“Is opa al weg?” Een beetje verwijtend kijkt mijn moeder me aan. Opa? Waar haalt ze die ineens vandaan? “Ja, die is al weg.” “Ik heb het helemaal niet gemerkt”, moppert ze. “Hij heeft gegroet hoor”, pleit ik mijn grootvader vrij. Die groet vond ruim twintig jaar geleden plaats, maar wat is twintig jaar in een mensenhoofd? Peanuts, in elk geval bij mijn moeder.
“Wil je zo even gaan slapen? Het is allemaal wel vermoeiend he?”, probeer ik alvast. “Nee, laat ik dat maar niet doen, dat is niet nodig.” Maar als ik haar aan de arm meevoer naar het toilet, kan ze met moeite op haar benen blijven staan. Eenmaal terug aan tafel is het op. Een groepsleidster biedt aan mijn moeder naar haar kamer te brengen, maar nee, dat zal ik vandaag zelf wel doen. Zo kan zij in de tussentijd beneden helpen, waar alle handen welkom zijn. Even later schuift mijn moeder uitgeput tussen de lakens. Ik geef haar nog een paar dikke knuffels en stop haar lekker toe.
En dat terwijl mijn moeder zojuist voor het eerst in haar leven een spelletje op de smartphone speelde. Weliswaar had ze geen idee dat ze vier vakjes op een rij moest kleuren, maar gedwee liet ze zich door David instrueren. Ze begreep zelfs de bedoeling toen ik zei dat het schermpje reageerde op de warmte van haar vinger. Ah, geen nagel dus, maar je vingertop gebruiken.
Het was slechts een korte opleving en wat ik al vreesde, gebeurt: ver voor het dessert lopen we naar boven. Mijn moeder in een rolstoel en ik erachter. Terwijl David en zijn vriendin de auto halen, leg ik mijn moeder in bed. “Hoe gaat het nu als ik wakker word?” “Dan komt de zuster, je herkent haar wel. Zij komt straks ook nog even kijken.” Bij de deur kan ik nog met moeite “welterusten” zeggen. Mijn keel zit dicht.
zondag 25 december 2011
woensdag 14 december 2011
Verdwaald
“Het kan dus goed zijn dat wij dat helemaal niet mogen.” De vrouw zit tegenover me en kijkt me begripvol aan. “Je hebt het nog niet gekocht, toch?”, vraagt ze nog even voor de zekerheid. Nee, ik heb me alleen nog maar georiënteerd. Ik zoek een gps-systeem zodat mijn moeder traceerbaar is wanneer ze verdwaald is. Verdwaald betekent in dit geval: al wel erg lang aan het wandelen. Het is de eerste actie die ik nam nadat het verzorgingshuis me belde met de mededeling dat ik moest gaan uitkijken voor een ander huis voor mijn moeder, omdat ze steeds meer wandelt en soms blijkt te verdwalen.
Mijn moeder wandelt omdat ze van lopen en van de buitenlucht houdt en omdat ze niet meer kan fietsen. Voorheen, toen haar hoofd nog helder was, fietste ze dagelijks vele kilometers. Uitwaaien langs het kanaal, met halverwege een kopje koffie bij een restaurant op de route. Ze weet niet dat ze niet meer fietst, maar ze weet wel dat ze loopt. Want dat prijkt vet bovenaan haar lijst “Dingen die ik graag doe”. De mensen van Het Huis gunnen haar haar wandelrondjes wel, maar kunnen haar niet steeds gaan zoeken als ze na een uur nog niet is teruggekeerd. Met een gps-systeem hoeft er op zijn minst niet meer gezocht te worden, maar geeft de computer of een hippe smartphone meteen duidelijkheid over de verblijfplaats van mijn moeder. Met nog wat meer techniek kan ze vervolgens teruggepraat worden naar huis, zonder dat er iemand achter een balie vandaan hoeft te gaan. Sterker nog, dat kan ik zelfs, vanachter mijn bureau kilometers verderop.
