“Jullie lijken niet op elkaar", constateert de man tegenover me. Hij kijkt van mijn moeder naar mij. “Jullie haar is heel verschillend.” Gelukkig maar, denk ik. Mijn moeders haar is inmiddels spierwit, daar voel ik me nog te jong voor. “En jij hebt meer gewicht”, voegt hij er nog aan toe, met zijn armen voor zijn buik zwaaiend. “Je doet nog net dit niet”, reageert mijn moeder pijlsnel, en ze beeldt een stevige boezem uit. “Nee, dat deed ik niet”, roept de man meteen. “Dat deed ik echt niet.” De anderen aan tafel roepen er lachend doorheen. Hilariteit alom. “Ik ben slager geweest”, zegt de man nog even. “Dus ik houd wel van wat vlees.” Inmiddels ben ik bijna geschokt.
“U bent nieuw hier, volgens mij”, zeg ik tegen hem. “Niet in het huis hoor, ik zag u vier jaar geleden al, toen ik hier voor het eerst kwam kijken.” “Weet je hoe het komt dat ze dat nog weet?”, verklaart hij tegen de anderen. “Dat overkomt alleen knappe mannen.” Daarna komt hij zelf niet meer bij om zijn eigen grap.
“Je bent nogal blij met jezelf”, zegt de vrouw naast hem. “Ja, ik mag mezelf wel”, reageert de man. Hartstikke goed, vind ik. “Je sleept jezelf overal mee naar toe, dan is het wel zo prettig als je jezelf leuk vindt.” Daar is iedereen het eigenlijk wel mee eens. “En als ik mijn vrouw weer bezoek, beginnen haar ogen te glimmen”, zegt de man nog. Is het al zo ver, bedenk ik me. De man woont in het verzorgingshuis. Al jaren. Eerder samen met zijn vrouw, maar tegenwoordig woont hij er alleen. Zijn vrouw is naar het verpleeghuis overgegaan. Zo pijnlijk, vind ik dat steeds weer. Echtparen die bijna hun hele leven al samen geweest zijn en dan in de tijd dat ze zelf hulpbehoevend worden, worden ze uit elkaar gerukt. En dan is de achterblijver ook niet meer zo fit dat hij of zij makkelijk naar het verpleeghuis kan om op bezoek te gaan. Op bezoek, nota bene, bij degene met wie je al zestig jaar getrouwd bent.
Maar aan meneer S. is niets te zien. Hij blijft even vrolijk. De koffie wordt rondgedeeld en terwijl we daarvan genieten, leest een van de leidsters voor uit een boek met streekverhalen in dialect. Ze verontschuldigt zich voor haar uitspraak, want dialect spreekt ze voor het eerst in haar leven. Volkomen onnodig, die verontschuldiging, het verhaal is goed te volgen en hilarisch voor wie het allemaal kan onthouden. Dat zijn er maar weinig in het gezelschap, maar voorgelezen worden blijkt toch fijn te zijn.
Ik moet helaas gaan, ik heb een ander leven, met een ander ritme. Maar binnenkort kom ik terug. Dan loop ik een hele ochtend mee met de groep. Extra handen voor de leiding en een mooie inkijk voor mij in de dagbesteding van mensen met dementie. Ik moet alleen nog een beetje shockproof worden, geloof ik.
donderdag 5 mei 2011
maandag 25 april 2011
Naar het terras
Nu het mooier weer is, probeer ik het erin te houden: een wandeling in plaats van koffie op de bank. En ook deze keer in het gelukt. Op internet heb ik de kortste wandelroute naar het terras uitgezocht. Het is hetzelfde cafeetje als waar we vroeger vaak zaten na het winkelen. Voor mij is het een kippeneindje, maar mijn moeder is dringend aan een stoel toe als we aankomen. Onderweg zijn we nog even gestopt om de rug te rechten. Volgens de specialist vergeet mijn moeder hoe ze moet lopen, waardoor haar lichaam niet meer de goede houding aanneemt. Dat kan het zijn, maar het kan ook vermoeidheid zijn, houd ik mezelf nog maar even voor. In ieder geval zet ik haar even stil als ik vind dat ze te ver voorover helt. Want dan wordt het lopen alleen maar zwaarder.
“Dat klopt”, beaamt mijn moeder. “Ik heb er zere handen van.” Ze hangt op de rollator. “Je moet hem ook niet voortduwen, mam. Hij is bedoeld voor houvast, niet als zware duwkar.” Uit eigen ervaring weet ik echter dat het helemaal niet gemakkelijk is om met een rollator te lopen. Weliswaar helpt het bij je evenwicht en geeft het enige steun en veiligheid, maar het kost veel kracht, vooral op de hobbelige, net niet rechte stoepen en straatjes die ons land rijk is. Bovendien staan de handvaten verkeerd, realiseer ik me. Je zet je polsen voortdurend in een vreemde knik om de handvaten vast te kunnen houden. De stang van een boodschappenkarretje duwt vele malen fijner dan de handvaten van een rollator. Geen nood, die handvaten kan ik verzetten.
Inmiddels zijn we bij het terras. Het is er warm, maar er staat gelukkig een klein beetje wind. In de halfschaduw drinken we wat sap en knabbelen we een appelflap weg. “Kijk, daar zijn ze aan het vissen”, merkt mijn moeder op. Net boven het muurtje langs het terras schiet de punt van een hengel omhoog. Steeds wanneer de vissende kinderen de hengel opnieuw uitgooien, ziet mijn moeder het voor de eerste keer. Ze geniet volop. “Hier heb ik nog nooit gezeten”, vertelt ze. “Maar binnen wel. Daar kwam ik weleens.” “Dat klopt, daar hebben we samen weleens koffie gedronken en ook wel gegeten.” Dat ze vorig jaar zomer uitgebreid ijs heeft gegeten op het terras is helaas alweer verdwenen.
