Posts tonen met het label huis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label huis. Alle posts tonen

donderdag 26 april 2012

De verhalenverteller komt en hij neemt ons mee op reis.

Over de bergen naar Italië trekken we en daarna terug naar Nederland, naar Deventer, waar de verhalenverteller woont. We komen langs het mooiste schilderij van de wereld. Ik zie het hangen aan de muur, ik zie de mensen die ernaar kijken. Maar we zien nog veel meer, de clown, de gezichten van zijn publiek. Af en toe zie ik de gezichten van de mensen om me heen. Ingespannen luisterend, dromerig, afwezig. Maar wat al hun ogen zien, weet ik niet. Na het slotverhaal, over het mooie, doorleefde hart, vertelt de stille vrouw honderduit over haar vader die een hartkwaal had. Of heeft, in haar beleving.

“Deventer?”, vraagt een ander. “Daar heb ik ook nog gewoond. Dat park ken ik wel. Nee, ik ben niet in Deventer geboren, maar ik heb er gewerkt en daarom ook gewoond.” Zelf denk ik aan de beelden uit de verhalen en aan de diepere betekenis. Ik weet nu al dat ze de komende tijd steeds even bij me terug zullen komen. En bij het zien van het park zal ik ongetwijfeld terugdenken aan het hart van de oude vrouw en aan de rijkdom die iedere ervaring, ook deze weer, mij geeft.

We nemen afscheid vandaag, mijn moeder en ik. Vier jaar heeft ze in Het Huis gewoond. Jaren waarin ze steeds minder kon, maar waarin haar leven niet minder rijk werd. Ze leerde zoveel mensen kennen. Op een heel andere manier dan vroeger, maar met haar warmte wist ze al die mensen voor zich te winnen en aan zich te binden. Ineens kwam er een einde aan. Dat was nodig, dat zag ik ook. Maar ik wilde niet weggaan zonder mooi afscheid.

Daarom is de verhalenverteller met ons meegekomen. Nog één keer zitten we samen in de groep waar ze de laatste maanden haar dagen doorbracht. “Hoe is het om hier nu te zijn? Het is alweer even geleden”, vraag ik. “Ben je gek, even geleden? Ik zat hier gisteren nog”, reageert ze niet-begrijpend. De vier weken ertussen zijn volkomen verdwenen. In alle rust legt ze haar handen naast haar koffiemok op tafel. Ze is thuis en geniet.

Diverse medewerkers komen mijn moeder begroeten. “Hoe is het met u? Wat fijn u te zien!” Mijn moeder geniet van alle aandacht. De bewoners reageren niet op de verschijning van mijn moeder. Natuurlijk niet! Ook voor hen was mijn moeder er gisteren nog, er is niets veranderd, behalve dat er nu een ander op haar stoel zit. En dus wordt er gewoon koffie gedronken, verhuizen de suiker en melk van de ene kant van de tafel naar de andere en weer terug, en wordt er links en rechts gebabbeld.

Maar als de verhalenverteller begint, keren alle vrouwen in de groep, zelfs de in zichzelf gekeerde vrouw in de rolstoel, hun hoofd zijn kant op. Wanneer hij vertelt is het muisstil, want ieder beleeft haar eigen verhaal. Even moet ik denken aan de Fabeltjeskrant. Als kind lachte ik om het Hatsikidee van Lowieke de Vos en wilde ik pas slapen na de knipoog van Meneer de Uil. Later, als moeder, lachte ik om de dubbele bodem die de verhalen hadden en keek ik samen met mijn kind verwachtingsvol uit naar de aloude knipoog. Om mij heen zie ik nu hetzelfde. Ieder geniet op haar niveau en in haar beleving van de verhalen, van de boodschappen. De jongeren horen iets anders dan de ouderen, de medewerksters iets anders dan de bewoners. En het is goed, het is mooi. Voor even is het perfect.

dinsdag 20 maart 2012

We hebben plaats

Ik zit net met mijn hoofd in de bloemenwebsites als de telefoon gaat. Een nummer in mijn eigen stad. Misschien het werk van David? Ik neem beleefd op en wacht af. De man aan de andere kant van de lijn stelt zich voor en noemt zijn bedrijf. Nee, niet de werkgever van David en ik herken de naam niet uit mijn klantenbestand. Gelukkig wacht hij mijn gepeins niet af, maar legt hij het zelf even uit. “Uw moeder staat bij ons op een wachtlijst.” O ja, daar ken ik die naam van! “Ik heb een plaats voor haar.” “Meent u dat? Echt een plaats?” “Ja, overmorgen.” Wacht even, dat gaat me te snel. “Ik wil graag even met haar samen komen kijken. Ze heeft het zelf nog niet gezien.” “Natuurlijk kan dat. Schikt morgen?” Pfff, wat een voortvarende man! “Vooruit, morgenmiddag zou wel kunnen. Niet eerder dan half drie, want mijn moeder slaapt tot twee uur.” “Prima, ik regel het even, u hoort nog van mij.” “En wat bedoelde u dan met overmorgen?” “Dan gaat ze er wonen.” “Ehm, dat is wel heel erg snel en plotseling.” ”Voor uw moeder maakt dat waarschijnlijk niet uit. Wanneer je niets kan onthouden, gebeurt alles plotseling.” “Dat klopt, voor mijn moeder is het sowieso een schokkende ervaring, maar ik ben er ook nog. Ik moet het regelen en ik heb een agenda. Met afspraken.” “Ja, dat begrijp ik, maar overleg dat morgen maar even. Het gaat overmorgen in.”

Verbluft blijf ik achter. Ergens diep van binnen voel ik blijdschap. Er hing een groot zwaard boven onze hoofden. In een behoorlijk snel tempo gaat de situatie van mijn moeder achteruit. Al een paar keer heeft ze me zelf gezegd. “Het gaat niet goed hoor, Iet. Ik denk niet dat ik hier kan blijven.” Uit voorzorg had ik maar vast uitgelegd dat ze bij een mooi huis op de wachtlijst stond, maar dat ze nog lang niet aan de beurt was. “En dan kan het zijn dat je tijdelijk naar een verpleeghuis moet. Ik wil het niet, dat weten ze ook, ik ben daar faliekant tegen.” “Dat snap ik, maar wat moet, moet.” Ze keek me kalm aan. Maar nu gaat dat dus helemaal niet gebeuren. Geen verpleeghuis met lange, witte, kale gangen, maar een flat met ruime eigen kamers. Maar vooral ook met een gemeenschappelijk ‘gezinsleven’, waarin je de hele dag mensen om je heen kunt hebben, precies waar mijn moeder zo naar verlangt.

Maar twee dagen! En dat niet alleen, maar ook nog eens twee dagen met een bulk afspraken in Mijn Agenda. De zorg is goed en nodig, maar de zorg moet onderhand eens gaan begrijpen dat hun bewoners ook familieleden hebben. Familie die graag wil helpen, maar die ook een leven probeert te hebben. En dat gaat best moeilijk als de zorg dat negeert.

