel. Hoe kan ze dat weten, schiet door me heen, maar het maakt niet uit, ik open mijn tas. Ik geef haar de kopie van de rouwkaart.

Ze schrikt. Even denkt ze dat het mijn neef betreft, maar dan begrijpt ze dat het zijn vader is, haar zwager. Ze schrikt opnieuw, want in haar beleving is hij nog niet zo oud. “Wat erg voor Anne”, verzucht ze. “Ze heeft al zoveel meegemaakt. Nu is ze helemaal alleen.” Ik slik een brok weg. Anne is nu net zo alleen als mijn moeder, zou ze dat bedoelen? Zou ze bedoelen dat ze het zelf elke ochtend zo zwaar vindt om in haar eentje wakker te worden, zonder iemand die zachtjes “goedemorgen” prevelt? Die alvast het koffiezetapparaat aanzet terwijl zij haar haren schikt en die haar boterham gesmeerd en gesneden voor haar neerzet wanneer ze op haar plekje op de bank neerzakt, met de krant naast zich.

Dat ben ik, die al die plaatjes op elkaar plakt. Mijn moeder denkt alleen maar aan haar zus. “Ga jij erheen?”, vraagt ze. Ik knik. “Dan wil ik wel graag met je mee. Ik zie er niet overheen om alleen te gaan.” “Nee, natuurlijk niet. Je gaat daar toch niet alleen naar toe, dan haal ik je op”, stel ik haar gerust. “Op dit soort momenten moet je achter elkaar staan”, zegt ze beslist. “Dat klopt niet he? Achter elkaar klinkt een beetje vreemd. Naast elkaar, dat bedoel ik. Je snapt me wel he?” “Ja mam, ik begrijp het helemaal. Achter elkaar vind ik ook mooi klinken.”

“O, o, overleden. Hoe oud was hij? Drieëntachtig? Dat is ook al een hele leeftijd.” Ik realiseer me dat het niet eens zoveel ouder is dan mijn moeder zelf, maar gelukkig lijkt mijn moeder daar nog ver van verwijderd. “Ga jij naar de begrafenis? Dan wil ik graag meerijden.” “Ja, mam, dat is goed. Maar ik wil nog even met Anne overleggen.” “Dat is een goed idee. Misschien vindt ze het veel fijner als ik een ander moment kom”, bedenkt mijn moeder. “Ik zal haar in ieder geval bellen.” Ik vermoed dat ze dat over een paar uur wel vergeten zal zijn, maar ik neem me voor toch met Anne te overleggen wat ze wil.

De volgende dag bel ik mijn nicht en leg haar mijn dilemma voor. We komen er niet helemaal uit. “Mail mijn moeder”, stelt ze voor. “Ik spreek haar straks, dan heeft ze even tijd om erover na te denken.” Annes antwoord is snel en helder. Ik begin mijn planning voor de dag van de begrafenis. Eerst een telefoontje naar Heleen. Die denkt meteen mee en belooft de kleding klaar te hangen. “En dan ga ik later deze week nog even langs om te kijken hoe het gaat. Ze zal wel een paar dagen van slag zijn.” Wanneer ik David spreek, blijkt dat hij op de dag van de uitvaart een officiële bespreking met zijn projectgroep heeft. “Ik zal wel kijken of het ook zonder mij kan”, belooft hij. Ik plan alvast dat ik een rolstoel haal en langzaam groeit de dag in mijn hoofd. Ik krijg de tijden nog niet helemaal helder. Rust in het programma is belangrijk, om onrust bij mijn moeder te voorkomen. Maar als we al uren op pad zijn voordat het begint, vrees ik dat mijn moeder volkomen verward zal zijn van vermoeidheid, nog voor er een woord gesproken is. Ik besluit haar in ieder geval de rouwkaart in handen te geven onderweg, zodat ze steeds weer even kan zien waar we heengaan.

zaterdag 14 januari 2012

Een brief met een rand

Als ik de post uit de brievenbus haal, zie ik het al. Het handschrift herken ik uit duizenden en de zwarte rand eromheen vertelt me alles wat ik niet wil weten. De envelop is aan mij en aan David gestuurd, dus mijn moeder heeft haar eigen kaart gekregen. In één seconden schiet er zoveel door mijn hoofd, maar de grote bal die plotseling in mijn maag landt, verdooft alle gedachten. Verlies went niet.

Na de eerste tranen dringt de situatie tot me door. Ik ga naar de uitvaart, dat staat vast. De afspraak voor die dag moet ik zo snel mogelijk verzetten. Maar dan. David kan niet mee, zegt hij. Ik antwoord wat hij mij in zulke situaties vertelt: laat het even bezinken en bekijk het even rustig. Wil je mee, zo ja, dan moet je schuiven met je afspraken. Voor afscheid krijg je geen tweede kans.

En dan mijn moeder. Het is haar zwager die op de kaart staat. Bijna zestig jaar kent ze hem. Nog maar kort geleden bekeek ik foto’s waarop mijn moeder, haar zus en de beide geliefden hun spullen inladen voor een vakantie in het buitenland. Jong zijn ze nog, zorgeloos. Inmiddels zijn de beide zussen niet meer in staat elkaar te bezoeken. Ze hebben elkaar dan ook al een paar jaar niet meer gezien. Jaren waarin mijn moeder veel verloren heeft, maar wie haar zwager is, weet ze maar al te goed.

Ik overleg met de verzorging. Kan mijn moeder nog mee? De uitvaart is op de tijd dat ze normaal slaapt. “De maaltijden zijn misschien een probleem”, oppert de verzorgende. Het is de minste van mijn zorgen. Eten verzorg ik wel. Maar het hele ritme wordt overhoop gegooid. “Ze weet nog wie hij is? Dan moet ze zeker gaan”, vindt de verzorgende. In dat geval moet David mee, dan heb ik hem nodig. Iedere minuut is mijn moeder kwijt waar we naar toe gaan en waarom. Het is ruim anderhalf uur rijden…

Hoe kom ik toe aan mijn eigen verdriet als ik mijn moeder moet ondersteunen? Alles in mij protesteert, maar het mag niet om mij gaan. Het gaat om de beide zussen. Ik ga overleggen met mijn moeder en zoek mijn tante. Uiteindelijk hebben zij tweeën de laatste stem. Of meer nog: de stem van mijn tante zal de doorslag geven. Wil zij juist nu haar zusje bij zich hebben? Of wordt die confrontatie teveel op deze toch al zo verdrietige dag?