Op mijn gemak kuieren we terug naar haar flat. Onderweg wijken we lachend uit voor een paar kinderen met waterpistolen en kletsnatte kleren. Het is pas lente, maar het voelt als zomer. We zakken nog even op een bankje en lopen daarna de laatste meters naar de deur. Onlangs verzuchtte mijn moeder tegen Heleen: “Jullie moeten maar geen leuke dingen meer met me doen, want ik vergeet het toch allemaal weer.” Zij misschien wel, maar wij niet. Iedere glimlach plakt zich vast in ons geheugen, want genieten kan ze nog steeds, met volle teugen. Eens even kijken op googlemaps, waar we de volgende keer heen kunnen wandelen.
“Dat klopt”, beaamt mijn moeder. “Ik heb er zere handen van.” Ze hangt op de rollator. “Je moet hem ook niet voortduwen, mam. Hij is bedoeld voor houvast, niet als zware duwkar.” Uit eigen ervaring weet ik echter dat het helemaal niet gemakkelijk is om met een rollator te lopen. Weliswaar helpt het bij je evenwicht en geeft het enige steun en veiligheid, maar het kost veel kracht, vooral op de hobbelige, net niet rechte stoepen en straatjes die ons land rijk is. Bovendien staan de handvaten verkeerd, realiseer ik me. Je zet je polsen voortdurend in een vreemde knik om de handvaten vast te kunnen houden. De stang van een boodschappenkarretje duwt vele malen fijner dan de handvaten van een rollator. Geen nood, die handvaten kan ik verzetten.
Inmiddels zijn we bij het terras. Het is er warm, maar er staat gelukkig een klein beetje wind. In de halfschaduw drinken we wat sap en knabbelen we een appelflap weg. “Kijk, daar zijn ze aan het vissen”, merkt mijn moeder op. Net boven het muurtje langs het terras schiet de punt van een hengel omhoog. Steeds wanneer de vissende kinderen de hengel opnieuw uitgooien, ziet mijn moeder het voor de eerste keer. Ze geniet volop. “Hier heb ik nog nooit gezeten”, vertelt ze. “Maar binnen wel. Daar kwam ik weleens.” “Dat klopt, daar hebben we samen weleens koffie gedronken en ook wel gegeten.” Dat ze vorig jaar zomer uitgebreid ijs heeft gegeten op het terras is helaas alweer verdwenen.
Op mijn gemak kuieren we terug naar haar flat. Onderweg wijken we lachend uit voor een paar kinderen met waterpistolen en kletsnatte kleren. Het is pas lente, maar het voelt als zomer. We zakken nog even op een bankje en lopen daarna de laatste meters naar de deur. Onlangs verzuchtte mijn moeder tegen Heleen: “Jullie moeten maar geen leuke dingen meer met me doen, want ik vergeet het toch allemaal weer.” Zij misschien wel, maar wij niet. Iedere glimlach plakt zich vast in ons geheugen, want genieten kan ze nog steeds, met volle teugen. Eens even kijken op googlemaps, waar we de volgende keer heen kunnen wandelen.
zaterdag 16 april 2011
"En een knuffel voor Rikkie!"
Terwijl mijn moeder het zegt, glijdt de twijfel over haar gezicht. “Is Rikkie er nog wel?” “Nee mam, die is er al jaren niet meer.” Bijna vijfentwintig jaar geleden belde mijn moeder me op om te vertellen dat ze met Rikkie naar de dierenarts ging voor een spuitje. Vijftien was hij, was doof, had staar en inmiddels ook een verzameling kankergezwellen. Ontroostbaar was ik aan de andere kant van de lijn. Rikkie, de hond die ik als kind zo graag wilde hebben en die er tot mijn grote geluk ook kwam. Hij paste precies bij ons gezin: zwart met een witte bef. De perfecte hond voor een domineesgezin. Bovendien had hij de juiste hoogte: wanneer hij – altijd vrolijk – langs de lage tafel schurkte, sloeg zijn wapperende staart de asbak schoon en de tafel leeg. Eten? Dat scheen erbij te horen, maar Rikkie leefde van de liefde, zeiden wij altijd. Aaien en geknuffeld worden gingen boven bakken voer. Inmiddels leeft hij vooral nog in fotoboeken. Maar vandaag wandelde hij zomaar ineens weer ons hoofd binnen.
Bewegen is goed voor ieder mens en zeker ook voor mensen met dementie. Ik besluit op mijn wandelrondje mijn moeder mee te nemen. En dus stap ik in de auto en tuf op de bonnefooi naar haar toe. Gelukkig, ze is thuis. “Ik wilde net naar buiten gaan”, zegt ze als ik voor haar sta. “Dat komt mooi uit, want dat wil ik ook.” We lopen de parkeerplaats over en stappen het park in. De kwieke houding van zojuist is alweer verdwenen, dus wijs ik op de bankjes een eindje verder. We laten ons lekker in de zon achterover zakken en genieten van het groen, de sloot in de verte, de wandelende mensen en hee, een groepje honden. Een zwarte hond wordt losgelaten en rent onze kant op. “Net Rikkie”, zeg ik. “Inderdaad.” “Dat is net onze hond van vroeger”, zeg ik tegen de vrouw die hem schielijk terugfluit. “Het is niet erg, hij is leuk.”
We peuzelen een doosje rozijnen leeg en staan weer eens op. De energie is weer terug en daar gaan we weer. Nu nemen we een lastige route: een paadje naar beneden. Ik maan mijn moeder in de rem te knijpen en houd intussen haar arm vast. Alsof ik haar daaraan kan ophijsen als ze dreigt te vallen. Daar moeten we allebei hartelijk om lachen. Aan het eind van het pad helt de weg juist weer omhoog. Mijn moeder neemt een sprint en wil flink afzetten. Weer pak ik haar arm, nu om haar tegen te houden, want de naderende vrachtwagenchauffeur verwacht vast geen racerollator op zijn pad. Wanneer hij voorbij is, stappen we de weg over. De kracht is alweer op, de bankjes ook, dus besluiten we op huis aan te gaan.