Het is een kwestie van geld. Dat zegt de man niet, maar dat begrijp ik zo ook wel. Maar dat is het in mijn geval ook voor een deel. Overmorgen heb ik een overleg waar het om een boel geld gaat en waar ik bovendien al een tijd op wacht. Ik besluit die afspraak dan ook niet af te zeggen, maar de schouders moeten er wel even onder. Eerst maar even contact opnemen met iedereen die dit in eerste instantie al moet weten. Medewerkers in het huis waar mijn moeder nu woont, Heleen natuurlijk, en Anne. Heleen blijkt niet thuis. Anne mail ik, want die wil ik vooral even informeren. En het huis bel ik, want ik wil informeren én overleggen. Heel snel werken we ons erdoorheen. De medewerkster heeft n naam en telefoonnummer voor me, zodat ik iemand kan inhuren om de verhuizing te regelen, maar ik besluit eerst zelf te kijken wat ik voor elkaar kan krijgen. Geld betalen voor diensten vind ik prima, fijn zelfs, wanneer het diensten zijn die ik zelf niet of niet goed kan vervullen. In dit geval kan ik het best zelf. Ik moet vooral de dingen op een rijtje zien te krijgen. Vanavond nog snel wat verhuisdozen kopen. Een paar helpende handen vinden. Een busje huren en een steekwagen. Het enige punt is nog de timing. En zorgen dat ik zelf overeind blijf en mijn agenda nog zoveel mogelijk blijf volgen. Eén afspraak schuif ik vooruit, de rest staat nog even, maar ik neem me wel voor om de komende tijd iedere dag even bij mijn moeder langs te gaan. Ja, dat klinkt overdreven, want ze komt immers in een huis met vierentwintig uur verzorging om haar heen. Dat klopt. Maar mijn gezicht is de enige vertrouwde blik in deze hele stad. Nou ja, en dat van David natuurlijk. En het zal nog jaren duren voordat daar gezichten bijkomen. Als dat al ooit gebeurt.

dinsdag 28 februari 2012

Eilandhoppen

Bij het ontwaken voel ik het al. Dit is niet de kracht waarmee ik normaal wakker word en dit is al de vijfde ochtend op rij dat dat gebeurt. Vechten of overgeven. Ik moet kiezen. Ik geef me over. Laat ik niet tegen mezelf gaan strijden, dit is een gegeven, hier moet ik mee verder. Het komt goed, dat weet ik, of nee, dat geloof ik omdat ik het wil geloven. Ooit komt het weer even goed.

Mantelzorgen is eilandhoppen. Wanneer de dingen lopen zoals bedoeld voel ik weer een tijdje vaste grond onder mijn voeten, kan ik mijn haren laten wapperen in de wind en ben ik vrij in mijn bewegingen. Ik spring van een heuvel en denk even dat ik kan vliegen. Maar dan nadert onmiskenbaar toch weer het mulle zand, waarin mijn voeten wegzinken. Na het zand volgt het water en daarop lopen lukt niet. Zwaar duw ik mijn benen door de golven en met moeite zwem ik uiteindelijk naar het volgende eiland. Vechten tegen de stroom maakt me alleen maar vermoeider. Beter kan ik zoeken naar de richting die de zee mij opstuwt en proberen mee te zwemmen.

Het zou zoveel gemakkelijker zijn als het me niets kon schelen, maar zo is het nu eenmaal niet. Het maakt mij wel uit, het maakt mij alles uit. En dus groeien mijn zorgen en stijgt het water wanneer ik hoor dat het niet goed gaat met mijn moeder. Het Huis belt met de vraag hoe lang de wachtlijst voor het volgende huis nog is. Ik weet het niet, maar ze mogen het natuurlijk van mij navragen. “Er is een aantekening gemaakt”, krijg ik vervolgens als antwoord. Wat dat betekent, kan niemand me zeggen. Wat het niet betekent, neem ik aan, is dat mijn moeder ervan verzekerd is dat ze naar dát huis kan op het moment dat het werkelijk niet meer gaat in Het Huis. En dat moment nadert, begrijp ik wel uit de ernst van de stem aan de telefoon.

Wanneer Heleen een paar dagen later belt om te zeggen dat het niet goed gaat, klinken bij mij de alarmbellen dubbel zo hard. “Ze smeert crème in haar haar”, vertelt Heleen. “Misschien is het beter als ik wat spulletjes weg haal, maar niet alles.” Nee, niet alles, crème in je haar kan vast geen kwaad. We besluiten dat actie daartegen niet nodig is. Zo slecht zal het niet zijn voor je hoofdhuid. Zorgelijker is de opmerking dat mijn moeder af en toe snauwt. Is het uit onvrede omdat de wereld om haar heen afbrokkelt? Of uit puur persoonlijke ergernis. Dat laatste moet kunnen, vind ik, en het zou me niet verbazen. Het geheugen mag dan rammelen, haar verstand werkt nog steeds. Dus toen ze me meedeelde dat ze er graag met mij vandoor ging toen ik haar onlangs aan een drukke koffietafel vond, omdat het toch nérgens over ging, zal dat ongetwijfeld het geval geweest zijn. Sterker nog, door alle bemoeienis die vervolgens ontstond over de aan- of afwezigheid van mijn moeders rollator, begreep ik direct dat ik haar bevrijd had van een ‘gezellig’ samenzijn in plaats van gestoord.

Ik zwem en al probeer ik de stroom te volgen, ik zwem er vaker tegenin. Omdat ik niet standaard wil, omdat het mij beroert wat de volgende stap zal zijn. Omdat ik niet wil dat mijn moeder een cliënt zal zijn, maar dat ze ergens woont, dat ze zich thuis kan voelen, ook als ik er niet ben, hoe moeizaam dat ook zal gaan. Ik zwem, mijn armen worden moe, mijn benen krijgen kramp, maar ik houd vol. Hoe ver zal het tot het volgende eiland zijn? Ik weet het niet, vooralsnog kan ik het gouden strand niet zien.

maandag 31 oktober 2011

"'Cliënten' zeggen we tegenwoordig"

“’Cliënten’ zeggen we tegenwoordig, geen ‘bewoners’ meer”, vertelt de vrouw in het rood tijdens de rondleiding. Na een uitgebreid verhaal over mijn moeder, haar levendigheid, haar behoefte om bezig te zijn, mensen om zich heen te hebben, maar ook behoefte aan privacy en natuurlijk haar dagelijkse wandeling in de frisse buitenlucht, neemt zij ons mee naar de afdeling. Dat het een gesloten afdeling is, vindt zij logisch. Mijn moeder verdwaalt immers wel eens. “Ik wil toch een onderscheid maken tussen dwalen en verdwalen”, merk ik even op. Ja, dat is niet hetzelfde, geeft zij toe. Toch klikken de deuren achter ons direct weer in het slot.

Aan de binnenkant hangt een soort activitycenter naast de deur. Ik ken het nog uit de tijd dat mijn zoon in de box lag. Hartstikke hip waren ze toen, met geluiden, vrolijke kleuren, bewegende delen. “Het leidt af van de deur”, vertelt de vrouw. Ik snap het. En met wat geluk vergeten mensen dat ze eigenlijk de deur uit wilden.