Maar nu kan het dus zijn dat er een stokje voor gestoken wordt. “Het klinkt als een vrijheidsbeperkende maatregel en die mogen wij niet uitvoeren”, vertelt de vrouw. “Dus als ik het goed begrijp mag zo’n gps-systeem niet omdat het vrijheidsbeperkend is, met als gevolg dat mijn moeder naar een gesloten afdeling moet, waar ze helemaal niet meer kan wandelen, want gesloten afdelingen hebben vanwege de kosten nooit een tuin.” “Precies, zo zit het.”
Inmiddels is het een paar maanden later. Ik krijg een mail en ja, het is zoals de vrouw al vreesde. Het mag niet. Ze biedt me de maas in de wet, maar ik wil meer: een betere wet. Want wie die maas niet kan gebruiken wordt opgesloten, weggestopt.
Mijn moeder wandelt omdat ze van lopen en van de buitenlucht houdt en omdat ze niet meer kan fietsen. Voorheen, toen haar hoofd nog helder was, fietste ze dagelijks vele kilometers. Uitwaaien langs het kanaal, met halverwege een kopje koffie bij een restaurant op de route. Ze weet niet dat ze niet meer fietst, maar ze weet wel dat ze loopt. Want dat prijkt vet bovenaan haar lijst “Dingen die ik graag doe”. De mensen van Het Huis gunnen haar haar wandelrondjes wel, maar kunnen haar niet steeds gaan zoeken als ze na een uur nog niet is teruggekeerd. Met een gps-systeem hoeft er op zijn minst niet meer gezocht te worden, maar geeft de computer of een hippe smartphone meteen duidelijkheid over de verblijfplaats van mijn moeder. Met nog wat meer techniek kan ze vervolgens teruggepraat worden naar huis, zonder dat er iemand achter een balie vandaan hoeft te gaan. Sterker nog, dat kan ik zelfs, vanachter mijn bureau kilometers verderop.
Maar nu kan het dus zijn dat er een stokje voor gestoken wordt. “Het klinkt als een vrijheidsbeperkende maatregel en die mogen wij niet uitvoeren”, vertelt de vrouw. “Dus als ik het goed begrijp mag zo’n gps-systeem niet omdat het vrijheidsbeperkend is, met als gevolg dat mijn moeder naar een gesloten afdeling moet, waar ze helemaal niet meer kan wandelen, want gesloten afdelingen hebben vanwege de kosten nooit een tuin.” “Precies, zo zit het.”
Inmiddels is het een paar maanden later. Ik krijg een mail en ja, het is zoals de vrouw al vreesde. Het mag niet. Ze biedt me de maas in de wet, maar ik wil meer: een betere wet. Want wie die maas niet kan gebruiken wordt opgesloten, weggestopt.
Labels:
hulpmiddelen,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning,
wandelen,
woonvormen
dinsdag 29 november 2011
With anyone else but me
“Ik ga je een moeilijke, pijnlijke vraag stellen”, zegt mijn moeder. We zitten naast elkaar op een bankje te praten over van alles en nog wat, tussendoor zingend “Don’t sit under the appletree with anyone else but me”. En dat tweestemmig, als vanouds. Bijna als vanouds, mijn moeder zingt over papier. “Ik verstond het niet goed”, verontschuldigt ze zich als ik in de lach schiet.
“Zeg het maar, wat wil je vragen?”, zeg ik. Ze kijkt me kalm aan. “Leeft papa nog?” “Ik vind de vraag niet pijnlijk, maar het antwoord wel”, begin ik voorzichtig. Geduldig wacht ze op mijn antwoord. “Nee, papa leeft niet meer. Hij is zevenenhalf jaar geleden overleden.”