We drinken wat en praten nog na. “Ik heb nog even geslapen”, vertelt mijn moeder. “En toen werd ik helemaal blij wakker: Ita komt zo!” Ik help haar niet uit de droom, beticht haar niet eens van voorspellende gaven. Het hoeft niet. Op dit moment geniet ze van de gedachte dat ze voorpret heeft gehad. “Zo jammer dat je dat soort dingen vaak vergeet”, zegt ze. “Daardoor mis je een boel plezier. Maar ik vind het erg gezellig dat je er bent.” Wanneer we afscheid nemen in de gang, zegt ze: “de groeten thuis!” Dat is de veilige weg, zodat ze niet hoeft te benoemen wie er bij mijn ‘thuis’ horen. “En een knuffel voor Rikkie!” We zwaaien tot we elkaar niet meer kunnen zien.
Bewegen is goed voor ieder mens en zeker ook voor mensen met dementie. Ik besluit op mijn wandelrondje mijn moeder mee te nemen. En dus stap ik in de auto en tuf op de bonnefooi naar haar toe. Gelukkig, ze is thuis. “Ik wilde net naar buiten gaan”, zegt ze als ik voor haar sta. “Dat komt mooi uit, want dat wil ik ook.” We lopen de parkeerplaats over en stappen het park in. De kwieke houding van zojuist is alweer verdwenen, dus wijs ik op de bankjes een eindje verder. We laten ons lekker in de zon achterover zakken en genieten van het groen, de sloot in de verte, de wandelende mensen en hee, een groepje honden. Een zwarte hond wordt losgelaten en rent onze kant op. “Net Rikkie”, zeg ik. “Inderdaad.” “Dat is net onze hond van vroeger”, zeg ik tegen de vrouw die hem schielijk terugfluit. “Het is niet erg, hij is leuk.”
We peuzelen een doosje rozijnen leeg en staan weer eens op. De energie is weer terug en daar gaan we weer. Nu nemen we een lastige route: een paadje naar beneden. Ik maan mijn moeder in de rem te knijpen en houd intussen haar arm vast. Alsof ik haar daaraan kan ophijsen als ze dreigt te vallen. Daar moeten we allebei hartelijk om lachen. Aan het eind van het pad helt de weg juist weer omhoog. Mijn moeder neemt een sprint en wil flink afzetten. Weer pak ik haar arm, nu om haar tegen te houden, want de naderende vrachtwagenchauffeur verwacht vast geen racerollator op zijn pad. Wanneer hij voorbij is, stappen we de weg over. De kracht is alweer op, de bankjes ook, dus besluiten we op huis aan te gaan.
We drinken wat en praten nog na. “Ik heb nog even geslapen”, vertelt mijn moeder. “En toen werd ik helemaal blij wakker: Ita komt zo!” Ik help haar niet uit de droom, beticht haar niet eens van voorspellende gaven. Het hoeft niet. Op dit moment geniet ze van de gedachte dat ze voorpret heeft gehad. “Zo jammer dat je dat soort dingen vaak vergeet”, zegt ze. “Daardoor mis je een boel plezier. Maar ik vind het erg gezellig dat je er bent.” Wanneer we afscheid nemen in de gang, zegt ze: “de groeten thuis!” Dat is de veilige weg, zodat ze niet hoeft te benoemen wie er bij mijn ‘thuis’ horen. “En een knuffel voor Rikkie!” We zwaaien tot we elkaar niet meer kunnen zien.
maandag 28 maart 2011
Zondag in de zon
Met een pot thee, bril en boek nestel ik me in de tuin. De zon schijnt en het is vrijwel windstil. In de besloten tuin is het heerlijk warm, deze vroege lentedag. Of het nu komt door het boek over ouderenzorg dat ik lees of de stilte van de zondag, maar ineens vind ik dat mijn moeder er gezellig bij moet zitten.
Vroeger betekende dat een telefoontje naar haar, “zin om langs te komen”, waarna ze in de auto zou stappen en even later bij mij in de tuin zou zitten. Al was de kans groot dat ze niet thuis was, want met zulke weer zat ze beslist op de fiets.
Nu kijk ik eerst naar de klok. Eén uur, dat betekent dat ik nog even moet wachten. Waarschijnlijk slaapt ze. Na een half uur waag ik het haar te bellen, maar niemand neemt op. Dat kan betekenen dat ze de deur uit is, maar het kan ook dat ze nog slaapt. Mijn moeder heeft geen moderniteiten als mobieltjes en telefoon naast haar bed. Dat maakt niet uit, ik neem gewoon de gok en stap in de auto. Wanneer ik aanbel, doet ze verrast open. “Dat jij weet waar ik ben!”, roept ze uit. Ik aarzel. “Eh, ik weet toch waar je woont”, probeer ik voorzichtig. “Natuurlijk. Dat was een grapje!” Ze heeft me even goed beet. Ze zit net aan de koffie. Ik sluit me daarbij aan en stel voor dat we het volgende kopje in mijn tuin drinken.
We pakken jas en tas, en de oude fotoboeken die ik even wil lenen en rijden naar mijn huis. “Hadden we dit afgesproken?”, vraagt mijn moeder. “Nee, ik had wel gebeld, maar er werd niet opgenomen. Ik nam aan dat je nog sliep.” “Ja, dat weet je dan wel. Of nee, dat weet je dan niet”, lacht ze. We praten, genieten van de strakblauwe lucht en de prachtige uitzichten die we onderweg hebben. “Ik zou toch niet zo willen wonen, in mijn eentje in zo’n afgelegen huis”, wijst mijn moeder naar een schattig huis midden in de weilanden. “Ik ook niet”, val ik haar bij.
