Ik zit net met mijn hoofd in de bloemenwebsites als de telefoon gaat. Een nummer in mijn eigen stad. Misschien het werk van David? Ik neem beleefd op en wacht af. De man aan de andere kant van de lijn stelt zich voor en noemt zijn bedrijf. Nee, niet de werkgever van David en ik herken de naam niet uit mijn klantenbestand. Gelukkig wacht hij mijn gepeins niet af, maar legt hij het zelf even uit. “Uw moeder staat bij ons op een wachtlijst.” O ja, daar ken ik die naam van! “Ik heb een plaats voor haar.” “Meent u dat? Echt een plaats?” “Ja, overmorgen.” Wacht even, dat gaat me te snel. “Ik wil graag even met haar samen komen kijken. Ze heeft het zelf nog niet gezien.” “Natuurlijk kan dat. Schikt morgen?” Pfff, wat een voortvarende man! “Vooruit, morgenmiddag zou wel kunnen. Niet eerder dan half drie, want mijn moeder slaapt tot twee uur.” “Prima, ik regel het even, u hoort nog van mij.” “En wat bedoelde u dan met overmorgen?” “Dan gaat ze er wonen.” “Ehm, dat is wel heel erg snel en plotseling.” ”Voor uw moeder maakt dat waarschijnlijk niet uit. Wanneer je niets kan onthouden, gebeurt alles plotseling.” “Dat klopt, voor mijn moeder is het sowieso een schokkende ervaring, maar ik ben er ook nog. Ik moet het regelen en ik heb een agenda. Met afspraken.” “Ja, dat begrijp ik, maar overleg dat morgen maar even. Het gaat overmorgen in.”
Verbluft blijf ik achter. Ergens diep van binnen voel ik blijdschap. Er hing een groot zwaard boven onze hoofden. In een behoorlijk snel tempo gaat de situatie van mijn moeder achteruit. Al een paar keer heeft ze me zelf gezegd. “Het gaat niet goed hoor, Iet. Ik denk niet dat ik hier kan blijven.” Uit voorzorg had ik maar vast uitgelegd dat ze bij een mooi huis op de wachtlijst stond, maar dat ze nog lang niet aan de beurt was. “En dan kan het zijn dat je tijdelijk naar een verpleeghuis moet. Ik wil het niet, dat weten ze ook, ik ben daar faliekant tegen.” “Dat snap ik, maar wat moet, moet.” Ze keek me kalm aan. Maar nu gaat dat dus helemaal niet gebeuren. Geen verpleeghuis met lange, witte, kale gangen, maar een flat met ruime eigen kamers. Maar vooral ook met een gemeenschappelijk ‘gezinsleven’, waarin je de hele dag mensen om je heen kunt hebben, precies waar mijn moeder zo naar verlangt.
Maar twee dagen! En dat niet alleen, maar ook nog eens twee dagen met een bulk afspraken in Mijn Agenda. De zorg is goed en nodig, maar de zorg moet onderhand eens gaan begrijpen dat hun bewoners ook familieleden hebben. Familie die graag wil helpen, maar die ook een leven probeert te hebben. En dat gaat best moeilijk als de zorg dat negeert.