Eerst mijn moeder. Misschien weet ze nog van niets. “Rouwkaarten halen we er altijd tussenuit”, vertelt de verzorgende me. “Die brengen we persoonlijk aan de mensen, zodat ze niet alleen zijn als ze ze open maken. Je moeder heeft er nog geen gehad.” Ik zal de mijne maar meenemen.

zondag 25 december 2011

Kerst 2011

“Is opa al weg?” Een beetje verwijtend kijkt mijn moeder me aan. Opa? Waar haalt ze die ineens vandaan? “Ja, die is al weg.” “Ik heb het helemaal niet gemerkt”, moppert ze. “Hij heeft gegroet hoor”, pleit ik mijn grootvader vrij. Die groet vond ruim twintig jaar geleden plaats, maar wat is twintig jaar in een mensenhoofd? Peanuts, in elk geval bij mijn moeder.

“Wil je zo even gaan slapen? Het is allemaal wel vermoeiend he?”, probeer ik alvast. “Nee, laat ik dat maar niet doen, dat is niet nodig.” Maar als ik haar aan de arm meevoer naar het toilet, kan ze met moeite op haar benen blijven staan. Eenmaal terug aan tafel is het op. Een groepsleidster biedt aan mijn moeder naar haar kamer te brengen, maar nee, dat zal ik vandaag zelf wel doen. Zo kan zij in de tussentijd beneden helpen, waar alle handen welkom zijn. Even later schuift mijn moeder uitgeput tussen de lakens. Ik geef haar nog een paar dikke knuffels en stop haar lekker toe.

En dat terwijl mijn moeder zojuist voor het eerst in haar leven een spelletje op de smartphone speelde. Weliswaar had ze geen idee dat ze vier vakjes op een rij moest kleuren, maar gedwee liet ze zich door David instrueren. Ze begreep zelfs de bedoeling toen ik zei dat het schermpje reageerde op de warmte van haar vinger. Ah, geen nagel dus, maar je vingertop gebruiken.

Het was slechts een korte opleving en wat ik al vreesde, gebeurt: ver voor het dessert lopen we naar boven. Mijn moeder in een rolstoel en ik erachter. Terwijl David en zijn vriendin de auto halen, leg ik mijn moeder in bed. “Hoe gaat het nu als ik wakker word?” “Dan komt de zuster, je herkent haar wel. Zij komt straks ook nog even kijken.” Bij de deur kan ik nog met moeite “welterusten” zeggen. Mijn keel zit dicht.

woensdag 14 december 2011

Verdwaald

“Het kan dus goed zijn dat wij dat helemaal niet mogen.” De vrouw zit tegenover me en kijkt me begripvol aan. “Je hebt het nog niet gekocht, toch?”, vraagt ze nog even voor de zekerheid. Nee, ik heb me alleen nog maar georiënteerd. Ik zoek een gps-systeem zodat mijn moeder traceerbaar is wanneer ze verdwaald is. Verdwaald betekent in dit geval: al wel erg lang aan het wandelen. Het is de eerste actie die ik nam nadat het verzorgingshuis me belde met de mededeling dat ik moest gaan uitkijken voor een ander huis voor mijn moeder, omdat ze steeds meer wandelt en soms blijkt te verdwalen.

Mijn moeder wandelt omdat ze van lopen en van de buitenlucht houdt en omdat ze niet meer kan fietsen. Voorheen, toen haar hoofd nog helder was, fietste ze dagelijks vele kilometers. Uitwaaien langs het kanaal, met halverwege een kopje koffie bij een restaurant op de route. Ze weet niet dat ze niet meer fietst, maar ze weet wel dat ze loopt. Want dat prijkt vet bovenaan haar lijst “Dingen die ik graag doe”. De mensen van Het Huis gunnen haar haar wandelrondjes wel, maar kunnen haar niet steeds gaan zoeken als ze na een uur nog niet is teruggekeerd. Met een gps-systeem hoeft er op zijn minst niet meer gezocht te worden, maar geeft de computer of een hippe smartphone meteen duidelijkheid over de verblijfplaats van mijn moeder. Met nog wat meer techniek kan ze vervolgens teruggepraat worden naar huis, zonder dat er iemand achter een balie vandaan hoeft te gaan. Sterker nog, dat kan ik zelfs, vanachter mijn bureau kilometers verderop.

Maar nu kan het dus zijn dat er een stokje voor gestoken wordt. “Het klinkt als een vrijheidsbeperkende maatregel en die mogen wij niet uitvoeren”, vertelt de vrouw. “Dus als ik het goed begrijp mag zo’n gps-systeem niet omdat het vrijheidsbeperkend is, met als gevolg dat mijn moeder naar een gesloten afdeling moet, waar ze helemaal niet meer kan wandelen, want gesloten afdelingen hebben vanwege de kosten nooit een tuin.” “Precies, zo zit het.”


Inmiddels is het een paar maanden later. Ik krijg een mail en ja, het is zoals de vrouw al vreesde. Het mag niet. Ze biedt me de maas in de wet, maar ik wil meer: een betere wet. Want wie die maas niet kan gebruiken wordt opgesloten, weggestopt.

vrijdag 11 november 2011

Speldjes

In het winkelcentrum is een nieuwe Hema geopend en daar wandelen we kalmpjes doorheen. “Kijk mam, grijze speldjes. Heb je die nog nodig?” Ik houd ze naast haar opgestoken haar en zie dat ze er goed bij kleuren. “Altijd handig. Maar ik heb geen tas bij me en dus ook geen geld.” “Ik schiet wel even voor.” “Dat is goed, maar ik betaal het straks terug hoor.” Ik loop achter de rolstoel met uitzicht op mijn moeders kapsel. Iedere medewerkster is altijd weer verbaasd als ze hoort dat mijn moeder dat dagelijks zelf voor elkaar maakt. Voor ze de deur uitgaat, wil ze ook altijd van me weten of haar haar nog wel goed zit.