Cliënten, dreunt het nog na door mijn hoofd. Ik ben een cliënt bij de kapper en de fysiotherapeut, bij de pedicure, de diëtiste (ja, ook ik) en ooit één keer bij een psycholoog (wat vooral gezellig werd). Kortom: op allerlei plekken waar ik na een behandeling van hooguit een paar uur weer vertrek, naar huis meestal. Elders ben ik een bewoner, in mijn eigen huis. Mijn moeder is ook een bewoner, maar dan in het verzorgingshuis. Als deze mensen hier geen bewoner zijn, waar dan wel?

Bij de cliënten die we onderweg tegenkomen is bovendien helemaal geen sprake van een behandeling, ze zitten te slapen in hun stoel. Wanneer ik opmerk dat mijn moeder hier totaal niet past, knikt de vrouw begrijpend. “Iedereen die hier voor het eerst komt schrikt en vindt dat hun eigen moeder hier nog niet hoort.” Wat ze niet weet, is dat ik al meer verpleeghuizen van binnen heb gezien, het is niet bepaald de eerste keer dat ik een afdeling met dementerende ouderen betreed. Ik schrik niet van de mensen, ik schrik van de gedachte van mijn moeder tussen hen in. Mijn moeder heeft, ondanks haar haperende geheugen, behoefte aan een goed gesprek, aan mensen met niveau om zich heen, en de vrijheid om zich terug te trekken in haar kamer wanneer ze moe is en even wil slapen.

Slechts in één van de drie huiskamers is een klein beetje leven: een vrouw bladert in de Telegraaf. De andere stoelen zijn bezet met slapers. Twee verzorgenden doen de afwas. Er komt een man aangelopen, in een vrolijke bui. Hij komt op onze stemmen af, want stemmen betekent dat hij een gesprek kan voeren. O, hij weet best dat hij veel vergeet. “Als u mij nu iets vertelt, ben ik het over tien minuten helemaal vergeten.” Heleen herkent de man uit Het Huis. “Dat klopt, daar woont mijn vrouw nog”, vertelt hij. “Maar ik kan er niet naar toe lopen, ik zou hopeloos verdwalen.” En dus leeft hij nu opgesloten, hoewel ik dat volgens de vrouw in het rood vast niet zo moet zien. Hij is immers een cliënt, geen bewoner. Maar weg kan hij niet. Nooit meer.

donderdag 16 juni 2011

De dame van het CIZ

Het is nog maar acht uur als ik voor de dichte deur van het Huis sta. Ik heb een sleutel voor dat soort situaties. Sinds een paar jaar is het Huis beveiligd met camera’s en een speciaal slot voor de uren buiten kantoortijden. Wie daar geen sleutel van heeft, moet aanbellen en wordt gecontroleerd. Spijtig dat dat nodig is, maar tegelijkertijd geeft het mij een veilig gevoel. Zo kunnen er geen rare types bij mijn moeder aan de deur verschijnen.

Ik laat mezelf naar binnen en loop via de trap naar mijn moeders etage. Er is al veel bedrijvigheid. De verzorgenden zijn druk in de weer, een schoonmaakkar staat midden in de gang. De hulp is in een appartement aan het werk. Mijn moeder is net aangekleed en heeft haar haar al opgestoken, wanneer ik binnenstap. Ze is niet verbaasd me te zien. Mensen vragen me vaak of mijn moeder mij nog herkent. Ooit, éénmaal, is het voorgekomen dat ze geen idee had wie ik was. Nog geen minuut duurde die verwarring. Maar verder komt het nooit voor dat ze niet weet wie ik ben. Ze vergeet hooguit dat ik niet bij haar woon. Soms lijft ze mij gewoon in haar huishouden in, hoewel ze meestal wel weet dat mijn huis ergens anders staat. Geen idee waar, maar wel ergens anders. “Maar doe hier of je thuis bent hoor”, zegt ze me. “Dit is ook jouw huis!” En dus schenk ik even later wat te drinken in, wanneer mijn moeder is gaan zitten vanwege een aanval van duizeligheid.

Ik vertel dat er zo iemand van het CIZ langskomt. “Je krijgt meer zorg. Je gaat al naar een groep waar je eet en koffie drinkt en activiteiten doet, maar nu is er een groep voor het ontbijt en een avondgroep bijgekomen”, leg ik uit. “Dat kost allemaal geld en het CIZ bepaalt of het Huis dat geld krijgt. Er wordt bekeken of je inderdaad meer zorg nodig hebt.” “Fijn dat je het even uitlegt”, zegt mijn moeder. “Die extra zorg is nodig omdat je een aantal dingen minder goed kan”, ga ik door. “Zoals actief zijn. Voor mensen met dementie is dat best ingewikkeld. Eerst moet je bedenken wat je gaat doen. Tekenen bijvoorbeeld. Dan moet je bedenken wat je daar allemaal voor nodig hebt, dat moet je opzoeken en klaar zetten. Dus het is heel anders dan vroeger, toen was je juist heel actief.” “Het is wat he”, zegt mijn moeder. “Vroeger kon ik alles zelfstandig en dan plotseling is dat voorbij en heb ik overal hulp bij nodig. Daar hoef je niet om te huilen, het is nou eenmaal gewoon zo.” “Maar ik vind het wel erg, ik vind het triest”, antwoord ik. “Zolang ik maar weet wie jij bent, is het goed”, troost mijn moeder. “O ja? Wie ben ik dan?”, vraag ik. “Jopie uit de Javastraat”, grijnst ze.

En dan komt de dame van het CIZ. Ze stelt allerlei vragen, samen nemen we het formulier door, omdat de gegevens niet meer kloppen. Dat er nog geen handtekening gezet is, is niet erg. Ik ben immers aanwezig, mijn toestemming is wel duidelijk. Weliswaar werkt het geheugen van mijn moeder totaal niet meer, maar de sociale vaardigheden voor een dergelijk gesprek heeft ze wel degelijk nog. Het valt amper op dat ze werkelijk niets kan onthouden. Dat ze geen flauw idee heeft wie er naast haar op de bank zit, laat ze zelfs met haar ogen niet zien. Op alle vragen geeft ze keurig antwoord. Zo nu en dan licht ik iets toe. Ik houd mijn hart dan ook even vast als de CIZ-medewerkerster vraagt: “En wat doet u zoal overdag, als u in uw eigen flat bent?” “Ik doe van alles”, begint mijn moeder. “Ik, eh, sta eens op, loop rond, kijk uit het raam. En ik kijk weer uit het raam en nog eens. Ik kijk, kortom, veel naar buiten.” “Lees je nog?”, vraag ik. “Jawel, dat nog wel. Maar hele rijen boeken achter elkaar, zoals vroeger, dat niet meer.” “Vroeger tekende je veel en handwerkte je ook”, zeg ik nog. “Ja, tekenen deed ik graag. Maar aan handwerken had ik een hekel, bah!”, zegt mijn moeder vol afschuw. Ik ben stomverbaasd. Een hekel? Ze maakte voor zoon een groot wandkleed en een prachtig babytruitje. En ook later heeft ze nog gebreid. Zijn eerste knuffel kwam ook van haar hand, volkomen onverwacht kreeg ik een zelfgebreid Nijntje voor zoon, de dag dat voordat hij geboren werd. Maar dat ze nu niet meer van breien houdt, weet ik. Dat heeft ze me al vaker verteld. Geen wonder. De lapjes die ik in het Huis soms zie, zijn niet te vergelijken met de kleine kunstwerken die ze zelf vroeger in elkaar zette.