Eenmaal in de tuin pak ik de fotoboeken erbij. Vakanties van ruim vijftig jaar geleden, studententijd, huwelijken van vrienden en familie. En dat van mijn ouders natuurlijk. En op veel foto’s mijn opa en oma. Mijn moeder geniet. En dankzij de zomertijd geniet ze een uur langer, want haar ingebouwde klok begint nu pas om half vijf te zoemen. Een kwartier eerder voorspelde ik het al tegen zoon. We drinken de koffie op en gingen weer op pad. Mijn moeder weet nog wel waar ze woont en weet ook dat ze niet naar haar flat moet, maar weet ik het wel, vraagt ze zich hardop af. Ja hoor, ik weet het. Gelukkig, want zelf zou ze niet meer weten hoe ze moet lopen. “Ik loop even mee”, zeg ik haar. En dat blijkt een goed idee, want op de deur hangt een briefje waar we de groep kunnen vinden. Ze zitten een film te kijken in het donker, op deze zonnige middag, maar ik vind het toch een leuk idee. Elke zondag doen ze iets bijzonders. Een advocaatje na de koffie, een leuke film, een mooi programma op tv, van alles om de zondag te vieren. Mijn moeder schuift er gezellig bij.
Als ik weer thuis kom, is het stil. Geen telefoontje meer om te melden dat ik weer veilig thuis ben. En geen antwoord dat het een erg gezellige middag was. Gelukkig heb ik zelf de herinnering nog. De herinnering aan een heerlijke, warme middag samen, rustig in de tuin met prachtige foto’s van voorbije tijden.
Vroeger betekende dat een telefoontje naar haar, “zin om langs te komen”, waarna ze in de auto zou stappen en even later bij mij in de tuin zou zitten. Al was de kans groot dat ze niet thuis was, want met zulke weer zat ze beslist op de fiets.
Nu kijk ik eerst naar de klok. Eén uur, dat betekent dat ik nog even moet wachten. Waarschijnlijk slaapt ze. Na een half uur waag ik het haar te bellen, maar niemand neemt op. Dat kan betekenen dat ze de deur uit is, maar het kan ook dat ze nog slaapt. Mijn moeder heeft geen moderniteiten als mobieltjes en telefoon naast haar bed. Dat maakt niet uit, ik neem gewoon de gok en stap in de auto. Wanneer ik aanbel, doet ze verrast open. “Dat jij weet waar ik ben!”, roept ze uit. Ik aarzel. “Eh, ik weet toch waar je woont”, probeer ik voorzichtig. “Natuurlijk. Dat was een grapje!” Ze heeft me even goed beet. Ze zit net aan de koffie. Ik sluit me daarbij aan en stel voor dat we het volgende kopje in mijn tuin drinken.
We pakken jas en tas, en de oude fotoboeken die ik even wil lenen en rijden naar mijn huis. “Hadden we dit afgesproken?”, vraagt mijn moeder. “Nee, ik had wel gebeld, maar er werd niet opgenomen. Ik nam aan dat je nog sliep.” “Ja, dat weet je dan wel. Of nee, dat weet je dan niet”, lacht ze. We praten, genieten van de strakblauwe lucht en de prachtige uitzichten die we onderweg hebben. “Ik zou toch niet zo willen wonen, in mijn eentje in zo’n afgelegen huis”, wijst mijn moeder naar een schattig huis midden in de weilanden. “Ik ook niet”, val ik haar bij.
Eenmaal in de tuin pak ik de fotoboeken erbij. Vakanties van ruim vijftig jaar geleden, studententijd, huwelijken van vrienden en familie. En dat van mijn ouders natuurlijk. En op veel foto’s mijn opa en oma. Mijn moeder geniet. En dankzij de zomertijd geniet ze een uur langer, want haar ingebouwde klok begint nu pas om half vijf te zoemen. Een kwartier eerder voorspelde ik het al tegen zoon. We drinken de koffie op en gingen weer op pad. Mijn moeder weet nog wel waar ze woont en weet ook dat ze niet naar haar flat moet, maar weet ik het wel, vraagt ze zich hardop af. Ja hoor, ik weet het. Gelukkig, want zelf zou ze niet meer weten hoe ze moet lopen. “Ik loop even mee”, zeg ik haar. En dat blijkt een goed idee, want op de deur hangt een briefje waar we de groep kunnen vinden. Ze zitten een film te kijken in het donker, op deze zonnige middag, maar ik vind het toch een leuk idee. Elke zondag doen ze iets bijzonders. Een advocaatje na de koffie, een leuke film, een mooi programma op tv, van alles om de zondag te vieren. Mijn moeder schuift er gezellig bij.
Als ik weer thuis kom, is het stil. Geen telefoontje meer om te melden dat ik weer veilig thuis ben. En geen antwoord dat het een erg gezellige middag was. Gelukkig heb ik zelf de herinnering nog. De herinnering aan een heerlijke, warme middag samen, rustig in de tuin met prachtige foto’s van voorbije tijden.
donderdag 24 maart 2011
In de glooooriiiiaaaa
Verjaardagen bijhouden is niet mijn sterkste kant. Zelfs niet met een levensgrote verjaarskalender op de wc. Ik til er zelf maar niet meer al te hard aan en troost me met de gedachte dat de meeste mensen mijn verjaardag ook vergeten. Of misschien vergeten ze die omdat ik die van hen.... nou ja, het geeft niet.
Maar tussen de namen van mijn vrienden staan die van mijn moeders familie en vrienden. Sommigen heb ik zelf nog nooit gezien. Toch probeer ik die verjaardagen goed in degaten te houden. Ook dat lukt natuurlijk niet vlekkeloos, meestal realiseer ik me op de dag zelf pas dat ze jarig zijn. Maar dan volgt er actie. Ik plan een telefoongesprek met mijn moeder. Haar dagritme zit strak in elkaar. Leve de structuurbehoefte van mijn moeder! Daardoor weet ik hoe laat ik haar kan bereiken op haar eigen nummer. Vervolgens bel ik om te melden dat er wederom een jarige is. Zij pakt haar telefoonklapper en belt de jarige vrolijk op om te feliciteren. Gevolg: contact wordt onderhouden en als mijn moeder zelf jarig is, krijgt ze van overal nog kaartjes en telefoontjes.