“He, nou heb ik je verdrietig gemaakt”, zegt ze. “Nee hoor, ik mis hem gewoon nog steeds en soms word ik daar verdrietig van. Dat geeft niet.” We zuchten allebei en zitten even stil. “Was hij er nog maar. Maar ja, dan woonde ik niet zo fijn als nu”, concludeer ik cru. Daar moeten we dan toch wel weer om lachen.
En we doen nog een rondje: “Don’t sit under the appletree, with anyone else but me, with anyone else but me, with anyone else but me”. En over papier dus. Wat zitten we daar samen goed, op het appelgroene bankje.
“Zeg het maar, wat wil je vragen?”, zeg ik. Ze kijkt me kalm aan. “Leeft papa nog?” “Ik vind de vraag niet pijnlijk, maar het antwoord wel”, begin ik voorzichtig. Geduldig wacht ze op mijn antwoord. “Nee, papa leeft niet meer. Hij is zevenenhalf jaar geleden overleden.”
“He, nou heb ik je verdrietig gemaakt”, zegt ze. “Nee hoor, ik mis hem gewoon nog steeds en soms word ik daar verdrietig van. Dat geeft niet.” We zuchten allebei en zitten even stil. “Was hij er nog maar. Maar ja, dan woonde ik niet zo fijn als nu”, concludeer ik cru. Daar moeten we dan toch wel weer om lachen.
En we doen nog een rondje: “Don’t sit under the appletree, with anyone else but me, with anyone else but me, with anyone else but me”. En over papier dus. Wat zitten we daar samen goed, op het appelgroene bankje.
vrijdag 11 november 2011
Speldjes
In het winkelcentrum is een nieuwe Hema geopend en daar wandelen we kalmpjes doorheen. “Kijk mam, grijze speldjes. Heb je die nog nodig?” Ik houd ze naast haar opgestoken haar en zie dat ze er goed bij kleuren. “Altijd handig. Maar ik heb geen tas bij me en dus ook geen geld.” “Ik schiet wel even voor.” “Dat is goed, maar ik betaal het straks terug hoor.” Ik loop achter de rolstoel met uitzicht op mijn moeders kapsel. Iedere medewerkster is altijd weer verbaasd als ze hoort dat mijn moeder dat dagelijks zelf voor elkaar maakt. Voor ze de deur uitgaat, wil ze ook altijd van me weten of haar haar nog wel goed zit.
Misschien is dat wel de reden dat de receptioniste vandaag tegen me zegt: “Ah, u bent de dochter van mevrouw Van Dijk”, als ik haar een invulstrookje overhandig. “Leuke vrouw, een beetje een dame.” “Ja, dat klopt wel. Ik ben de gewone in de familie”, grap ik maar. Mijn moeder een dame? Ik zie het niet direct, maar deze middag schittert het er af en toe inderdaad doorheen. Net even anders, maar niet hautain. Vind ik dan, maar ik kan bevooroordeeld zijn.
Het zit er al generaties in weet ik, als ik me zo de foto’s van mijn moeders voorouders in gedachten neem. Haar vader had het en haar grootvader, die toch, volgens de neef die ik gisteren sprak, een gewone vlasboer was. Maar ik herinner mij foto’s van mijn overgrootvader naast zijn broer: beiden vlasboer, maar ieder met een heel andere manier van staan. De ene als boer, een sterke werker, de ander ook sterk, maar vooral aanwezig. Het is mij totaal duidelijk: met mijn overgrootvader viel niet te spotten. Net zo min als met mijn grootvader, al had ik, als jongste en meest dwarse kleindochter, daar soms maling aan, iets wat hij ook wel kon waarderen, want was hij zelf ook niet zo?
Mijn moeder is milder, of meer: toont milder. Als dingen haar werkelijk niet zinnen, zal ze dat laten blijken. Altijd in het nette, nooit met grove taal, maar vooral in haar houding. Dan recht ze haar rug en krijgen haar ogen de felheid die haar tante al in haar baby-blik zag. Het is waar, daarin zie je de dame nog.