Misschien is dat wel de reden dat de receptioniste vandaag tegen me zegt: “Ah, u bent de dochter van mevrouw Van Dijk”, als ik haar een invulstrookje overhandig. “Leuke vrouw, een beetje een dame.” “Ja, dat klopt wel. Ik ben de gewone in de familie”, grap ik maar. Mijn moeder een dame? Ik zie het niet direct, maar deze middag schittert het er af en toe inderdaad doorheen. Net even anders, maar niet hautain. Vind ik dan, maar ik kan bevooroordeeld zijn.

Het zit er al generaties in weet ik, als ik me zo de foto’s van mijn moeders voorouders in gedachten neem. Haar vader had het en haar grootvader, die toch, volgens de neef die ik gisteren sprak, een gewone vlasboer was. Maar ik herinner mij foto’s van mijn overgrootvader naast zijn broer: beiden vlasboer, maar ieder met een heel andere manier van staan. De ene als boer, een sterke werker, de ander ook sterk, maar vooral aanwezig. Het is mij totaal duidelijk: met mijn overgrootvader viel niet te spotten. Net zo min als met mijn grootvader, al had ik, als jongste en meest dwarse kleindochter, daar soms maling aan, iets wat hij ook wel kon waarderen, want was hij zelf ook niet zo?

Mijn moeder is milder, of meer: toont milder. Als dingen haar werkelijk niet zinnen, zal ze dat laten blijken. Altijd in het nette, nooit met grove taal, maar vooral in haar houding. Dan recht ze haar rug en krijgen haar ogen de felheid die haar tante al in haar baby-blik zag. Het is waar, daarin zie je de dame nog.

En in haar kapsel natuurlijk. Wanneer we in de groep zitten waar ze aan het eind van de middag koffie drinkt, kijkt ze me ineens nadenkend aan. “Krijg jij niet nog iets van mij?”, vraagt ze. Ik denk even na en herinner me dan de haarspeldjes. “Het was ongeveer een euro, maar ik kan het je ook schenken.” “Nee hoor, ik betaal het even terug.” In stilte verbaas ik me. Ze weet precies wat ze uit haar portemonnee tovert, maar bovenal is blijven hangen dat ze mij nog iets verschuldigd was. Meestal zeg ik “Ik schiet het wel even voor”, om vervelende situaties te voorkomen, maar blijkbaar moet ik daar toch mee uit gaan kijken. Mijn moeder onthoudt meer dan ik denk.

Klein baby'tje

“Ik weet nog dat je moeder geboren werd.” De man aan de andere kant van de lijn heeft het over bijna 78 jaar geleden. Ver, ver, ver voor mijn bestaan en hij praat erover alsof het gisteren is. “Als mijn moeder bij mijn oom en tante, jouw grootouders dus, op de thee ging, moest ik mee. Dat deden we vaak en het was een heel gedoe.” Al woonden ze dan in dezelfde stad, het moet in die tijd een fikse reis geweest zijn. “Toen lag op een keer jouw moeder in de wieg, een heel klein kindje. Ze was veel te vroeg geboren.” Mijn moeder was niet de eerste baby die haar grote neef gezien had in zijn jonge leven, want hij was de oudste van alle neefjes en nichtjes in een hechte familie. Dus bij alle kraambezoeken zat hij erbij, de vorige nog geen anderhalf jaar eerder, toen mijn moeders grote zus werd geboren. Dat dat volgende nichtje zo klein was, is hem altijd bijgebleven.

“De doktoren vonden het wel zorgelijk, zo’n klein baby’tje, vertelde je oma. Maar mijn moeder antwoordde toen: kijk maar naar haar ogen, hele felle ogen. Dat is een goed teken.” Ik schiet in de lach. “Zo kan ze nog steeds kijken.” Dat verbaast hem niets. “Ze was heel energiek en dat is ze altijd geweest. Hoe is het eigenlijk met haar?”

donderdag 6 oktober 2011

Naar het Openluchtmuseum

Vandaag is het drukker dan druk. Al bij aankomst zien we het. De parkeerplaats is bomvol en dus moeten we uitladen voor de deur en rijd ik alleen verder voor een parkeerplek langs een achterafweggetje. Als ik bij de ingang aankom heeft zoon de kaartjes al gekocht en zit mijn moeder startklaar in de geleende rolstoel. Het weer is ons waanzinnig goed gezind. Na een week met regen is het vandaag droog en warm. De meegebrachte jassen zitten dan ook in tassen gepropt. Behalve die van mijn moeder natuurlijk, die ligt netjes opgevouwen op haar schoot.

Net wanneer we het museum binnenlopen, komt de Rotterdamse tram er aan. Met rolstoelrijtuig, dus schuiven we mijn moeder gezellig naast een andere dame. “Als je bij de volgende halte uitstapt, ben je op het hoogste punt”, vertelt de dochter van de dame. “Dan hoef je alleen nog maar naar beneden.” Heel praktisch natuurlijk, maar wij zitten niet vanwege het praktische in de tram, maar omdat het de Rotterdamse is. Weliswaar niet zo oud als het rijtuig uit mijn moeders jeugd, maar de kleuren zijn al goed. En dus stappen we twee haltes verder pas uit en lopen we bergop, zoon achter de rolstoel, mijn moeder erin, vol bewondering voor de bomen. Zoons vriendin en ik komen er slenterend achteraan.

Het kruisgebouw, dat is een leuke start, lijkt me. Mijn moeder vindt het echter verwarrend. “Moet ik in bad?”, vraagt ze bij het zien van de bad- en douchecellen. “Herken je de geur?”, vraag ik. “Nee, ik herken helemaal niets.” Niet helemaal het succes waar ik op hoop, blijkbaar liggen het oude kruisgebouw en mijn moeders tijd in de verpleging nog een eind uit elkaar. Zelfs de verhalen over mijn jeugd komen niet meer boven. Dan wordt het tijd voor humor, dat klaart de lucht altijd. “Beetje stijve dokter, vind ik”, toeter ik richting mijn moeder. Het pad is smal en er staan twee mensen tussen ons in. “Nou!” Haar ogen beginnen te glimmen. “Hij zegt ook niet veel.” “Je hebt gelijk, een beetje een nietszeggend figuur.” “En die bril op tafel”, merkt zoon op. “Geen wonder dat hij zo’n onleesbaar handschrift heeft!” Lachend laten we de plastic dokter achter wanneer we weer naar buiten rollen. Op naar de Tilburgse huisjes. Met mijn arm ter ondersteuning probeert mijn moeder het jongste huisje door te lopen, maar gelukkig komt zoon erachteraan met de rolstoel. Lopen én rondkijken is toch wat veelgevraagd en moe laat mijn moeder zich achterover zakken.