Ineens valt mijn oog op de kalender: Paula is jarig! He nee, ik had nog een kaart willen sturen. Dat lukt niet meer, maar ik kan nog wel even mijn moeder inseinen. Die blijkt al in bed te liggen. “Het is maar goed dat ik bel”, lach ik, “om dit uur al in bed liggen is te erg, dat kan niet.” Mijn moeder lacht vrolijk mee. Nee, het is wat overdreven, vindt ze zelf ook. Maar ja, ze ligt zo graag in bed. Een half uur lang praten we over van alles. Zeven keer uitgebreid over hoe het met haar kleinzoon gaat en dan vraagt ze ineens, glashelder, of John, kleinzoons vader, iets bijdraagt aan de kosten van de studie.
Gelukkig kan ik twee dingen tegelijk. Terwijl ik van mijn stoel rol van verbazing - mijn moeder weet zijn naam nog en bedenkt ineens iets over kosten van levensonderhoud - geef ik heel gewoon antwoord.
Voor ik ophang meld ik dat Paula jarig is en dat mijn moeder haar best nog even kan bellen. “In het laatje ligt je adresboek”. Laatje? Adresboek? “Nou, dat doe ik nu maar niet meer. Morgen kan ook nog wel.” Vreemd klinkt het niet, maar wel voor mijn moeder. Die belt liever drie keer om je te feliciteren of te bedanken, dan dat ze het één keer vergeet. De opdracht is te ingewikkeld. Een paar maanden geleden zou ze direct het laatje ingedoken zijn. Nu klinkt het als een verborgen schat.
“Weet je”, zeg ik. “Paula kennende kan het best zo zijn dat ze binnenkort met taartjes op de stoep staat en zegt: ik ben jarig geweest. We gaan het vieren!” “Precies”, vindt mijn moeder. “Dat is echt Paula.” Ik zou het niet weten, ik heb haar maar één keer ontmoet, bij een begrafenis. Maar ik neem me wel voor binnenkort een kadootje te kopen. Namens mijn moeder, voor Paula. Want al zie ik Paula dan nooit, uit de map weet ik dat ze regelmatig komt.
Maar tussen de namen van mijn vrienden staan die van mijn moeders familie en vrienden. Sommigen heb ik zelf nog nooit gezien. Toch probeer ik die verjaardagen goed in degaten te houden. Ook dat lukt natuurlijk niet vlekkeloos, meestal realiseer ik me op de dag zelf pas dat ze jarig zijn. Maar dan volgt er actie. Ik plan een telefoongesprek met mijn moeder. Haar dagritme zit strak in elkaar. Leve de structuurbehoefte van mijn moeder! Daardoor weet ik hoe laat ik haar kan bereiken op haar eigen nummer. Vervolgens bel ik om te melden dat er wederom een jarige is. Zij pakt haar telefoonklapper en belt de jarige vrolijk op om te feliciteren. Gevolg: contact wordt onderhouden en als mijn moeder zelf jarig is, krijgt ze van overal nog kaartjes en telefoontjes.
Ineens valt mijn oog op de kalender: Paula is jarig! He nee, ik had nog een kaart willen sturen. Dat lukt niet meer, maar ik kan nog wel even mijn moeder inseinen. Die blijkt al in bed te liggen. “Het is maar goed dat ik bel”, lach ik, “om dit uur al in bed liggen is te erg, dat kan niet.” Mijn moeder lacht vrolijk mee. Nee, het is wat overdreven, vindt ze zelf ook. Maar ja, ze ligt zo graag in bed. Een half uur lang praten we over van alles. Zeven keer uitgebreid over hoe het met haar kleinzoon gaat en dan vraagt ze ineens, glashelder, of John, kleinzoons vader, iets bijdraagt aan de kosten van de studie.
Gelukkig kan ik twee dingen tegelijk. Terwijl ik van mijn stoel rol van verbazing - mijn moeder weet zijn naam nog en bedenkt ineens iets over kosten van levensonderhoud - geef ik heel gewoon antwoord.
Voor ik ophang meld ik dat Paula jarig is en dat mijn moeder haar best nog even kan bellen. “In het laatje ligt je adresboek”. Laatje? Adresboek? “Nou, dat doe ik nu maar niet meer. Morgen kan ook nog wel.” Vreemd klinkt het niet, maar wel voor mijn moeder. Die belt liever drie keer om je te feliciteren of te bedanken, dan dat ze het één keer vergeet. De opdracht is te ingewikkeld. Een paar maanden geleden zou ze direct het laatje ingedoken zijn. Nu klinkt het als een verborgen schat.
“Weet je”, zeg ik. “Paula kennende kan het best zo zijn dat ze binnenkort met taartjes op de stoep staat en zegt: ik ben jarig geweest. We gaan het vieren!” “Precies”, vindt mijn moeder. “Dat is echt Paula.” Ik zou het niet weten, ik heb haar maar één keer ontmoet, bij een begrafenis. Maar ik neem me wel voor binnenkort een kadootje te kopen. Namens mijn moeder, voor Paula. Want al zie ik Paula dan nooit, uit de map weet ik dat ze regelmatig komt.
dinsdag 15 maart 2011
Alle dagen vla
Het duo aan de andere tafel is druk in gesprek. Hij klaagt, zij luistert. Uiteindelijk wordt me duidelijk waarom ze hier zijn: hun moeder zit in een van de kamers, in gesprek met de arts of verpleegkundige en zij, de volwassen kinderen, moeten wachten. Het is hun eerste bezoek aan de polikliniek geriatrie. Vooral de dochter hoopt op een heldere diagnose. Dan wordt het makkelijker om te begrijpen waarom moeder zo veranderd is, verwacht ze. Even later neemt tegenover me een ander tweetal plaats. Vader en dochter, schat ik zo in. Wat betekent dat zijn vrouw, haar moeder, nog ergens in gesprek is. Niemand kijkt op van mijn aanwezigheid als eenling. Behalve de arts, die even later de wachtkamer binnenstapt. Ze zoekt mijn moeder, maar die heb ik laten slapen.