De dame van het CIZ wil nog wat weten van de verpleging en van de geriater. Als ze al die gegevens bij elkaar heeft, zal ze besluiten of er werkelijk meer geld voor zorg beschikbaar komt. Ik maak me voorlopig geen zorgen. Het is duidelijk dat mijn moeder weinig meer zelf doet. Een half jaar geleden sleepte ze zelf de koffie nog aan, maar inmiddels neemt ze met plezier elke middag het kannetje van het Huis in ontvangst. Koffie zetten is best ingewikkeld geworden, weet ik uit de verhalen van Heleen.

Vriendelijk en correct laat mijn moeder de vrouw even later uit. We pakken onze spullen bij elkaar. Als mijn moeder bijna onderuitklapt op de gang, pak ik de rollator. “Neem deze mee, mam”, beveel ik zacht. “Dan val je in ieder geval niet.” Samen lopen we naar de lift. Ik ga nog even mee naar het ontbijt, voor een lekker kopje thee. En om weer een beetje meer te wennen aan de stille dames met wie mijn moeder tegenwoordig haar dagen deelt.

vrijdag 10 juni 2011

Vroeger is dood

Er zijn telefoontjes die je vreest. Sommige zul je nooit krijgen, hoop je met heel je hart. Maar andere krijg je op een dag. Dat weet je. Alleen blijft het tijdstip ongewis, tot je ze krijgt. Zoals vandaag.

‘Het Huis’ staat er in het schermpje. En nee, de verzorgende klinkt niet zo opgewekt als anders. Gelukkig ook nog geen grafstem. Die hoop ik ook werkelijk nooit te treffen. Op dat moment hoop ik daar te zijn, zittend naast haar, met haar broze handen in de mijne. Met een washandje verkoel ik haar gezicht.

Zover is het nu niet. Nog niet. Maar het nadert, dat moment. Bijna een jaar geleden signaleerde ik het al, toen de verzorging het nog niet zo in de gaten had. Haar woordenschat begon langzaam te slinken. Woorden die de medewerkersters niet kenden verdwenen uit haar hoofd. In de conversatie vielen zoekpauzes. Inmiddels zijn het niet meer alleen die woorden, maar is ook haar kennis onbereikbaar aan het worden. Het lopen gaat moeilijk, vooral omdat de weg naar het “hoe moet je lopen”-centrum in haar hersenen nog maar een dun draadje lijkt te zijn. Geluiden van anderen storen haar en in haar eentje in haar kamer wordt ze onrustig. Waar moet ze ook alweer heen? Ze wordt toch ergens op tijd verwacht? Op tijd zijn is er ooit al jong ingeslepen. Dat is een tweede natuur geworden. En dus gaat ze de gang op, op zoek naar iemand die haar kan vertellen hoe laat en waar ze verwacht wordt. Het antwoord blijft alleen niet langer dan 15 seconden hangen. En dus gaat ze weer op zoek naar iemand die haar kan vertellen hoe laat en waar ze verwacht wordt. Het antwoord blijft alleen niet langer dan 15 seconden hangen. En dus gaat ze.........

Alles bij elkaar is het voldoende reden om de zorg uit te breiden. Niet alleen gaat ze nu naar de dagopvang, maar ook zit ze in de ontbijtgroep en is er sinds deze week een avondgroep bij. En een paar dagen geleden heeft ze haar oude dag-groep verlaten om naar de laatste groep te gaan. De kleine groep, met rust, eenvoudige spellen en een vrolijke, warme inrichting. Haar eigen leidster was er niet gelukkig mee. Vaak ging het nog best, vond ze. Maar ze moest toegeven dat haar collega’s gelijk hadden: steeds meer dagen ging het eigenlijk niet. Ze moest alle zeilen bijzetten om het bij te kunnen houden. De gesprekken gingen snel, de vragen werden te moeilijk. Nu, na twee dagen proberen op de nieuwe groep, moet ze het toegeven: de oude, zorgende aard komt weer naar boven. Mijn moeder zit weer lekker in haar vel.

Het is slikken, heel diep slikken. Ze heeft helemaal gelijk en ik beaam het allemaal, maar diep van binnen wil ik dit helemaal niet. Ik wil niet dat mijn moeder naar een andere groep gaat, want ik wil niet dat ze achteruit gaat. Ik wil niet dat ze wegglijdt uit mijn leven. Ze is het laatste wat ik van vroeger heb. En terwijl ik dit zeg, weet ik dat het onzin is. Mijn vroeger is allang onbereikbaar in haar geheugen. Vroeger is dood. En ook ik sterf een beetje, van binnen.

vrijdag 3 juni 2011

Familiedag

Vandaag is het Familiedag. Dat was tenminste de bedoeling. Een paar weken geleden belde een van de groepsleidsters met de mededeling dat er maar vijf aanmeldingen waren en de dag dus niet doorging. Vijf familieleden van de veertien deelnemers. Voor mij is het onbegrijpelijk. Ik keek er al naar uit dat er weer een familiedag zou komen, maar blijkbaar leeft die behoefte lang niet bij iedereen. Ik stel de leidster voor om die vijf mensen dan gewoon een ochtend mee te laten draaien. Dat vinden de leidsters niet praktisch, maar Heleen en ik zijn van harte welkom om te komen. En dat doen we dus vandaag.

We komen keurig op tijd om 10 uur het lokaal binnen, maar blijken bepaald niet de eersten te zijn. Geen wonder. Op woensdag is er sinds kort een gemeenschappelijk ontbijt voor een klein groepje mensen, waaronder mijn moeder, en die zijn direct na het ontbijt doorgewandeld naar hun eigen lokaal. Uitgepraat zijn ze echter nog niet. Meneer Smit heeft als gewoonlijk het hoogste woord, maar hij wil ons graag even uitleggen hoe dat komt. “Ik ben vertegenwoordiger geweest, altijd maar praten en nu kan ik niet meer ophouden.” Toch is het tussen al zijn grapjes door geen gezwam wat hij uit. Met tranen in zijn ogen vertelt hij hoe zijn oogappel, al ruim 65 jaar de vrouw van zijn dromen, tegenwoordig in een verpleeghuis woont. Hij zit noodgedwongen hier. “We hebben hier samen gewoond, heel lang, maar een tijdje geleden moest ze verhuizen. En nu zit ze daar. Ze moppert nooit hoor, dat is fijn voor mij, want zodra ik maar even kan, ga ik naar haar toe. Maar zo gaat dat dus, na 65 jaar halen ze je uit elkaar.” Heleen probeert zijn gemoed wat op te fleuren, maar ik wil nog even weten of hij niet zou wensen dat er een woonoord was waar ze samen konden wonen: zij met de zorg die ze nodig heeft en hij met de vrijheid die hij aankan. Meneer Smit ziet even niet hoe dat zou moeten. Misschien maar beter, die kans is er niet voor hem.
Het zou al schelen als ze verpleeg- en verzorgingshuis naast elkaar zouden zetten, zodat meneer Smit zelf naar zijn vrouw kan wandelen, wanneer hij daar zin in heeft. Al lost dat niet alles op. “Het is zo leeg naast me”, zegt hij.