Ik loop de andere huisjes nog door met zoons vriendin en vertel kort over de perioden en de bijzonderheden van de huisjes. Dan doen we tenminste nog een beetje historisch verantwoord en kunnen we met een gerust gemoed richting pannenkoeken. Die vinden we op het terras van de herberg. Wanneer de ober de bestelling op komt nemen, noemt ieder zijn of haar keuze. “Met appel en kaneel.” “De Veluwse, maar dan met kaas.” “De Veluwse, wel gewoon met ei.” “Een pannenkoek”, zegt mijn moeder. “Jij wilde geloof ik graag een spekpannenkoek, he mam?” “Ja, een spekpannenkoek graag”, herhaalt ze voor de ober. Met grote ogen kijk ik een tijdje later naar mijn moeders bord. Het is leeg. Helemaal leeg. En het hele flesje cola dat ze erbij dronk is ook leeg. Beslist iets om te melden aan Het Huis. Meestal bereiken me geluiden over “te weinig gegeten, niet voldoende gedronken”, maar pannenkoek en cola zijn in een mum van tijd verdwenen. Is het de buitenlucht? Of is het een kwestie van smaak?

Het wordt tijd om ons op te splitsen. Zoon heeft nog wat wensen en zijn vriendin bezoekt het Openluchtmuseum zelfs pas voor het eerst. Ik neem mijn moeder in de rolstoel mee. Over hobbelige keien duw ik haar naar de kerk. Zelf zit ik er graag, zolang er geen dominee is, en voor mijn moeder lijkt het me zo vlak na het eten een fijn, rustig plekje. “Laat maar hoor”, klinkt ze hobbelig. “Ik ga wel lopen.” “Nee joh, het gaat prima. Of is het voor jou vervelend?” “Nee, maar het lijkt me zo lastig voor jou om me te duwen.” Elke vijf meter herhaalt dit gesprek zich en ik ben dan ook trots dat het me lukt mijn moeder met rolstoel en al over hobbelkeien bergop de kerk in de krijgen. Alleen wacht ons daar geen rust. Het is hoogzomer en hartje schoolvakantie, dus het is ook in het Zeeuwse kerkje druk. Menig ouderling denkt verlangend aan zoveel belangstelling voor zijn of haar kerk. Lang blijven de bezoekers niet, maar direct worden zij afgewisseld door nieuwe belangstellenden.

“Ik wil nu wel weer eens naar huis”, zegt mijn moeder ineens. Oei! Dat we maar drie dingen gezien en een pannenkoek gegeten hebben, vind ik geen punt. Mijn doel vandaag is niet om zoveel mogelijk te bekijken, maar om samen met mijn moeder te genieten van het museum. En dat genieten zouden we onder andere in de Rotterdamse tram doen. Niet die ene waarin we naar boven gesnord zijn, maar de echte oude tram die mijn moeder als jong meisje van school naar huis voerde. Lijn 2 naar Charlois, in een tijd dat dat nog een mooie, jonge buitenwijk in aanbouw was. Mijn moeder weet het niet, maar de mensen van de tram laten deze wagen speciaal voor haar rijden vandaag, omdat ik op mijn verjaardag samen met mijn moeder wil genieten in ‘haar’ trammetje. Op weg naar de halte vertel ik het haar. Nou vooruit, dat wil ze nog wel, al is ze inmiddels wel toe aan haar middagslaap. We laten lijn 1 uit Arnhem voorbijgaan, maar daarna schuurt de onze in de verte de bocht om. De conducteur helpt mijn moeder aan boord en we vouwen de rolstoel op. Deze rit gaan we op een echt bankje, vlakbij de machinist. Dat blijkt de medewerker te zijn die deze tram geregeld heeft. Al snel begrijpt hij dat hij de hooggeplaatste passagiere aan boord heeft. “Vindt uw moeder het leuk?”, vraagt hij. Ik kijk naar haar tevreden en kalme gezicht. Het uitzicht mag dan anders zijn dan dat op de huizen en schepen in de Maasstad destijds, maar in een scherpe bocht lacht ze me toe. “Dit geluid vergeet ik nooit”, roept ze boven de gierende wielen uit. We rijden nog een extra rondje. De wens om naar huis te gaan is even verdwenen. Of nee, niet verdwenen, vervuld. Meer thuis dan haar eigen huis is dit bankje in de tram. Haar tram. En ik mag ernaast zitten.

De verjaardag is geslaagd, mijn moeder is moe. Zoon en zijn vriendin wachten bij de uitgang. Voldaan rijden we in de middagzon weer naar huis.

woensdag 13 juli 2011

Waar zijn we geweest?

Mijn moeder staat voor het raam en zwaait. Ik kijk met de afwaskwast al in mijn hand even met haar mee naar mijn oom en tante die in de diepte naar hun auto lopen. “Ga jij maar even zitten, we hebben het druk gehad. Dan doe ik intussen even de afwas.” Moe zakt ze op de bank neer. “Ik ben ook wel duizelig.” “Dat komt van de vermoeidheid, denk ik.”

Snel was ik de mokken en de lepeltjes, neem en passant nog een paar glazen mee die volgens mij niet zo vaak in een sopje belanden. Ik droog het en zet het in de kast. Even later zit ik tegenover mijn moeder. “Waar zijn we nu vanmiddag geweest?”, vraagt ze mij. “We zijn niet weggeweest, we hebben bezoek gehad. Tante Nel en oom Klaas.” “Meen je dat? Daar weet ik niets meer van.” “We hebben ze net uitgezwaaid.” “Ging het goed, het bezoek?” “Ja, het was erg gezellig.” “Wat is dat toch jammer, daar weet ik nu niets meer van.” “Dat vind ik ook erg jammer voor je. Maar hoe voel je je?” “Goed, wel vrolijk.” “Voelt het alsof je een fijne middag hebt gehad?” “Ja, zo voel ik me wel.” “Dan is de herinnering wel weg, maar het heeft toch effect op je. Het is blijkbaar wel goed, want je voelt je fijn.”