Dat vertelt mijn moeder ook, wanneer ik even later bij haar langs ga. “Ik heb net heerlijk geslapen.” Logisch, dat doet ze al sinds jaar en dag even na het middageten. Om jaloers op te worden: ze ligt en slaapt. En na een half uur is ze helemaal verfrist. Wanneer ik binnenzeil, zit er een vrouw tegenover mijn moeder. Met lange lappen papier. Zij noemt een lijstje dingen, mijn moeder kiest er iets uit, de vrouw kruist het aan. Zo vullen ze samen het menu van de volgende week in. Vrijwel elke dag kiest mijn moeder aardappelpuree. “Hoho”, probeer ik even. “Kauwen is goed voor je hersens, weet ik.” “Je bedoelt dat ik aardappelen moet nemen in plaats van puree? Nou, daar zal ik dan eens over nadenken, maar doe nu maar puree.” “Ja zeg”, werp ik nog even tegen, “als je nu dus aardappelen neemt, kun je er beter over nadenken.” Het helpt weinig. Wel ontstaat er een nieuw voornemen: bij elk bezoek een appel meenemen, of ander knaagfruit, zodat we samen onze tanden ergens in kunnen zetten. Want het is waar, mijn moeder kiest overwegend eten dat op de tong smelt en salades komen niet voorbij in het menu. Wel is er de mogelijkheid om fruit toe te eten, maar mijn moeder heeft één grote favoriet: vanillevla. Hoewel, na een tijdje kiest ze één keer chocoladevla. “Dat vind ik minder lekker, maar het is goed voor de afwisseling.”
Wanneer de vrouw met de lijsten weg is, schenk ik een sapje in. Ieder een glas. Het is onverwacht warm en het koele sap is daarom meer dan welkom. Ik vertel over mijn bezoek aan de arts een uur geleden. Alle aspecten komen voorbij, zoals de medicijnen die afgebouwd gaan worden. Maar ook vertel ik hoe dementie het loopvermogen aantast en dat dat volgens de arts bij mijn moeder het geval kan zijn. “Lopen en evenwicht bewaren zijn ingewikkelde processen in je hersenen. Dementie tast je hersenen aan. Dat zie je eerst aan je geheugen, maar uiteindelijk ook aan dit soort ingewikkelde zaken. Daarom loop je moeilijker.” Mijn moeder knikt begrijpend, maar ik laat toch nog maar even zien wat er veranderd is. De eerste passen gaan nog wel, maar na een tijdje verdwijnt de fiere, rechte houding en helt mijn moeder voorover. Onlangs verzuchtte ze ook: “ik loop niet, ik val naar voren.” Toen ik haar rechtop zette, liep ze weer gewoon. Een klein stukje.
Hopelijk helpt de rollator bij de goede loophouding. In elk geval geeft het steun en minder kans om te vallen. Vervolgens moeten er rondjes gelopen worden. Iets wat nog maar kortgeleden uit het dagelijks patroon verdwenen lijkt. Geen nood. Dat kan met hulp ook weer teruggebracht worden. “Want bewegen is juist goed”, zei de arts. En die boodschap breng ik graag over.
“Triest is het”, zeg ik tegen mijn moeder. “Eigenlijk heb je alles gedaan waarvan men zegt dat het goed is, voldoende bewegen...”. “O ja, ik fietste elke dag. Dat gaat helaas niet meer.” “Klopt. En wandelen, deed je ook.” “Dat doe ik nog.” “Je at altijd gezond en toch heb je dementie gekregen.”
“Familiegenen, he”, vindt ze. “Het kon haast niet anders. Opa, mijn tante en nu ik. Ik merk wel dat ik dingen niet meer zo goed kan, maar ik wind me er maar niet over op. Wil jij nog wat sap?”
Dat vertelt mijn moeder ook, wanneer ik even later bij haar langs ga. “Ik heb net heerlijk geslapen.” Logisch, dat doet ze al sinds jaar en dag even na het middageten. Om jaloers op te worden: ze ligt en slaapt. En na een half uur is ze helemaal verfrist. Wanneer ik binnenzeil, zit er een vrouw tegenover mijn moeder. Met lange lappen papier. Zij noemt een lijstje dingen, mijn moeder kiest er iets uit, de vrouw kruist het aan. Zo vullen ze samen het menu van de volgende week in. Vrijwel elke dag kiest mijn moeder aardappelpuree. “Hoho”, probeer ik even. “Kauwen is goed voor je hersens, weet ik.” “Je bedoelt dat ik aardappelen moet nemen in plaats van puree? Nou, daar zal ik dan eens over nadenken, maar doe nu maar puree.” “Ja zeg”, werp ik nog even tegen, “als je nu dus aardappelen neemt, kun je er beter over nadenken.” Het helpt weinig. Wel ontstaat er een nieuw voornemen: bij elk bezoek een appel meenemen, of ander knaagfruit, zodat we samen onze tanden ergens in kunnen zetten. Want het is waar, mijn moeder kiest overwegend eten dat op de tong smelt en salades komen niet voorbij in het menu. Wel is er de mogelijkheid om fruit toe te eten, maar mijn moeder heeft één grote favoriet: vanillevla. Hoewel, na een tijdje kiest ze één keer chocoladevla. “Dat vind ik minder lekker, maar het is goed voor de afwisseling.”
Wanneer de vrouw met de lijsten weg is, schenk ik een sapje in. Ieder een glas. Het is onverwacht warm en het koele sap is daarom meer dan welkom. Ik vertel over mijn bezoek aan de arts een uur geleden. Alle aspecten komen voorbij, zoals de medicijnen die afgebouwd gaan worden. Maar ook vertel ik hoe dementie het loopvermogen aantast en dat dat volgens de arts bij mijn moeder het geval kan zijn. “Lopen en evenwicht bewaren zijn ingewikkelde processen in je hersenen. Dementie tast je hersenen aan. Dat zie je eerst aan je geheugen, maar uiteindelijk ook aan dit soort ingewikkelde zaken. Daarom loop je moeilijker.” Mijn moeder knikt begrijpend, maar ik laat toch nog maar even zien wat er veranderd is. De eerste passen gaan nog wel, maar na een tijdje verdwijnt de fiere, rechte houding en helt mijn moeder voorover. Onlangs verzuchtte ze ook: “ik loop niet, ik val naar voren.” Toen ik haar rechtop zette, liep ze weer gewoon. Een klein stukje.