Ik word er stil van, maar dat is natuurlijk niet de bedoeling. Want het volgende moment praat hij weer vrolijk door over de goede kanten van het wonen in dit huis. “En vertel eens”, begint hij tegen Heleen en mij. “Jullie zijn nog jong, maar zou je hier wel willen wonen later?”
“Dat is een moeilijke vraag”, begin ik. “Toen ik hier voor het eerst kwam, schrok ik. De kamers waren zo klein. Als ik in het midden stond, kon ik me van de ene muur naar de andere laten wiegen.” Ik zwaai mijn bovenlijf met gestrekte armen heen en weer om te laten zien hoe klein ik het vond. “Maar toen mijn moeder hier voor het eerst kwam, vond ze het geweldig, zo’n knusse, kleine kamer. Overzichtelijk, gezellig. Ik ben te jong om van zoiets te kunnen genieten. Ik heb nog teveel behoefte aan ruimte.” De grijze hoofden om ons heen knikken herkennend. Ja, zo zijn ze ook geweest. En klein is het, dat zien ze zelf ook. Maar ze wonen er allemaal met veel plezier, verzekeren ze ons.
Ook de vrijwilligster die langsloopt praat nog even mee. “Van mij hoor je geen kritiek op de verzorging. Overal wordt zo hard gewerkt. Maar er zijn huizen waar het niet fijn is, die heb ik ook wel gezien. Hier vind ik het plezierig.” “Dat is ook mijn ervaring”, vertel ik haar. “Ik ben op plaatsen geweest waar ik mijn moeder echt niet wil laten wonen, dus ik heb kritisch gekeken toen we samen een flat voor haar zochten.” Mijn moeder hoort het allemaal rustig aan. Ze geniet volop van de aanwezigheid van Heleen en mij.

zondag 13 maart 2011

Twee benen zag Heleen

Twee benen, dat was alles wat ze zag toen ze binnenkwam, vertelt Heleen. Haar hart stond stil, maar toen ze om de hoek kwam, keken mijn moeders ogen haar verbijsterd aan. Hulp kwam snel en na een kort onderzoek van heupen, ledematen, rug en hoofd, werd mijn moeder voorzichtig overeind geholpen. Intussen was ik nietsvermoedend op weg naar Denemarken. Toen ik een paar dagen later bij thuiskomst hoorde over de val, belde ik meteen mijn moeder. Gevallen? Daar wist ze niets van. Maar moe, dat was ze wel. Ik trof haar nog net voordat ze om half negen haar bed in kroop, vertelde ze.

Werk moet maar even wachten. De volgende dag staat grotendeels in het teken van mijn moeder. Overleg met Heleen, overleg met de verzorging en een lang bezoek aan mijn moeder zelf, die vooral geniet, maar zichtbaar minder kan dan een paar maanden geleden. Ik zet koffie en pak koekjes. Zij zit in mijn stoel, zodat ze armleuningen heeft. Ik zit op haar plaats op de bank. Gek genoeg verlopen de gesprekken daardoor ook anders.

“Wil je nog een koekje?”, vraagt mijn moeder bij het tweede kopje koffie. “Nee, dank je. Of is het een hint? Wil je zelf nog?” “Willen wel, maar ik doe het niet”, antwoordt ze. “Ik word hier zo goed verzorgd, ik doe geen klap. Straks groei ik nog dicht.” Verbaasd kijk ik haar aan. Ze heeft namelijk volkomen gelijk. Al sinds haar aankomst in het huis hebben we haar garderobe een paar keer moeten aanpassen. Ieder seizoen heeft ze nieuwe broeken nodig. Bij ons bezoek aan het ziekenhuis werd ze gewogen. “66 kilo”, noteerde de arts. “Iet, hoor je dat?? Zes-en-zestig kilo”, riep ze verschrikt vanaf de weegschaal. Die schrik werkt zeker nog door.

De schrik van het vallen is ze echter helemaal kwijt. Reconstruerend kwamen we tot de conclusie dat ze er nog maar net gelegen moet hebben, zich amper beseffend wat er gebeurd was. Het voordeel is dat het daardoor niet beklijft. Grote schrik en angstige situaties blijven ook in een dementerend brein lange tijd aanwezig. Het nadeel is dat ze daardoor moeilijk te bewegen is om nu eindelijk de rollator of de wandelstok mee te nemen als ze op pad gaat.

Intussen praten we rustig door. We hebben alle tijd deze middag. “Het is wel vreemd”, zegt mijn moeder. “Wat is vreemd?” “Alles, eigenlijk. Maar dat is ook niet zo gek”, vindt ze zelf. Aanvullen hoeft niet. Ze woont er immers nog maar net, ze moet nog wennen. De drie jaar dat ze nu in deze flat woont, voelen voor haar als drie weken. En wie voelt zich na drie weken nu helemaal thuis en vertrouwd in een totaal nieuwe omgeving? Zij in elk geval niet.
“Vind jij dat wij een goed contact hebben?”, vraagt ze ineens heel rechtstreeks. “Ja, absoluut”, flap ik eruit. “Dat is fijn. Dat vind ik namelijk ook, maar dat wil nog niet zeggen dat jij het ook zo ervaart”, antwoordt ze. Natuurlijk is het veranderd, dat snapt mijn moeder ook. Waar ik vroeger op haar leunde met vragen en zorgen, doet zij dat nu bij mij, al wil ze zeker geen last zijn. “Is het voor jou een moeten om naar mij toe te gaan?”, wil ze weten. Wat een indringende vragen deze middag. Eerlijk antwoord ik dat het soms moeilijk is, omdat ik er tijd en ruimte voor moet maken. Maar nee, als moeten wil ik het niet ervaren. En ik leg haar uit hoe ik ‘moeten’ heb omgedraaid tot ‘willen’. “Ik moest een keer naar je toe om boodschappen voor je te doen. En dat was maar één ding op mijn lijst van ‘moeten’ die dag. Een drukke dag dus. Maar toen besefte ik, naar aanleiding van een stuk dat ik gelezen had, dat ik dat moest omdat ik wil dat het goed met jou gaat. Ik wil dat jij goed verzorgd bent, en dus moeten er boodschappen komen”, vertel ik. “Dat scheelt”, weet mijn moeder. “Als je het doet omdat je het wilt, wordt de last veel lichter.” “Precies. Dus nee, ik moet niet komen, ik wil naar je toe komen, omdat ik weet dat het fijn voor je is. En ik wil graag dat het goed met je gaat.”