“Hoe laat is het eigenlijk? Ik moet gaan eten”, zegt mijn moeder. De aanvangstijden van de activiteitengroep hebben zich sinds haar komst in Het Huis in haar brein genesteld. Dat er begonnen wordt met koffie, een praatje en een activiteit voordat het eten op tafel komt, is er niet naast geplakt. Door het bezoek was ze afgeleid van de klok, maar nu dringt die zich weer op. “Ik loop even mee, want het kan zijn dat de anderen er nog niet zijn.” De leidster had me eerder al verteld dat de groep vanmiddag een ijsje zou gaan eten. Vrolijk lopen we samen naar de groepskamer.

zaterdag 9 juli 2011

Kennen jullie elkaar?

"Kennen jullie elkaar eigenlijk?", vraagt mijn moeder aan de man en vrouw tegenover haar. De vrouw kijkt even verschrikt. De man antwoordt olijk: "we zijn nu 57 jaar getrouwd, dus ja, ik denk dat we elkaar wel kennen." Even fronst mijn moeder haar wenkbrauwen. Moet ze deze mensen zelf ook kennen dan? "Ik ben Nel, de zus van Jan", zegt de vrouw. "Ben jij Nel? Ik herken je helemaal niet", zegt mijn moeder tegen haar vroegere schoonzus. Pas als Nel even later moet lachen om de luchtige grapjes van haar man, reageert mijn moeder enthousiast: "ja, nu zie ik het, je lach, die herken ik!"

Intussen zie ik op de wang van Nel iets glinsteren. Ik hoop dat het de lichtval is. "Ik begrijp het wel", probeer ik wat te verzachten. "Bij je kleinzoon heb je hetzelfde. Je hebt een oud plaatje in je hoofd en inmiddels zijn we allemaal ouder geworden. Dat past niet meer bij dat plaatje." Het is een schrale troost. Maar mijn tante begrijpt het helemaal. Wanneer ze oude herinneringen op gaat halen, nog van voor mijn geboorte, kan mijn moeder volop meepraten. De oude pastorie met het ijs op de ramen, de moestuin die onderhouden werd door de dorpsbewoners, maar meteen ook grotendeels leeggegeten, de ijzige verhouding tussen mijn grootouders en hun oudste zoon, mijn vader. Niet alleen voor mijn moeder is dit bijzonder, ook ik luister met interesse. Zo heb ik mijn tante nog nooit horen praten. Mijn vader wilde het niet hebben over het verleden en daarmee verdween alles van voor mijn tijd in de doofpot.

Na mijn vaders overlijden had die pot best geopend kunnen worden, maar mijn moeder kon er zelf al niet meer bij. Met de hulp van mijn tante en oom, die ineens zo vrij vertellen over een tijd waarin een eigen wil ondergeschikt was aan wat de mensen konden denken, krijg ik ineens een inkijkje in het leven van toen, en een blik op mijn mooie, moedige, eigenwijze ouders, die tegen de wens van hun (schoon)ouders in hun eigen koers voeren. Het kwam de sfeer niet ten goede, vertelde mijn tante. Mijn moeder lacht geheimzinnig. "Weet je wat je altijd zei over mijn ouderlijk huis?", zegt tante Nel. "Als wij hier binnenkomen hangen de ijspegels aan het plafond." Dat weet mijn moeder nog wel, al te goed.

zondag 26 juni 2011

Mijn moeder kijkt op van het papier

Mijn moeder kijkt op van het papier. “Dat heb ik geschreven.” “Dat klopt”, antwoord ik. “Wanneer dan?” “Vlak nadat opa overleden is, volgens mij. Kijk maar, daar onderaan staat een datum.” “21 maart 1991”, leest ze. “Ik sta hier nog steeds achter. Heb jij het ook gelezen?” “Ja, dat heb ik gedaan. Ik wilde weten wat het was. Ik vond het in een doosje.”

“Neem je het weer mee?”, vraagt mijn moeder. “Ja, laat ik dat maar doen. Ik heb er ook een paar kopieën van gemaakt, voor de zekerheid. En ik denk dat ik er maar een keer met de huisarts over praat.” “Dat is een goed idee. Maar het geldt nu nog niet hoor.” “Nee, dat vind ik ook.” “Ik geniet nog van zoveel dingen, ook van kleine dingen. Van deze bloemen bijvoorbeeld”, wijst ze naar de orchideeën op tafel. “En van de gezelligheid hier, koffie drinken met elkaar. En ik geniet boven alles van jou.” “Er wonen hier ook mensen die geen kinderen hebben”, zeg ik. “Dat lijkt me zó stil”, antwoordt mijn moeder.

“Maar hoe zie jij het dan eigenlijk? Tien jaar geleden kon je nog alles, nog zoveel meer dan nu. Hoe is dat voor je? Hoe zie jij dan de kwaliteit van jouw leven?”, vraag ik. “Tja, ik kan minder dan ik kon”, begint mijn moeder. “Ik praat er niet vaak over, maar het is wel zo. Dat is niet leuk, minder kunnen, maar ik heb het hier goed. Er wordt goed voor me gezorgd, ik heb hier leuke contacten en ik geniet nog steeds van veel dingen. Moet je eens zien wat een prachtige bomen buiten. Daar kijk ik altijd graag naar. Ik heb het erg getroffen.”

“Sommige dagen zie ik de bomen”, gaat ze verder, “en andere dagen heb ik alleen maar oog voor de regen. Ik ben natuurlijk niet altijd vrolijk, maar dat is niet anders dan bij andere mensen. Daarom is mijn leven nog niet zinloos of heeft het geen kwaliteit meer.”

“Ik heb een artikel gelezen waarin staat dat euthanasie bij mensen met dementie weinig voorkomt, ook al zeggen veel gezonde mensen: als ik dat krijg, wil ik liever een spuitje”, vertel ik. “Misschien omdat de dokter vindt dat je niet meer weet wat je zegt, als je dementie hebt”, denkt mijn moeder. “Dat kan, maar het kan ook zijn dat mensen met dementie het leven helemaal niet zo zinloos en naar vinden als het er van de buitenkant uit ziet”, vind ik. “Dat is ook waar. Maar dat kun je niet zien. Je kunt nooit in een ander kijken, je kunt nooit precies weten hoe een ander iets ervaart.”