Hopelijk helpt de rollator bij de goede loophouding. In elk geval geeft het steun en minder kans om te vallen. Vervolgens moeten er rondjes gelopen worden. Iets wat nog maar kortgeleden uit het dagelijks patroon verdwenen lijkt. Geen nood. Dat kan met hulp ook weer teruggebracht worden. “Want bewegen is juist goed”, zei de arts. En die boodschap breng ik graag over.
“Triest is het”, zeg ik tegen mijn moeder. “Eigenlijk heb je alles gedaan waarvan men zegt dat het goed is, voldoende bewegen...”. “O ja, ik fietste elke dag. Dat gaat helaas niet meer.” “Klopt. En wandelen, deed je ook.” “Dat doe ik nog.” “Je at altijd gezond en toch heb je dementie gekregen.”
“Familiegenen, he”, vindt ze. “Het kon haast niet anders. Opa, mijn tante en nu ik. Ik merk wel dat ik dingen niet meer zo goed kan, maar ik wind me er maar niet over op. Wil jij nog wat sap?”
Labels:
contact,
gezondheid,
hulpmiddelen,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning
zondag 13 maart 2011
Twee benen zag Heleen
Twee benen, dat was alles wat ze zag toen ze binnenkwam, vertelt Heleen. Haar hart stond stil, maar toen ze om de hoek kwam, keken mijn moeders ogen haar verbijsterd aan. Hulp kwam snel en na een kort onderzoek van heupen, ledematen, rug en hoofd, werd mijn moeder voorzichtig overeind geholpen. Intussen was ik nietsvermoedend op weg naar Denemarken. Toen ik een paar dagen later bij thuiskomst hoorde over de val, belde ik meteen mijn moeder. Gevallen? Daar wist ze niets van. Maar moe, dat was ze wel. Ik trof haar nog net voordat ze om half negen haar bed in kroop, vertelde ze.
Werk moet maar even wachten. De volgende dag staat grotendeels in het teken van mijn moeder. Overleg met Heleen, overleg met de verzorging en een lang bezoek aan mijn moeder zelf, die vooral geniet, maar zichtbaar minder kan dan een paar maanden geleden. Ik zet koffie en pak koekjes. Zij zit in mijn stoel, zodat ze armleuningen heeft. Ik zit op haar plaats op de bank. Gek genoeg verlopen de gesprekken daardoor ook anders.
“Wil je nog een koekje?”, vraagt mijn moeder bij het tweede kopje koffie. “Nee, dank je. Of is het een hint? Wil je zelf nog?” “Willen wel, maar ik doe het niet”, antwoordt ze. “Ik word hier zo goed verzorgd, ik doe geen klap. Straks groei ik nog dicht.” Verbaasd kijk ik haar aan. Ze heeft namelijk volkomen gelijk. Al sinds haar aankomst in het huis hebben we haar garderobe een paar keer moeten aanpassen. Ieder seizoen heeft ze nieuwe broeken nodig. Bij ons bezoek aan het ziekenhuis werd ze gewogen. “66 kilo”, noteerde de arts. “Iet, hoor je dat?? Zes-en-zestig kilo”, riep ze verschrikt vanaf de weegschaal. Die schrik werkt zeker nog door.
De schrik van het vallen is ze echter helemaal kwijt. Reconstruerend kwamen we tot de conclusie dat ze er nog maar net gelegen moet hebben, zich amper beseffend wat er gebeurd was. Het voordeel is dat het daardoor niet beklijft. Grote schrik en angstige situaties blijven ook in een dementerend brein lange tijd aanwezig. Het nadeel is dat ze daardoor moeilijk te bewegen is om nu eindelijk de rollator of de wandelstok mee te nemen als ze op pad gaat.
Intussen praten we rustig door. We hebben alle tijd deze middag. “Het is wel vreemd”, zegt mijn moeder. “Wat is vreemd?” “Alles, eigenlijk. Maar dat is ook niet zo gek”, vindt ze zelf. Aanvullen hoeft niet. Ze woont er immers nog maar net, ze moet nog wennen. De drie jaar dat ze nu in deze flat woont, voelen voor haar als drie weken. En wie voelt zich na drie weken nu helemaal thuis en vertrouwd in een totaal nieuwe omgeving? Zij in elk geval niet.
“Vind jij dat wij een goed contact hebben?”, vraagt ze ineens heel rechtstreeks. “Ja, absoluut”, flap ik eruit. “Dat is fijn. Dat vind ik namelijk ook, maar dat wil nog niet zeggen dat jij het ook zo ervaart”, antwoordt ze. Natuurlijk is het veranderd, dat snapt mijn moeder ook. Waar ik vroeger op haar leunde met vragen en zorgen, doet zij dat nu bij mij, al wil ze zeker geen last zijn. “Is het voor jou een moeten om naar mij toe te gaan?”, wil ze weten. Wat een indringende vragen deze middag. Eerlijk antwoord ik dat het soms moeilijk is, omdat ik er tijd en ruimte voor moet maken. Maar nee, als moeten wil ik het niet ervaren. En ik leg haar uit hoe ik ‘moeten’ heb omgedraaid tot ‘willen’. “Ik moest een keer naar je toe om boodschappen voor je te doen. En dat was maar één ding op mijn lijst van ‘moeten’ die dag. Een drukke dag dus. Maar toen besefte ik, naar aanleiding van een stuk dat ik gelezen had, dat ik dat moest omdat ik wil dat het goed met jou gaat. Ik wil dat jij goed verzorgd bent, en dus moeten er boodschappen komen”, vertel ik. “Dat scheelt”, weet mijn moeder. “Als je het doet omdat je het wilt, wordt de last veel lichter.” “Precies. Dus nee, ik moet niet komen, ik wil naar je toe komen, omdat ik weet dat het fijn voor je is. En ik wil graag dat het goed met je gaat.”