En in haar kapsel natuurlijk. Wanneer we in de groep zitten waar ze aan het eind van de middag koffie drinkt, kijkt ze me ineens nadenkend aan. “Krijg jij niet nog iets van mij?”, vraagt ze. Ik denk even na en herinner me dan de haarspeldjes. “Het was ongeveer een euro, maar ik kan het je ook schenken.” “Nee hoor, ik betaal het even terug.” In stilte verbaas ik me. Ze weet precies wat ze uit haar portemonnee tovert, maar bovenal is blijven hangen dat ze mij nog iets verschuldigd was. Meestal zeg ik “Ik schiet het wel even voor”, om vervelende situaties te voorkomen, maar blijkbaar moet ik daar toch mee uit gaan kijken. Mijn moeder onthoudt meer dan ik denk.
Misschien is dat wel de reden dat de receptioniste vandaag tegen me zegt: “Ah, u bent de dochter van mevrouw Van Dijk”, als ik haar een invulstrookje overhandig. “Leuke vrouw, een beetje een dame.” “Ja, dat klopt wel. Ik ben de gewone in de familie”, grap ik maar. Mijn moeder een dame? Ik zie het niet direct, maar deze middag schittert het er af en toe inderdaad doorheen. Net even anders, maar niet hautain. Vind ik dan, maar ik kan bevooroordeeld zijn.
Het zit er al generaties in weet ik, als ik me zo de foto’s van mijn moeders voorouders in gedachten neem. Haar vader had het en haar grootvader, die toch, volgens de neef die ik gisteren sprak, een gewone vlasboer was. Maar ik herinner mij foto’s van mijn overgrootvader naast zijn broer: beiden vlasboer, maar ieder met een heel andere manier van staan. De ene als boer, een sterke werker, de ander ook sterk, maar vooral aanwezig. Het is mij totaal duidelijk: met mijn overgrootvader viel niet te spotten. Net zo min als met mijn grootvader, al had ik, als jongste en meest dwarse kleindochter, daar soms maling aan, iets wat hij ook wel kon waarderen, want was hij zelf ook niet zo?
Mijn moeder is milder, of meer: toont milder. Als dingen haar werkelijk niet zinnen, zal ze dat laten blijken. Altijd in het nette, nooit met grove taal, maar vooral in haar houding. Dan recht ze haar rug en krijgen haar ogen de felheid die haar tante al in haar baby-blik zag. Het is waar, daarin zie je de dame nog.
En in haar kapsel natuurlijk. Wanneer we in de groep zitten waar ze aan het eind van de middag koffie drinkt, kijkt ze me ineens nadenkend aan. “Krijg jij niet nog iets van mij?”, vraagt ze. Ik denk even na en herinner me dan de haarspeldjes. “Het was ongeveer een euro, maar ik kan het je ook schenken.” “Nee hoor, ik betaal het even terug.” In stilte verbaas ik me. Ze weet precies wat ze uit haar portemonnee tovert, maar bovenal is blijven hangen dat ze mij nog iets verschuldigd was. Meestal zeg ik “Ik schiet het wel even voor”, om vervelende situaties te voorkomen, maar blijkbaar moet ik daar toch mee uit gaan kijken. Mijn moeder onthoudt meer dan ik denk.
Klein baby'tje
“Ik weet nog dat je moeder geboren werd.” De man aan de andere kant van de lijn heeft het over bijna 78 jaar geleden. Ver, ver, ver voor mijn bestaan en hij praat erover alsof het gisteren is. “Als mijn moeder bij mijn oom en tante, jouw grootouders dus, op de thee ging, moest ik mee. Dat deden we vaak en het was een heel gedoe.” Al woonden ze dan in dezelfde stad, het moet in die tijd een fikse reis geweest zijn. “Toen lag op een keer jouw moeder in de wieg, een heel klein kindje. Ze was veel te vroeg geboren.” Mijn moeder was niet de eerste baby die haar grote neef gezien had in zijn jonge leven, want hij was de oudste van alle neefjes en nichtjes in een hechte familie. Dus bij alle kraambezoeken zat hij erbij, de vorige nog geen anderhalf jaar eerder, toen mijn moeders grote zus werd geboren. Dat dat volgende nichtje zo klein was, is hem altijd bijgebleven.