Ineens slaat het om. Ze kijkt op haar horloge en de onrust begint. Ik weet het inmiddels. Elke middag om half vier, zelfs zonder horloge zou ze de tijd voelen, gaat de knop om. Dan maakt ze zich op om naar de groep te gaan. Eerder heette die groep nog ‘cursus’, tegenwoordig noemt ze het ‘eten’. We stappen op, pakken jassen, tassen en sleutels. “En de rollator, mam. Omdat je de laatste tijd wankel op je benen staat, hebben we afgesproken dat je de rollator meeneemt als je de deur uitgaat.” Zonder morren pakt ze het karretje en rolt het de deur uit. Ik parkeer mijn tas in het mandje en samen lopen we de lange gang uit naar de lift.

vrijdag 25 februari 2011

Het Huis belt

Ik ben aan het werk als mijn telefoon gaat. Toch maar even kijken. Het Huis staat er in mijn scherm. Zij van Het Huis zijn ongetwijfeld geïnstrueerd. Ik neem namelijk enigszins verontrust op. Als mijn moeder zelf belt, zie ik Mam, geen Het Huis. De stem aan de andere kant klinkt meteen uitermate opgewekt. “Stoor ik?” “Nee hoor, het kan wel even.” De mensen die ik gadesla gaan rustig door met het vakkundig slopen van een leren bank. Alle onderdelen moeten ze van elkaar scheiden. Intussen loop ik een eindje weg vanwege het geluid.

“Ik krijg net een telefoontje van het ziekenhuis, dat uw moeder dinsdag al terecht kan.” “Dat is snel!” “Ja, inder daad, we moeten even kijken hoe we dat regelen.” “Geen probleem, ik ga mee.” Pas later realiseer ik me dat die dag geen lege is in mijn agenda, maar dat maakt niet uit. De film die ik zou gaan bekijken omdat die daarna niet meer draait, komt vast ooit op dvd uit. We spreken nog even af waar het invulformulier voor het ziekenhuis komt te liggen, zodat ik dat kan vinden wanneer ik mijn moeder bezoek.

Gelukkig is deze afspraak ontstaan na overleg met de huisarts, dus ik weet er al van. Beiden maken we ons al een tijdje zorgen over mijn moeder en hij wilde eens even overleggen. Hij belde me op en we spraken af dat ik mijn moeder mee zou nemen naar de geriater. Dat woord doet me altijd erg aan psychiater denken en roept daarmee een verkeerd beeld op, weet ik nu. Want dat mijn moeder dementie heeft, hoef ik niet meer te horen. Er zijn wat lichamelijke klachten die eens bekeken moeten worden. Overigens vinden alleen de huisarts en ik dat. Mijn moeder, die ik op de hoogte stelde van dit gesprek, vond het allemaal niet nodig. “Ja, dat klopt, daar had ik last van, maar het is helemaal weg. Ik heb me vandaag geen moment duizelig gevoeld.” “Dat is fijn, joh! Ach weet je wat, we laten er voor de zekerheid even naar kijken en als de arts ook zegt dat het helemaal goed is, is dat toch fijn om te horen. Dan weten we zeker dat je helemaal in orde bent!”

Maar waarom nu die geriater? Die doet het allemaal net even anders dan een andere arts. Ze zorgt ervoor dat zoveel mogelijk onderzoeken op dezelfde dag kunnen plaatsvinden en informeert bovendien van tevoren zo uitgebreid mogelijk over de dingen die die dag staan te gebeuren, zodat ik niet voor een verrassing kom te staan en mijn moeder alvast voor kan bereiden. Dat is althans het plan. Dinsdag maar eens zien of het werkt.

zondag 26 december 2010

Kerst 2010

Natuurlijk hebben we ons dit jaar ook weer aangemeld voor het kerstdiner en zo zitten we met ons drieën aan een ronde tafel in het restaurant van het huis, mijn moeder, zoon en ik. Het loopt aardig vol, maar toch zijn niet alle stoelen bezet. Mij deert het niet, maar voor al die mensen die zich zo inzetten op eerste kerstdag zou ik het fijn vinden als de opkomst groter was. Al vind ik het aantal bezoekende familieleden hoog dit jaar. Officieel mag je als bewoner twee gasten hebben, maar vrijwel overal zijn het er meer. Zo heeft een vrouw haar kinderen, kleinkinderen én achterkleinkinderen op bezoek. Drie hartveroverende meisjes, die van vader en moeder na een tijdje door de zaal mogen lopen. Als ze ook daarvan genoeg hebben, gaan ze met oma kerstliedjes zingen.

Mijn moeders buurvrouw heeft drie van haar kleinkinderen te eten. Ze babbelen met zijn vieren vrolijk de middag door. Het maakt dat ik me meer dan voorheen realiseer dat dat bij ons nooit meer zo zal zijn. Elke paar minuten geniet mijn moeder opnieuw van de versiering, wijst ze ons op de dingen die haar opvallen, de rekjes aan het plafond, de kersttakken die overal hangen en de zilverkleurige kandelaar met drie kaarsen, midden op tafel. Leuk dat die er staat. Mijn moeder brandde altijd veel kaarsen voor ze in dit huis kwam wonen. Tot grote zorg van haar overburen, die elke avond controleerden of ze ze wel uitgeblazen had. Maar kaarsen zijn verboden in dit huis. De waxinelichtjes zijn vervangen door batterijgestuurde exemplaren, maar ze vergeet hoe die ook alweer werken en steekt ze rustig aan als ze maar even aan vuur kan komen. Alleen branden ze niet. Daarom gun ik haar die kaarsen op tafel zo. Eindelijk weer eens gezellige vlammetjes.

Vlammetjes ziet ze ook in de gordijnen. Het is het zonlicht dat er af en toe zacht doorheen flakkert. De gordijnen zijn dicht getrokken om een avond-sfeer te creëren. In de hoek met dementerende bewoners hebben ze ze juist weer opengetrokken, want het dagritme is vaak al zo moeilijk te volgen voor hen. Mijn moeder maakt het niet uit. Ze geniet. We lopen samen met haar langs het buffet. Voor het eerst, bedenk ik me. Voorgaande jaren wilde ze liever dat ik het voor haar haalde. Dit keer stelde ik haar gewoon voor om zelf mee te gaan en dat deed ze als vanzelf. Maar wachten in een rij valt niet meer mee. Tot ze het systeem doorkrijgt. Als ze bij de borden staat, geeft ze zoon en mij een bord en pakt er zelf een. Bij de verschillende schotels kiest ze wat lekkere hapjes uit en samen met haar loop ik weer terug naar de tafel.