Ineens slaat het om. Ze kijkt op haar horloge en de onrust begint. Ik weet het inmiddels. Elke middag om half vier, zelfs zonder horloge zou ze de tijd voelen, gaat de knop om. Dan maakt ze zich op om naar de groep te gaan. Eerder heette die groep nog ‘cursus’, tegenwoordig noemt ze het ‘eten’. We stappen op, pakken jassen, tassen en sleutels. “En de rollator, mam. Omdat je de laatste tijd wankel op je benen staat, hebben we afgesproken dat je de rollator meeneemt als je de deur uitgaat.” Zonder morren pakt ze het karretje en rolt het de deur uit. Ik parkeer mijn tas in het mandje en samen lopen we de lange gang uit naar de lift.
Werk moet maar even wachten. De volgende dag staat grotendeels in het teken van mijn moeder. Overleg met Heleen, overleg met de verzorging en een lang bezoek aan mijn moeder zelf, die vooral geniet, maar zichtbaar minder kan dan een paar maanden geleden. Ik zet koffie en pak koekjes. Zij zit in mijn stoel, zodat ze armleuningen heeft. Ik zit op haar plaats op de bank. Gek genoeg verlopen de gesprekken daardoor ook anders.
“Wil je nog een koekje?”, vraagt mijn moeder bij het tweede kopje koffie. “Nee, dank je. Of is het een hint? Wil je zelf nog?” “Willen wel, maar ik doe het niet”, antwoordt ze. “Ik word hier zo goed verzorgd, ik doe geen klap. Straks groei ik nog dicht.” Verbaasd kijk ik haar aan. Ze heeft namelijk volkomen gelijk. Al sinds haar aankomst in het huis hebben we haar garderobe een paar keer moeten aanpassen. Ieder seizoen heeft ze nieuwe broeken nodig. Bij ons bezoek aan het ziekenhuis werd ze gewogen. “66 kilo”, noteerde de arts. “Iet, hoor je dat?? Zes-en-zestig kilo”, riep ze verschrikt vanaf de weegschaal. Die schrik werkt zeker nog door.
De schrik van het vallen is ze echter helemaal kwijt. Reconstruerend kwamen we tot de conclusie dat ze er nog maar net gelegen moet hebben, zich amper beseffend wat er gebeurd was. Het voordeel is dat het daardoor niet beklijft. Grote schrik en angstige situaties blijven ook in een dementerend brein lange tijd aanwezig. Het nadeel is dat ze daardoor moeilijk te bewegen is om nu eindelijk de rollator of de wandelstok mee te nemen als ze op pad gaat.
Intussen praten we rustig door. We hebben alle tijd deze middag. “Het is wel vreemd”, zegt mijn moeder. “Wat is vreemd?” “Alles, eigenlijk. Maar dat is ook niet zo gek”, vindt ze zelf. Aanvullen hoeft niet. Ze woont er immers nog maar net, ze moet nog wennen. De drie jaar dat ze nu in deze flat woont, voelen voor haar als drie weken. En wie voelt zich na drie weken nu helemaal thuis en vertrouwd in een totaal nieuwe omgeving? Zij in elk geval niet.
“Vind jij dat wij een goed contact hebben?”, vraagt ze ineens heel rechtstreeks. “Ja, absoluut”, flap ik eruit. “Dat is fijn. Dat vind ik namelijk ook, maar dat wil nog niet zeggen dat jij het ook zo ervaart”, antwoordt ze. Natuurlijk is het veranderd, dat snapt mijn moeder ook. Waar ik vroeger op haar leunde met vragen en zorgen, doet zij dat nu bij mij, al wil ze zeker geen last zijn. “Is het voor jou een moeten om naar mij toe te gaan?”, wil ze weten. Wat een indringende vragen deze middag. Eerlijk antwoord ik dat het soms moeilijk is, omdat ik er tijd en ruimte voor moet maken. Maar nee, als moeten wil ik het niet ervaren. En ik leg haar uit hoe ik ‘moeten’ heb omgedraaid tot ‘willen’. “Ik moest een keer naar je toe om boodschappen voor je te doen. En dat was maar één ding op mijn lijst van ‘moeten’ die dag. Een drukke dag dus. Maar toen besefte ik, naar aanleiding van een stuk dat ik gelezen had, dat ik dat moest omdat ik wil dat het goed met jou gaat. Ik wil dat jij goed verzorgd bent, en dus moeten er boodschappen komen”, vertel ik. “Dat scheelt”, weet mijn moeder. “Als je het doet omdat je het wilt, wordt de last veel lichter.” “Precies. Dus nee, ik moet niet komen, ik wil naar je toe komen, omdat ik weet dat het fijn voor je is. En ik wil graag dat het goed met je gaat.”
Ineens slaat het om. Ze kijkt op haar horloge en de onrust begint. Ik weet het inmiddels. Elke middag om half vier, zelfs zonder horloge zou ze de tijd voelen, gaat de knop om. Dan maakt ze zich op om naar de groep te gaan. Eerder heette die groep nog ‘cursus’, tegenwoordig noemt ze het ‘eten’. We stappen op, pakken jassen, tassen en sleutels. “En de rollator, mam. Omdat je de laatste tijd wankel op je benen staat, hebben we afgesproken dat je de rollator meeneemt als je de deur uitgaat.” Zonder morren pakt ze het karretje en rolt het de deur uit. Ik parkeer mijn tas in het mandje en samen lopen we de lange gang uit naar de lift.
Labels:
gezondheid,
huis,
hulpmiddelen,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning
Abonneren op:
Posts (Atom)