Het is een kwestie van geld. Dat zegt de man niet, maar dat begrijp ik zo ook wel. Maar dat is het in mijn geval ook voor een deel. Overmorgen heb ik een overleg waar het om een boel geld gaat en waar ik bovendien al een tijd op wacht. Ik besluit die afspraak dan ook niet af te zeggen, maar de schouders moeten er wel even onder. Eerst maar even contact opnemen met iedereen die dit in eerste instantie al moet weten. Medewerkers in het huis waar mijn moeder nu woont, Heleen natuurlijk, en Anne. Heleen blijkt niet thuis. Anne mail ik, want die wil ik vooral even informeren. En het huis bel ik, want ik wil informeren én overleggen. Heel snel werken we ons erdoorheen. De medewerkster heeft n naam en telefoonnummer voor me, zodat ik iemand kan inhuren om de verhuizing te regelen, maar ik besluit eerst zelf te kijken wat ik voor elkaar kan krijgen. Geld betalen voor diensten vind ik prima, fijn zelfs, wanneer het diensten zijn die ik zelf niet of niet goed kan vervullen. In dit geval kan ik het best zelf. Ik moet vooral de dingen op een rijtje zien te krijgen. Vanavond nog snel wat verhuisdozen kopen. Een paar helpende handen vinden. Een busje huren en een steekwagen. Het enige punt is nog de timing. En zorgen dat ik zelf overeind blijf en mijn agenda nog zoveel mogelijk blijf volgen. Eén afspraak schuif ik vooruit, de rest staat nog even, maar ik neem me wel voor om de komende tijd iedere dag even bij mijn moeder langs te gaan. Ja, dat klinkt overdreven, want ze komt immers in een huis met vierentwintig uur verzorging om haar heen. Dat klopt. Maar mijn gezicht is de enige vertrouwde blik in deze hele stad. Nou ja, en dat van David natuurlijk. En het zal nog jaren duren voordat daar gezichten bijkomen. Als dat al ooit gebeurt.
Posts tonen met het label woonvormen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label woonvormen. Alle posts tonen
dinsdag 20 maart 2012
woensdag 14 december 2011
Verdwaald
“Het kan dus goed zijn dat wij dat helemaal niet mogen.” De vrouw zit tegenover me en kijkt me begripvol aan. “Je hebt het nog niet gekocht, toch?”, vraagt ze nog even voor de zekerheid. Nee, ik heb me alleen nog maar georiënteerd. Ik zoek een gps-systeem zodat mijn moeder traceerbaar is wanneer ze verdwaald is. Verdwaald betekent in dit geval: al wel erg lang aan het wandelen. Het is de eerste actie die ik nam nadat het verzorgingshuis me belde met de mededeling dat ik moest gaan uitkijken voor een ander huis voor mijn moeder, omdat ze steeds meer wandelt en soms blijkt te verdwalen.
Mijn moeder wandelt omdat ze van lopen en van de buitenlucht houdt en omdat ze niet meer kan fietsen. Voorheen, toen haar hoofd nog helder was, fietste ze dagelijks vele kilometers. Uitwaaien langs het kanaal, met halverwege een kopje koffie bij een restaurant op de route. Ze weet niet dat ze niet meer fietst, maar ze weet wel dat ze loopt. Want dat prijkt vet bovenaan haar lijst “Dingen die ik graag doe”. De mensen van Het Huis gunnen haar haar wandelrondjes wel, maar kunnen haar niet steeds gaan zoeken als ze na een uur nog niet is teruggekeerd. Met een gps-systeem hoeft er op zijn minst niet meer gezocht te worden, maar geeft de computer of een hippe smartphone meteen duidelijkheid over de verblijfplaats van mijn moeder. Met nog wat meer techniek kan ze vervolgens teruggepraat worden naar huis, zonder dat er iemand achter een balie vandaan hoeft te gaan. Sterker nog, dat kan ik zelfs, vanachter mijn bureau kilometers verderop.
Maar nu kan het dus zijn dat er een stokje voor gestoken wordt. “Het klinkt als een vrijheidsbeperkende maatregel en die mogen wij niet uitvoeren”, vertelt de vrouw. “Dus als ik het goed begrijp mag zo’n gps-systeem niet omdat het vrijheidsbeperkend is, met als gevolg dat mijn moeder naar een gesloten afdeling moet, waar ze helemaal niet meer kan wandelen, want gesloten afdelingen hebben vanwege de kosten nooit een tuin.” “Precies, zo zit het.”
Inmiddels is het een paar maanden later. Ik krijg een mail en ja, het is zoals de vrouw al vreesde. Het mag niet. Ze biedt me de maas in de wet, maar ik wil meer: een betere wet. Want wie die maas niet kan gebruiken wordt opgesloten, weggestopt.