Peinzend over al deze wijsheid knabbelen we van een koekje. “Zeg, hoe is het met je zoon? Hij zit al op een andere school, he?” “Ja, in het tweede jaar nu. Hij heeft bijna vakantie.” Alles is weer even zó gewoon, dat ik helemaal vergeet me te verbazen dat mijn moeder weet dat haar kleinzoon inmiddels studeert.

vrijdag 24 juni 2011

Goud

Goud, puur goud straalt me tegemoet als ik de snelweg afdraai. Mijn adem stokt. Heel even denk ik nog: camera vergeten, maar daarna laat ik me alleen maar verblinden door die adembenemende schoonheid. De weg is stil, in een flits registreer ik een afslag naar een carpoolplaats en slinger de auto erop. Ik draai hem zo dat ik vrij zicht heb op de telkens veranderende lucht. Op de tast vis ik mijn telefoon uit mijn rugzak op de stoel naast me en bel mijn moeder. Vanuit haar flatje heeft ze elke avond uitzicht op de ondergaande zon. Zomer, winter, ze geniet ervan. Maar deze heeft ze vast nog nooit gezien.

Wat moeizaam neemt ze op. Even later begrijp ik dat ze al in bed lag. Precies wat ik vreesde: dat deze schitterende zonsondergang aan haar voorbij zou gaan. In een steeds veranderend spel met de schuivende wolken blinkt het goud ons tegemoet. Verbonden met alleen een lijntje door de lucht genieten we er samen van. Diep oranje ziet mijn moeder. Het lijkt wel goud, vind ik. Ja, goud, mijmert mijn moeder. Prachtig, he. Ja mam, prachtig.

donderdag 16 juni 2011

De dame van het CIZ

Het is nog maar acht uur als ik voor de dichte deur van het Huis sta. Ik heb een sleutel voor dat soort situaties. Sinds een paar jaar is het Huis beveiligd met camera’s en een speciaal slot voor de uren buiten kantoortijden. Wie daar geen sleutel van heeft, moet aanbellen en wordt gecontroleerd. Spijtig dat dat nodig is, maar tegelijkertijd geeft het mij een veilig gevoel. Zo kunnen er geen rare types bij mijn moeder aan de deur verschijnen.

Ik laat mezelf naar binnen en loop via de trap naar mijn moeders etage. Er is al veel bedrijvigheid. De verzorgenden zijn druk in de weer, een schoonmaakkar staat midden in de gang. De hulp is in een appartement aan het werk. Mijn moeder is net aangekleed en heeft haar haar al opgestoken, wanneer ik binnenstap. Ze is niet verbaasd me te zien. Mensen vragen me vaak of mijn moeder mij nog herkent. Ooit, éénmaal, is het voorgekomen dat ze geen idee had wie ik was. Nog geen minuut duurde die verwarring. Maar verder komt het nooit voor dat ze niet weet wie ik ben. Ze vergeet hooguit dat ik niet bij haar woon. Soms lijft ze mij gewoon in haar huishouden in, hoewel ze meestal wel weet dat mijn huis ergens anders staat. Geen idee waar, maar wel ergens anders. “Maar doe hier of je thuis bent hoor”, zegt ze me. “Dit is ook jouw huis!” En dus schenk ik even later wat te drinken in, wanneer mijn moeder is gaan zitten vanwege een aanval van duizeligheid.

Ik vertel dat er zo iemand van het CIZ langskomt. “Je krijgt meer zorg. Je gaat al naar een groep waar je eet en koffie drinkt en activiteiten doet, maar nu is er een groep voor het ontbijt en een avondgroep bijgekomen”, leg ik uit. “Dat kost allemaal geld en het CIZ bepaalt of het Huis dat geld krijgt. Er wordt bekeken of je inderdaad meer zorg nodig hebt.” “Fijn dat je het even uitlegt”, zegt mijn moeder. “Die extra zorg is nodig omdat je een aantal dingen minder goed kan”, ga ik door. “Zoals actief zijn. Voor mensen met dementie is dat best ingewikkeld. Eerst moet je bedenken wat je gaat doen. Tekenen bijvoorbeeld. Dan moet je bedenken wat je daar allemaal voor nodig hebt, dat moet je opzoeken en klaar zetten. Dus het is heel anders dan vroeger, toen was je juist heel actief.” “Het is wat he”, zegt mijn moeder. “Vroeger kon ik alles zelfstandig en dan plotseling is dat voorbij en heb ik overal hulp bij nodig. Daar hoef je niet om te huilen, het is nou eenmaal gewoon zo.” “Maar ik vind het wel erg, ik vind het triest”, antwoord ik. “Zolang ik maar weet wie jij bent, is het goed”, troost mijn moeder. “O ja? Wie ben ik dan?”, vraag ik. “Jopie uit de Javastraat”, grijnst ze.

En dan komt de dame van het CIZ. Ze stelt allerlei vragen, samen nemen we het formulier door, omdat de gegevens niet meer kloppen. Dat er nog geen handtekening gezet is, is niet erg. Ik ben immers aanwezig, mijn toestemming is wel duidelijk. Weliswaar werkt het geheugen van mijn moeder totaal niet meer, maar de sociale vaardigheden voor een dergelijk gesprek heeft ze wel degelijk nog. Het valt amper op dat ze werkelijk niets kan onthouden. Dat ze geen flauw idee heeft wie er naast haar op de bank zit, laat ze zelfs met haar ogen niet zien. Op alle vragen geeft ze keurig antwoord. Zo nu en dan licht ik iets toe. Ik houd mijn hart dan ook even vast als de CIZ-medewerkerster vraagt: “En wat doet u zoal overdag, als u in uw eigen flat bent?” “Ik doe van alles”, begint mijn moeder. “Ik, eh, sta eens op, loop rond, kijk uit het raam. En ik kijk weer uit het raam en nog eens. Ik kijk, kortom, veel naar buiten.” “Lees je nog?”, vraag ik. “Jawel, dat nog wel. Maar hele rijen boeken achter elkaar, zoals vroeger, dat niet meer.” “Vroeger tekende je veel en handwerkte je ook”, zeg ik nog. “Ja, tekenen deed ik graag. Maar aan handwerken had ik een hekel, bah!”, zegt mijn moeder vol afschuw. Ik ben stomverbaasd. Een hekel? Ze maakte voor zoon een groot wandkleed en een prachtig babytruitje. En ook later heeft ze nog gebreid. Zijn eerste knuffel kwam ook van haar hand, volkomen onverwacht kreeg ik een zelfgebreid Nijntje voor zoon, de dag dat voordat hij geboren werd. Maar dat ze nu niet meer van breien houdt, weet ik. Dat heeft ze me al vaker verteld. Geen wonder. De lapjes die ik in het Huis soms zie, zijn niet te vergelijken met de kleine kunstwerken die ze zelf vroeger in elkaar zette.