Ze geniet, van het eten, het gezelschap en de feestelijke aankleding. En van het feit dat het zo druk is. Maar dat is het altijd als er iets georganiseerd wordt, vertelt ze. Want soms weet ze best waar ze zit, daar beneden, waar gegeten wordt. "We zaten hier pas ook", vertelt ze. "Toen werd er gezongen, allemaal liedjes die we kenden, dan konden we meezingen. Het was erg gezellig." Ik moet lachen. Nee, ze is niet grappig al is ze wel vrolijk. Ma ar ik weet dat ze die avond heeft gehad, want ik moest haar daarvoor opgeven. Zelden hoor ik terug wat er gedaan is, want dat blijft in haar hoofd niet hangen. En met dit soort dagen blijft nog minder hangen. Ze verwart mij met mijn zoon en denkt even later dat zoon mijn man is. Okee, hij is groot, maar overduidelijk heel wat jaren jonger dan ik. Maar ze wist al vanaf dat ze ons zag dat wij bij haar horen, dus dat stemt mij voor vandaag al tevreden. Hoewel, heel even zou ik mijn oude moeder terugwillen, met wie we meer kunnen delen dan lekker eten en bewondering voor de kerstversiering.

maandag 6 december 2010

En de groeten aan je zoon!

Na onze gezellige pakjesmiddag nemen we afscheid bij de eetgroep. Tweemaal daags komen de dementerende mensen bij elkaar in een groep. Tegenwoordig zijn er zelfs drie groepen, een kleine groep met een ruime ovalen tafel waar mensen zitten die veel behoefte aan stilte hebben. De meesten zijn er veel verder dementerend dan mijn moeder. Die zit dan ook in een grotere groep waar activiteiten worden gedaan. Kleuren – net als bij de kinderopvang van zoon destijds vraag ik me af waarom er niet gewoon getekend wordt –, lezen, het nieuws bespreken, tv kijken, soms ook handwerken. De derde groep is een heel levendige. Er zitten vrijwel uitsluitend vrouwen, net als in het hele huis, die nog gezellig uitgebreid met elkaar kletsen, borduren, breien en haken. Toen mijn moeder in het huis kwam wonen was die groep er helaas nog niet. Ze zou er toen prima gepast hebben.

Belangrijke activiteiten in alle groepen zijn koffiedrinken en vooral eten. Het is gezellig om samen te eten, dat vindt mijn moeder in ieder geval. Het voordeel is dat ze dan in ieder geval iets eet. In de tijd dat ze alleen woonde, viel ze de eerste tijd alarmerend snel af. Deels door de voortdurende beweging die ze had omdat ze in huis liep te rommelen, maar voornamelijk omdat ze geen goede maaltijden meer at. Dus bleef ik regelmatig eten. Dan nam ik een klein beetje en zij de rest. Voor mij was het minder gezond: eenmaal thuis begon ik opnieuw aan de maaltijd. Nu met zoon, die ik niet alleen wilde laten eten.

Maar nu eet mijn moeder in een groep, met begeleiding. Ze eet zelf, maar de begeleiding signaleert wel of ze goed eet of dat het een tijdje minder gaat. Goed om te weten, want de koekjes verdwijnen soms met een noodgang uit de kast.

Na de pakjesmiddag nemen we bij de groep afscheid. Zoon zoent haar gedag en ik volg. “Het was gezellig”, zegt mijn moeder. “Dat vind ik ook!” “Doe je de groeten aan je zoon van me?”, vraagt ze nog. “Ja, hoor, dat zal ik doen.” Ze wil al weglopen, maar bedenkt zich. Dan kijkt ze op naar zoon die naast me staat en trekt een frons. “Nee, wacht, dát is je zoon!” “Ja, maar ik wil hem best de groeten doen, hoor.” “Ik zie nog steeds dat kleine ventje voor me”, verontschuldigt ze zich. We moeten alledrie lachen. Inmiddels is zoon twee keer zo groot als het ventje in haar gedachten. Maar nog net zo slim. “Doe jij de groeten aan mijn moeder?”, vraagt hij zijn oma. Die lacht schalks terug. “Ja hoor, zal ik doen.”

donderdag 14 januari 2010

De verhuizing

Gelukkig ligt het al een tijd achter me, de verhuizing naar het verzorgingshuis. Het had wel wat voeten in de aarde, want zoals wel vaker in het leven ging ook dit allemaal net niet zoals we dat van tevoren hadden bedacht.

Vlak voor de opname in het ziekenhuis voor een heupoperatie, komt het telefoontje dat er eindelijk een appartement vrijkomt voor mijn moeder. De timing is beroerd, want terwijl ik zoveel mogelijk tijd bij mijn moeder in het ziekenhuis doorbreng, komt dat appartement vrij, wat snelle actie betekent. Wachten tot na het herstel is niet mogelijk en dus moeten we tussen de bedrijven door aan de slag. Gelukkig heb ik al een jaar lang lijstjes gemaakt met de dingen die mee moesten. “Je gaat veel kleiner wonen mam”, heb ik mijn moeder al voorbereid. “Dus niet alles kan mee. Wat maakt nu dat jij je thuisvoelt in jouw huis? Welke dingen horen daar echt bij?” En altijd weer was het eerste antwoord: “De boekenkast”. Een bijzonder ding om mee te nemen voor iemand die vanwege vergeetachtigheid geen boek meer kan lezen, maar wie ben ik om daarover te oordelen? En dus kies ik het mooiste van haar rekken uit en zoek er de boeken bij die ze met veel plezier heeft gelezen. Haar hele serie van Marianne Frederiksson en de boeken van Isabel Allende. En natuurlijk Yvonne Keuls, waar ze nog steeds in leest, omdat het korte verhalen zijn.

Gelukkig zijn de meubels niet massaal en kan er zonder mankeren een bankje mee plus een fauteuil, zonder dat haar kamer te vol lijkt. De eettafel is niet praktisch, dus maken we er een op maat. Twee nieuwe stoelen heb ik een tijd geleden al gekocht, om haar daaraan te laten wennen. Stoelen met armleuningen, zodat opstaan een stuk gemakkelijker is. En over de nieuwe tafel komt natuurlijk wel het vertrouwde tafelzeil met blauwe ruiten. De immense tv blijkt veel te groot voor het kamertje. Dus stap ik naar een electronicawinkel op zoek naar een kleine, platte tv met een afstandsbediening die hetzelfde is als de oude, zodat mijn moeder zelf de tv kan bedienen. De verkoper probeert nog te wijzen op model x, betere kwaliteit en nu in de aanbieding, maar hoe kan hij begrijpen dat beter alleen maar zin heeft als je snapt hoe je het apparaat aan en uit kan zetten?