Mijn moeder wandelt omdat ze van lopen en van de buitenlucht houdt en omdat ze niet meer kan fietsen. Voorheen, toen haar hoofd nog helder was, fietste ze dagelijks vele kilometers. Uitwaaien langs het kanaal, met halverwege een kopje koffie bij een restaurant op de route. Ze weet niet dat ze niet meer fietst, maar ze weet wel dat ze loopt. Want dat prijkt vet bovenaan haar lijst “Dingen die ik graag doe”. De mensen van Het Huis gunnen haar haar wandelrondjes wel, maar kunnen haar niet steeds gaan zoeken als ze na een uur nog niet is teruggekeerd. Met een gps-systeem hoeft er op zijn minst niet meer gezocht te worden, maar geeft de computer of een hippe smartphone meteen duidelijkheid over de verblijfplaats van mijn moeder. Met nog wat meer techniek kan ze vervolgens teruggepraat worden naar huis, zonder dat er iemand achter een balie vandaan hoeft te gaan. Sterker nog, dat kan ik zelfs, vanachter mijn bureau kilometers verderop.
Maar nu kan het dus zijn dat er een stokje voor gestoken wordt. “Het klinkt als een vrijheidsbeperkende maatregel en die mogen wij niet uitvoeren”, vertelt de vrouw. “Dus als ik het goed begrijp mag zo’n gps-systeem niet omdat het vrijheidsbeperkend is, met als gevolg dat mijn moeder naar een gesloten afdeling moet, waar ze helemaal niet meer kan wandelen, want gesloten afdelingen hebben vanwege de kosten nooit een tuin.” “Precies, zo zit het.”
Inmiddels is het een paar maanden later. Ik krijg een mail en ja, het is zoals de vrouw al vreesde. Het mag niet. Ze biedt me de maas in de wet, maar ik wil meer: een betere wet. Want wie die maas niet kan gebruiken wordt opgesloten, weggestopt.
Labels:
hulpmiddelen,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning,
wandelen,
woonvormen
maandag 31 oktober 2011
"'Cliënten' zeggen we tegenwoordig"
“’Cliënten’ zeggen we tegenwoordig, geen ‘bewoners’ meer”, vertelt de vrouw in het rood tijdens de rondleiding. Na een uitgebreid verhaal over mijn moeder, haar levendigheid, haar behoefte om bezig te zijn, mensen om zich heen te hebben, maar ook behoefte aan privacy en natuurlijk haar dagelijkse wandeling in de frisse buitenlucht, neemt zij ons mee naar de afdeling. Dat het een gesloten afdeling is, vindt zij logisch. Mijn moeder verdwaalt immers wel eens. “Ik wil toch een onderscheid maken tussen dwalen en verdwalen”, merk ik even op. Ja, dat is niet hetzelfde, geeft zij toe. Toch klikken de deuren achter ons direct weer in het slot.
Aan de binnenkant hangt een soort activitycenter naast de deur. Ik ken het nog uit de tijd dat mijn zoon in de box lag. Hartstikke hip waren ze toen, met geluiden, vrolijke kleuren, bewegende delen. “Het leidt af van de deur”, vertelt de vrouw. Ik snap het. En met wat geluk vergeten mensen dat ze eigenlijk de deur uit wilden.
Cliënten, dreunt het nog na door mijn hoofd. Ik ben een cliënt bij de kapper en de fysiotherapeut, bij de pedicure, de diëtiste (ja, ook ik) en ooit één keer bij een psycholoog (wat vooral gezellig werd). Kortom: op allerlei plekken waar ik na een behandeling van hooguit een paar uur weer vertrek, naar huis meestal. Elders ben ik een bewoner, in mijn eigen huis. Mijn moeder is ook een bewoner, maar dan in het verzorgingshuis. Als deze mensen hier geen bewoner zijn, waar dan wel?
Bij de cliënten die we onderweg tegenkomen is bovendien helemaal geen sprake van een behandeling, ze zitten te slapen in hun stoel. Wanneer ik opmerk dat mijn moeder hier totaal niet past, knikt de vrouw begrijpend. “Iedereen die hier voor het eerst komt schrikt en vindt dat hun eigen moeder hier nog niet hoort.” Wat ze niet weet, is dat ik al meer verpleeghuizen van binnen heb gezien, het is niet bepaald de eerste keer dat ik een afdeling met dementerende ouderen betreed. Ik schrik niet van de mensen, ik schrik van de gedachte van mijn moeder tussen hen in. Mijn moeder heeft, ondanks haar haperende geheugen, behoefte aan een goed gesprek, aan mensen met niveau om zich heen, en de vrijheid om zich terug te trekken in haar kamer wanneer ze moe is en even wil slapen.