De dame van het CIZ wil nog wat weten van de verpleging en van de geriater. Als ze al die gegevens bij elkaar heeft, zal ze besluiten of er werkelijk meer geld voor zorg beschikbaar komt. Ik maak me voorlopig geen zorgen. Het is duidelijk dat mijn moeder weinig meer zelf doet. Een half jaar geleden sleepte ze zelf de koffie nog aan, maar inmiddels neemt ze met plezier elke middag het kannetje van het Huis in ontvangst. Koffie zetten is best ingewikkeld geworden, weet ik uit de verhalen van Heleen.

Vriendelijk en correct laat mijn moeder de vrouw even later uit. We pakken onze spullen bij elkaar. Als mijn moeder bijna onderuitklapt op de gang, pak ik de rollator. “Neem deze mee, mam”, beveel ik zacht. “Dan val je in ieder geval niet.” Samen lopen we naar de lift. Ik ga nog even mee naar het ontbijt, voor een lekker kopje thee. En om weer een beetje meer te wennen aan de stille dames met wie mijn moeder tegenwoordig haar dagen deelt.

vrijdag 10 juni 2011

Vroeger is dood

Er zijn telefoontjes die je vreest. Sommige zul je nooit krijgen, hoop je met heel je hart. Maar andere krijg je op een dag. Dat weet je. Alleen blijft het tijdstip ongewis, tot je ze krijgt. Zoals vandaag.

‘Het Huis’ staat er in het schermpje. En nee, de verzorgende klinkt niet zo opgewekt als anders. Gelukkig ook nog geen grafstem. Die hoop ik ook werkelijk nooit te treffen. Op dat moment hoop ik daar te zijn, zittend naast haar, met haar broze handen in de mijne. Met een washandje verkoel ik haar gezicht.

Zover is het nu niet. Nog niet. Maar het nadert, dat moment. Bijna een jaar geleden signaleerde ik het al, toen de verzorging het nog niet zo in de gaten had. Haar woordenschat begon langzaam te slinken. Woorden die de medewerkersters niet kenden verdwenen uit haar hoofd. In de conversatie vielen zoekpauzes. Inmiddels zijn het niet meer alleen die woorden, maar is ook haar kennis onbereikbaar aan het worden. Het lopen gaat moeilijk, vooral omdat de weg naar het “hoe moet je lopen”-centrum in haar hersenen nog maar een dun draadje lijkt te zijn. Geluiden van anderen storen haar en in haar eentje in haar kamer wordt ze onrustig. Waar moet ze ook alweer heen? Ze wordt toch ergens op tijd verwacht? Op tijd zijn is er ooit al jong ingeslepen. Dat is een tweede natuur geworden. En dus gaat ze de gang op, op zoek naar iemand die haar kan vertellen hoe laat en waar ze verwacht wordt. Het antwoord blijft alleen niet langer dan 15 seconden hangen. En dus gaat ze weer op zoek naar iemand die haar kan vertellen hoe laat en waar ze verwacht wordt. Het antwoord blijft alleen niet langer dan 15 seconden hangen. En dus gaat ze.........

Alles bij elkaar is het voldoende reden om de zorg uit te breiden. Niet alleen gaat ze nu naar de dagopvang, maar ook zit ze in de ontbijtgroep en is er sinds deze week een avondgroep bij. En een paar dagen geleden heeft ze haar oude dag-groep verlaten om naar de laatste groep te gaan. De kleine groep, met rust, eenvoudige spellen en een vrolijke, warme inrichting. Haar eigen leidster was er niet gelukkig mee. Vaak ging het nog best, vond ze. Maar ze moest toegeven dat haar collega’s gelijk hadden: steeds meer dagen ging het eigenlijk niet. Ze moest alle zeilen bijzetten om het bij te kunnen houden. De gesprekken gingen snel, de vragen werden te moeilijk. Nu, na twee dagen proberen op de nieuwe groep, moet ze het toegeven: de oude, zorgende aard komt weer naar boven. Mijn moeder zit weer lekker in haar vel.

Het is slikken, heel diep slikken. Ze heeft helemaal gelijk en ik beaam het allemaal, maar diep van binnen wil ik dit helemaal niet. Ik wil niet dat mijn moeder naar een andere groep gaat, want ik wil niet dat ze achteruit gaat. Ik wil niet dat ze wegglijdt uit mijn leven. Ze is het laatste wat ik van vroeger heb. En terwijl ik dit zeg, weet ik dat het onzin is. Mijn vroeger is allang onbereikbaar in haar geheugen. Vroeger is dood. En ook ik sterf een beetje, van binnen.

vrijdag 3 juni 2011

Familiedag

Vandaag is het Familiedag. Dat was tenminste de bedoeling. Een paar weken geleden belde een van de groepsleidsters met de mededeling dat er maar vijf aanmeldingen waren en de dag dus niet doorging. Vijf familieleden van de veertien deelnemers. Voor mij is het onbegrijpelijk. Ik keek er al naar uit dat er weer een familiedag zou komen, maar blijkbaar leeft die behoefte lang niet bij iedereen. Ik stel de leidster voor om die vijf mensen dan gewoon een ochtend mee te laten draaien. Dat vinden de leidsters niet praktisch, maar Heleen en ik zijn van harte welkom om te komen. En dat doen we dus vandaag.