“De doktoren vonden het wel zorgelijk, zo’n klein baby’tje, vertelde je oma. Maar mijn moeder antwoordde toen: kijk maar naar haar ogen, hele felle ogen. Dat is een goed teken.” Ik schiet in de lach. “Zo kan ze nog steeds kijken.” Dat verbaast hem niets. “Ze was heel energiek en dat is ze altijd geweest. Hoe is het eigenlijk met haar?”
“De doktoren vonden het wel zorgelijk, zo’n klein baby’tje, vertelde je oma. Maar mijn moeder antwoordde toen: kijk maar naar haar ogen, hele felle ogen. Dat is een goed teken.” Ik schiet in de lach. “Zo kan ze nog steeds kijken.” Dat verbaast hem niets. “Ze was heel energiek en dat is ze altijd geweest. Hoe is het eigenlijk met haar?”
maandag 31 oktober 2011
"'Cliënten' zeggen we tegenwoordig"
“’Cliënten’ zeggen we tegenwoordig, geen ‘bewoners’ meer”, vertelt de vrouw in het rood tijdens de rondleiding. Na een uitgebreid verhaal over mijn moeder, haar levendigheid, haar behoefte om bezig te zijn, mensen om zich heen te hebben, maar ook behoefte aan privacy en natuurlijk haar dagelijkse wandeling in de frisse buitenlucht, neemt zij ons mee naar de afdeling. Dat het een gesloten afdeling is, vindt zij logisch. Mijn moeder verdwaalt immers wel eens. “Ik wil toch een onderscheid maken tussen dwalen en verdwalen”, merk ik even op. Ja, dat is niet hetzelfde, geeft zij toe. Toch klikken de deuren achter ons direct weer in het slot.
Aan de binnenkant hangt een soort activitycenter naast de deur. Ik ken het nog uit de tijd dat mijn zoon in de box lag. Hartstikke hip waren ze toen, met geluiden, vrolijke kleuren, bewegende delen. “Het leidt af van de deur”, vertelt de vrouw. Ik snap het. En met wat geluk vergeten mensen dat ze eigenlijk de deur uit wilden.
Cliënten, dreunt het nog na door mijn hoofd. Ik ben een cliënt bij de kapper en de fysiotherapeut, bij de pedicure, de diëtiste (ja, ook ik) en ooit één keer bij een psycholoog (wat vooral gezellig werd). Kortom: op allerlei plekken waar ik na een behandeling van hooguit een paar uur weer vertrek, naar huis meestal. Elders ben ik een bewoner, in mijn eigen huis. Mijn moeder is ook een bewoner, maar dan in het verzorgingshuis. Als deze mensen hier geen bewoner zijn, waar dan wel?
Bij de cliënten die we onderweg tegenkomen is bovendien helemaal geen sprake van een behandeling, ze zitten te slapen in hun stoel. Wanneer ik opmerk dat mijn moeder hier totaal niet past, knikt de vrouw begrijpend. “Iedereen die hier voor het eerst komt schrikt en vindt dat hun eigen moeder hier nog niet hoort.” Wat ze niet weet, is dat ik al meer verpleeghuizen van binnen heb gezien, het is niet bepaald de eerste keer dat ik een afdeling met dementerende ouderen betreed. Ik schrik niet van de mensen, ik schrik van de gedachte van mijn moeder tussen hen in. Mijn moeder heeft, ondanks haar haperende geheugen, behoefte aan een goed gesprek, aan mensen met niveau om zich heen, en de vrijheid om zich terug te trekken in haar kamer wanneer ze moe is en even wil slapen.