Slechts in één van de drie huiskamers is een klein beetje leven: een vrouw bladert in de Telegraaf. De andere stoelen zijn bezet met slapers. Twee verzorgenden doen de afwas. Er komt een man aangelopen, in een vrolijke bui. Hij komt op onze stemmen af, want stemmen betekent dat hij een gesprek kan voeren. O, hij weet best dat hij veel vergeet. “Als u mij nu iets vertelt, ben ik het over tien minuten helemaal vergeten.” Heleen herkent de man uit Het Huis. “Dat klopt, daar woont mijn vrouw nog”, vertelt hij. “Maar ik kan er niet naar toe lopen, ik zou hopeloos verdwalen.” En dus leeft hij nu opgesloten, hoewel ik dat volgens de vrouw in het rood vast niet zo moet zien. Hij is immers een cliënt, geen bewoner. Maar weg kan hij niet. Nooit meer.
Aan de binnenkant hangt een soort activitycenter naast de deur. Ik ken het nog uit de tijd dat mijn zoon in de box lag. Hartstikke hip waren ze toen, met geluiden, vrolijke kleuren, bewegende delen. “Het leidt af van de deur”, vertelt de vrouw. Ik snap het. En met wat geluk vergeten mensen dat ze eigenlijk de deur uit wilden.
Cliënten, dreunt het nog na door mijn hoofd. Ik ben een cliënt bij de kapper en de fysiotherapeut, bij de pedicure, de diëtiste (ja, ook ik) en ooit één keer bij een psycholoog (wat vooral gezellig werd). Kortom: op allerlei plekken waar ik na een behandeling van hooguit een paar uur weer vertrek, naar huis meestal. Elders ben ik een bewoner, in mijn eigen huis. Mijn moeder is ook een bewoner, maar dan in het verzorgingshuis. Als deze mensen hier geen bewoner zijn, waar dan wel?
Bij de cliënten die we onderweg tegenkomen is bovendien helemaal geen sprake van een behandeling, ze zitten te slapen in hun stoel. Wanneer ik opmerk dat mijn moeder hier totaal niet past, knikt de vrouw begrijpend. “Iedereen die hier voor het eerst komt schrikt en vindt dat hun eigen moeder hier nog niet hoort.” Wat ze niet weet, is dat ik al meer verpleeghuizen van binnen heb gezien, het is niet bepaald de eerste keer dat ik een afdeling met dementerende ouderen betreed. Ik schrik niet van de mensen, ik schrik van de gedachte van mijn moeder tussen hen in. Mijn moeder heeft, ondanks haar haperende geheugen, behoefte aan een goed gesprek, aan mensen met niveau om zich heen, en de vrijheid om zich terug te trekken in haar kamer wanneer ze moe is en even wil slapen.
Slechts in één van de drie huiskamers is een klein beetje leven: een vrouw bladert in de Telegraaf. De andere stoelen zijn bezet met slapers. Twee verzorgenden doen de afwas. Er komt een man aangelopen, in een vrolijke bui. Hij komt op onze stemmen af, want stemmen betekent dat hij een gesprek kan voeren. O, hij weet best dat hij veel vergeet. “Als u mij nu iets vertelt, ben ik het over tien minuten helemaal vergeten.” Heleen herkent de man uit Het Huis. “Dat klopt, daar woont mijn vrouw nog”, vertelt hij. “Maar ik kan er niet naar toe lopen, ik zou hopeloos verdwalen.” En dus leeft hij nu opgesloten, hoewel ik dat volgens de vrouw in het rood vast niet zo moet zien. Hij is immers een cliënt, geen bewoner. Maar weg kan hij niet. Nooit meer.
Abonneren op:
Posts (Atom)