We komen keurig op tijd om 10 uur het lokaal binnen, maar blijken bepaald niet de eersten te zijn. Geen wonder. Op woensdag is er sinds kort een gemeenschappelijk ontbijt voor een klein groepje mensen, waaronder mijn moeder, en die zijn direct na het ontbijt doorgewandeld naar hun eigen lokaal. Uitgepraat zijn ze echter nog niet. Meneer Smit heeft als gewoonlijk het hoogste woord, maar hij wil ons graag even uitleggen hoe dat komt. “Ik ben vertegenwoordiger geweest, altijd maar praten en nu kan ik niet meer ophouden.” Toch is het tussen al zijn grapjes door geen gezwam wat hij uit. Met tranen in zijn ogen vertelt hij hoe zijn oogappel, al ruim 65 jaar de vrouw van zijn dromen, tegenwoordig in een verpleeghuis woont. Hij zit noodgedwongen hier. “We hebben hier samen gewoond, heel lang, maar een tijdje geleden moest ze verhuizen. En nu zit ze daar. Ze moppert nooit hoor, dat is fijn voor mij, want zodra ik maar even kan, ga ik naar haar toe. Maar zo gaat dat dus, na 65 jaar halen ze je uit elkaar.” Heleen probeert zijn gemoed wat op te fleuren, maar ik wil nog even weten of hij niet zou wensen dat er een woonoord was waar ze samen konden wonen: zij met de zorg die ze nodig heeft en hij met de vrijheid die hij aankan. Meneer Smit ziet even niet hoe dat zou moeten. Misschien maar beter, die kans is er niet voor hem.
Het zou al schelen als ze verpleeg- en verzorgingshuis naast elkaar zouden zetten, zodat meneer Smit zelf naar zijn vrouw kan wandelen, wanneer hij daar zin in heeft. Al lost dat niet alles op. “Het is zo leeg naast me”, zegt hij.

Ik word er stil van, maar dat is natuurlijk niet de bedoeling. Want het volgende moment praat hij weer vrolijk door over de goede kanten van het wonen in dit huis. “En vertel eens”, begint hij tegen Heleen en mij. “Jullie zijn nog jong, maar zou je hier wel willen wonen later?”
“Dat is een moeilijke vraag”, begin ik. “Toen ik hier voor het eerst kwam, schrok ik. De kamers waren zo klein. Als ik in het midden stond, kon ik me van de ene muur naar de andere laten wiegen.” Ik zwaai mijn bovenlijf met gestrekte armen heen en weer om te laten zien hoe klein ik het vond. “Maar toen mijn moeder hier voor het eerst kwam, vond ze het geweldig, zo’n knusse, kleine kamer. Overzichtelijk, gezellig. Ik ben te jong om van zoiets te kunnen genieten. Ik heb nog teveel behoefte aan ruimte.” De grijze hoofden om ons heen knikken herkennend. Ja, zo zijn ze ook geweest. En klein is het, dat zien ze zelf ook. Maar ze wonen er allemaal met veel plezier, verzekeren ze ons.
Ook de vrijwilligster die langsloopt praat nog even mee. “Van mij hoor je geen kritiek op de verzorging. Overal wordt zo hard gewerkt. Maar er zijn huizen waar het niet fijn is, die heb ik ook wel gezien. Hier vind ik het plezierig.” “Dat is ook mijn ervaring”, vertel ik haar. “Ik ben op plaatsen geweest waar ik mijn moeder echt niet wil laten wonen, dus ik heb kritisch gekeken toen we samen een flat voor haar zochten.” Mijn moeder hoort het allemaal rustig aan. Ze geniet volop van de aanwezigheid van Heleen en mij.

donderdag 5 mei 2011

Jullie lijken niet op elkaar

“Jullie lijken niet op elkaar", constateert de man tegenover me. Hij kijkt van mijn moeder naar mij. “Jullie haar is heel verschillend.” Gelukkig maar, denk ik. Mijn moeders haar is inmiddels spierwit, daar voel ik me nog te jong voor. “En jij hebt meer gewicht”, voegt hij er nog aan toe, met zijn armen voor zijn buik zwaaiend. “Je doet nog net dit niet”, reageert mijn moeder pijlsnel, en ze beeldt een stevige boezem uit. “Nee, dat deed ik niet”, roept de man meteen. “Dat deed ik echt niet.” De anderen aan tafel roepen er lachend doorheen. Hilariteit alom. “Ik ben slager geweest”, zegt de man nog even. “Dus ik houd wel van wat vlees.” Inmiddels ben ik bijna geschokt.

“U bent nieuw hier, volgens mij”, zeg ik tegen hem. “Niet in het huis hoor, ik zag u vier jaar geleden al, toen ik hier voor het eerst kwam kijken.” “Weet je hoe het komt dat ze dat nog weet?”, verklaart hij tegen de anderen. “Dat overkomt alleen knappe mannen.” Daarna komt hij zelf niet meer bij om zijn eigen grap.

“Je bent nogal blij met jezelf”, zegt de vrouw naast hem. “Ja, ik mag mezelf wel”, reageert de man. Hartstikke goed, vind ik. “Je sleept jezelf overal mee naar toe, dan is het wel zo prettig als je jezelf leuk vindt.” Daar is iedereen het eigenlijk wel mee eens. “En als ik mijn vrouw weer bezoek, beginnen haar ogen te glimmen”, zegt de man nog. Is het al zo ver, bedenk ik me. De man woont in het verzorgingshuis. Al jaren. Eerder samen met zijn vrouw, maar tegenwoordig woont hij er alleen. Zijn vrouw is naar het verpleeghuis overgegaan. Zo pijnlijk, vind ik dat steeds weer. Echtparen die bijna hun hele leven al samen geweest zijn en dan in de tijd dat ze zelf hulpbehoevend worden, worden ze uit elkaar gerukt. En dan is de achterblijver ook niet meer zo fit dat hij of zij makkelijk naar het verpleeghuis kan om op bezoek te gaan. Op bezoek, nota bene, bij degene met wie je al zestig jaar getrouwd bent.

Maar aan meneer S. is niets te zien. Hij blijft even vrolijk. De koffie wordt rondgedeeld en terwijl we daarvan genieten, leest een van de leidsters voor uit een boek met streekverhalen in dialect. Ze verontschuldigt zich voor haar uitspraak, want dialect spreekt ze voor het eerst in haar leven. Volkomen onnodig, die verontschuldiging, het verhaal is goed te volgen en hilarisch voor wie het allemaal kan onthouden. Dat zijn er maar weinig in het gezelschap, maar voorgelezen worden blijkt toch fijn te zijn.

Ik moet helaas gaan, ik heb een ander leven, met een ander ritme. Maar binnenkort kom ik terug. Dan loop ik een hele ochtend mee met de groep. Extra handen voor de leiding en een mooie inkijk voor mij in de dagbesteding van mensen met dementie. Ik moet alleen nog een beetje shockproof worden, geloof ik.