Bij een stoffeerderswinkel haal ik stalen voor de vloer en de gordijnen, ik fotografeer ze op de bank en bij de andere meubels en daarmee ga ik op bezoek bij mijn revaliderende moeder. Haar smaak is erg uitgesproken. Even twijfelt ze nog of zo’n lichte vloer niet de besmettelijk is, maar uiteindelijk vindt ze die toch het mooist. Ook de gekozen gordijnstof blijkt er prima bij te kleuren. Ik herhaal mijn vragen nog een paar keer, maar haar antwoorden blijven dezelfde en dus breng ik de stalen weer terug naar de winkel met een lijstje voor de bestelling. Het bed krijgt nog een overtrek van dezelfde stof als de gordijnen en dan gaat de winkelier hard aan de slag. Ik ben verbaasd als hij een paar dagen later al meldt dat hij de vloerbedekking gaat leggen. En als ik ga kijken, blijken de gordijnen ook al te hangen. Met vereende krachten verhuizen we de meubels en dan is het wachten alleen nog op mijn moeder. Een paar dagen later kan ze komen, vlak voor Koninginnedag. En trots als een pauw zit ze daar op haar eigen bank in haar nieuwe flatje. Blijer nog dan een jarige koningin.

In haar oude huis staan haar andere spullen nog een tijdje, voor het geval ze ineens iets blijkt te missen. Maar nee, ze is juist heel tevreden. Dit is haar huis, met alles om haar heen waar zij zich thuis in voelt. En met precies genoeg laatjes en kastjes om spullen op te bergen en weer eens te verplaatsen, want dat gebeurt regelmatig, er moet immers wel wat te huishouden zijn.

dinsdag 3 november 2009

Onbetaalbaar

“Hij lijdt aan dementie, zij heeft het”, die slogan heeft Alzheimer Nederland niet voor niets. Dementie is een slopende ziekte, voor wie het heeft en voor wie eromheen leeft. Zien dat iemand steeds minder kan en steeds minder weet, doet pijn. Ik gun mijn moeder heerlijke, gezonde jaren. Haar heup heeft even gesputterd, maar sinds die vervangen is, doet haar lijf zijn best om die gezondheid ook uit te dragen. Alleen het hoofd, dat doet niet mee.

Al lang geleden zijn we verschoven van kijken naar wat ze niet meer kan naar focussen op wat ze wel kan. En die lijst is nog behoorlijk lang. Helaas is die andere lijst dat ook. En dus is er Heleen. Of meer nog: en dus is Heleen gebleven.

Vele jaren geleden werd Heleen mijn moeders hulp. Blijer had mijn moeder niet kunnen zijn. Al het werk dat te zwaar was voor mijn moeder nam zij over. Het ramen zemen, dweilen, het werk hoog in de lucht en laag op de grond. Of ze was juist het extra paar handen waar het werk om dubbele inzet vroeg. Elke maandagmiddag was ze er.

Dat vaste punt in de week bleef, ook toen het niet alleen meer schoonmaakwerk was, maar ook de coördinatie van het huishoudelijk werk. En toen mijn moeder weduwe werd, was het Heleen die het mogelijk maakte dat ze nog even in haar eigen huis bleef wonen. Driftig was ik op zoek naar andere woonvormen, maar het werd wel duidelijk dat een goed onderdak een tijd op zich zou laten wachten. “Ik houd een oogje in het zeil”, meldde Heleen. Dat oogje werd een dagtaak. Grote vragen kwamen bij mij terecht, via de telefoon, maar voor iedere kleine gedachte werd Heleen ingeschakeld. Vaak had ik er geen weet van hoe vaak dat gebeurde. Ze zorgde dat mijn moeder elke dag klaar stond voor het busje van de dagbehandeling en wachtte haar ‘s middags op als ze terugkwam. Ze deed de boodschappen en verschoof het schoonmaken van het grote werk naar het alledaagse poetsen. Ze ging regelmatig met een kritische blik door de koelkast en gooide dubieuze restjes weg. Ze lette op of mijn moeder wel ging slapen en of ze ’s ochtends opstond, of ze genoeg at en of haar kleren nog wel fris waren.

Na ruim een jaar was er eindelijk een kamer in het verzorgingshuis. Prompt werd Heleen flink ziek, alsof alle spanning er ineens uit moest. Al het werk dat ze deed was te vergoeden, maar de betrokkenheid was onbetaalbaar. En soms ondraaglijk. Gelukkig krabbelde ze snel weer op. Het schoonmaakwerk werd overgenomen door het huis. De was ging naar de wasserij en het eten werd centraal verzorgd. “Maar ik blijf komen hoor”, meldde Heleen. In de loop der jaren waren het vriendinnen geworden, mijn moeder en zij. Tijdens alle pauzes en het werk hadden ze heel wat verhalen en emoties uitgewisseld.

En dus komt ze nog steeds. Langzaamaan bleken er toch nog weer taken te volbrengen en zo werkt Heleen nu weer bij mijn moeder. Ze wast de kleding, doet wat verstelwerk, maakt de kastjes schoon, haalt de wekelijkse boodschappen en daarnaast praten ze met elkaar. Voor mijn moeder is ze goud waard. Maar voor mij ook. Want zelfs met haar hulp is de zorg soms zwaar. Laat staan als ik al die dingen zou moeten doen die zij elke week op zich neemt. Puur uit liefde.

maandag 5 oktober 2009

Het laatste huis

Opa zit tegenover me in het restaurant. Voorzichtig nippen we aan onze kopjes. Hij koffie, ik thee.

- “En mijn huis”, begint hij. “Ik moet dringend weer eens naar huis.”
- “Welk huis?”, vraag ik een beetje in de war door zijn opmerking.
- “In Schiedam natuurlijk!”

Zo natuurlijk komt mij dat helemaal niet voor. Ik ken opa in een bungalow in Loenen en eerder in een bungalow in Rotterdam. Uit de verhalen weet ik van eerdere huizen waar hij gewoond heeft, maar Schiedam zit daar niet tussen.
- “Oh, dat huis”, reageer ik toch maar. “Ach ja, daar wordt voor gezorgd hoor. Wil je hier weg dan? Is het hier niet fijn?”
- “Kind, ik vind het hier best. Ze zorgen hier prima voor me.”
- “En het eten, is dat een beetje goed?”
- ”Uitstekend.”
- “Nou, dan blijf je toch lekker hier?”
- “Kan dat dan zomaar? En mijn huis dan? In Schiedam.”
- “Daar wordt voor gezorgd, opa.”
- “Door mijn dochters?”
- “Ja, die zorgen daarvoor.”

Als de koffie en de thee eindelijk op zijn, breng ik hem weer terug naar zijn kamer. We moeten veel deuren door, die allemaal open kunnen. Alleen de op een na laatste niet. Daarvoor heb ik een speciale sleutel. Zo onopvallend mogelijk open ik de deur als ik weer wegga. Weer is het niet gelukt om hem bij zijn kamer achter te laten. Dus laat ik hem achter de gesloten glazen deur naar me zwaaien tot ik de lange gang uit ben.

Deze herinnering komt ineens na jaren weer bovendrijven. De herhaling is daar debet aan. Ik zit tegenover mijn moeder op de bank.
- “En, het huis?”, vraagt ze. “Hoe is het ermee?”
- “Het is verkocht”, vertel ik voor de 36ste keer.
- “Wat? Dat meen je niet! Wat een goed nieuws!”

Morgen teken ik het contract en draag ik de sleutels over aan de nieuwe bewoners. De sleutels van mijn moeders laatste huis. Maar het laatste woord hebben we er nog lang niet over gesproken.