Slechts in één van de drie huiskamers is een klein beetje leven: een vrouw bladert in de Telegraaf. De andere stoelen zijn bezet met slapers. Twee verzorgenden doen de afwas. Er komt een man aangelopen, in een vrolijke bui. Hij komt op onze stemmen af, want stemmen betekent dat hij een gesprek kan voeren. O, hij weet best dat hij veel vergeet. “Als u mij nu iets vertelt, ben ik het over tien minuten helemaal vergeten.” Heleen herkent de man uit Het Huis. “Dat klopt, daar woont mijn vrouw nog”, vertelt hij. “Maar ik kan er niet naar toe lopen, ik zou hopeloos verdwalen.” En dus leeft hij nu opgesloten, hoewel ik dat volgens de vrouw in het rood vast niet zo moet zien. Hij is immers een cliënt, geen bewoner. Maar weg kan hij niet. Nooit meer.
Aan de binnenkant hangt een soort activitycenter naast de deur. Ik ken het nog uit de tijd dat mijn zoon in de box lag. Hartstikke hip waren ze toen, met geluiden, vrolijke kleuren, bewegende delen. “Het leidt af van de deur”, vertelt de vrouw. Ik snap het. En met wat geluk vergeten mensen dat ze eigenlijk de deur uit wilden.
Cliënten, dreunt het nog na door mijn hoofd. Ik ben een cliënt bij de kapper en de fysiotherapeut, bij de pedicure, de diëtiste (ja, ook ik) en ooit één keer bij een psycholoog (wat vooral gezellig werd). Kortom: op allerlei plekken waar ik na een behandeling van hooguit een paar uur weer vertrek, naar huis meestal. Elders ben ik een bewoner, in mijn eigen huis. Mijn moeder is ook een bewoner, maar dan in het verzorgingshuis. Als deze mensen hier geen bewoner zijn, waar dan wel?
Bij de cliënten die we onderweg tegenkomen is bovendien helemaal geen sprake van een behandeling, ze zitten te slapen in hun stoel. Wanneer ik opmerk dat mijn moeder hier totaal niet past, knikt de vrouw begrijpend. “Iedereen die hier voor het eerst komt schrikt en vindt dat hun eigen moeder hier nog niet hoort.” Wat ze niet weet, is dat ik al meer verpleeghuizen van binnen heb gezien, het is niet bepaald de eerste keer dat ik een afdeling met dementerende ouderen betreed. Ik schrik niet van de mensen, ik schrik van de gedachte van mijn moeder tussen hen in. Mijn moeder heeft, ondanks haar haperende geheugen, behoefte aan een goed gesprek, aan mensen met niveau om zich heen, en de vrijheid om zich terug te trekken in haar kamer wanneer ze moe is en even wil slapen.
Slechts in één van de drie huiskamers is een klein beetje leven: een vrouw bladert in de Telegraaf. De andere stoelen zijn bezet met slapers. Twee verzorgenden doen de afwas. Er komt een man aangelopen, in een vrolijke bui. Hij komt op onze stemmen af, want stemmen betekent dat hij een gesprek kan voeren. O, hij weet best dat hij veel vergeet. “Als u mij nu iets vertelt, ben ik het over tien minuten helemaal vergeten.” Heleen herkent de man uit Het Huis. “Dat klopt, daar woont mijn vrouw nog”, vertelt hij. “Maar ik kan er niet naar toe lopen, ik zou hopeloos verdwalen.” En dus leeft hij nu opgesloten, hoewel ik dat volgens de vrouw in het rood vast niet zo moet zien. Hij is immers een cliënt, geen bewoner. Maar weg kan hij niet. Nooit meer.
maandag 10 oktober 2011
Verdwenen gezichten
Wanneer de vrouw op Heleen en mij af komt lopen, aarzel ik toch even. Haar uiterlijk klopt niet met het beeld dat ik had van haar aan de telefoon. Ik wil niet onbeleefd lijken en sta toch alvast maar op. “Wilt u ook koffie?”, vraagt ze aan Heleen. “Het is zo onhartelijk als ik de een wel koffie geef en de ander niet.” Ik babbel gezellig mee, maar het is alsof ik een klap in mijn gezicht krijg. Okee, mijn gevoel dat dit niet de vrouw kan zijn op wie ik zit te wachten, klopt dus wel, maar deze vrouw moet ik een paar minuten geleden gezien hebben. En niet alleen gezien, maar ook gesproken. Dat laatste weet ik allemaal nog wel, maar haar gezicht komt me nog geen seconde bekend voor. Haar ogen, haar haar, haar mond en neus, niets. In een paar minuten is ze volkomen uit mijn geheugen gewist.
Dat kan natuurlijk gebeuren, maar twee dagen eerder is me precies hetzelfde overkomen. Nu kan ik roepen dat het grijze muizen betreft, maar zelfs van een grijze muis onthoud je op zijn minst nog het puntige snuitje. Maar niets, totaal niets…
Ik neem voorzichtigheidshalve maar niet aan dat ik dementie heb. Ik vertrouw er maar op dat er een andere oorzaak is, maar ik neem de ervaring wel mee. Ik zie het regelmatig gebeuren, zoals die keer dat mijn moeder de vriendin van mijn zoon David voor het eerst ontmoet. Ze komt zich voorstellen als mijn moeder en ik in de tuin thee drinken. David en zijn vriendin vertrekken naar binnen en na een kwartiertje volgen wij ook. “Hee, jou ken ik nog niet!”, roept mijn moeder enthousiast. De vriendin staat op en geeft mijn moeder een hand. “Ik ben Carolien.” “De vriendin van David”, leg ik uit. “Wat leuk je nu eens te ontmoeten”, zegt mijn moeder. Wanneer we even later wegrijden in de richting van mijn moeders huis, is Carolien alweer helemaal vergeten.
Een paar weken later duikt ze ineens op. "Hoe is het met David? Zeg, heeft hij nou een vriendin?" "Ja, Carolien." "Zie je wel, dat dacht ik al." Ik hoop dat ik over een paar weken nog weet wat ik moet met de koffiejuffrouw die ineens in mijn hoofd op popt.
Dat kan natuurlijk gebeuren, maar twee dagen eerder is me precies hetzelfde overkomen. Nu kan ik roepen dat het grijze muizen betreft, maar zelfs van een grijze muis onthoud je op zijn minst nog het puntige snuitje. Maar niets, totaal niets…
Ik neem voorzichtigheidshalve maar niet aan dat ik dementie heb. Ik vertrouw er maar op dat er een andere oorzaak is, maar ik neem de ervaring wel mee. Ik zie het regelmatig gebeuren, zoals die keer dat mijn moeder de vriendin van mijn zoon David voor het eerst ontmoet. Ze komt zich voorstellen als mijn moeder en ik in de tuin thee drinken. David en zijn vriendin vertrekken naar binnen en na een kwartiertje volgen wij ook. “Hee, jou ken ik nog niet!”, roept mijn moeder enthousiast. De vriendin staat op en geeft mijn moeder een hand. “Ik ben Carolien.” “De vriendin van David”, leg ik uit. “Wat leuk je nu eens te ontmoeten”, zegt mijn moeder. Wanneer we even later wegrijden in de richting van mijn moeders huis, is Carolien alweer helemaal vergeten.
Een paar weken later duikt ze ineens op. "Hoe is het met David? Zeg, heeft hij nou een vriendin?" "Ja, Carolien." "Zie je wel, dat dacht ik al." Ik hoop dat ik over een paar weken nog weet wat ik moet met de koffiejuffrouw die ineens in mijn hoofd op popt.
Abonneren op:
Posts (Atom)