Zelden nog belt ze uit zichzelf, maar nu staat er echt MAM in het venster van mijn telefoon. Ik neem op, verwacht verwarring of een moeilijke vraag. “Morgen heb je het vast druk, dus ik bel nu alvast. Van harte gefeliciteerd!” Een half uur later belt ze weer. “Ik was abuis, geloof ik he? Een dag te vroeg.” “Nee hoor, je belde alvast voor morgen, zei je.” En zo herhaalt zich dat nog een paar keer.
De volgende ochtend echter gaat de telefoon voor dag en dauw. “Van harte gefeliciteerd!” “Zo, jij bent er vroeg bij.” “Ja, ik dacht: straks ben je vast op pad, dus ik bel maar vroeg.” Dat ik nu eigenlijk nog had willen slapen, vertel ik maar even niet. Het is ook niet nodig. Het mooiste cadeau heeft nooit een ‘maar’. En dit is, al sinds een paar jaar, het allermooiste cadeau dat ik kan krijgen, dat mijn moeder op deze dag weet dat ik jarig ben.
woensdag 28 juli 2010
dinsdag 20 juli 2010
Er is er één jarig
Afgelopen jaren was ik op deze dag vaak in het buitenland, maar nu ik gewoon nog aan het werk ben, besluit ik met een taartje naar mijn moeder te rijden. “Lekker, taart!”, reageert ze blij. “Kijk maar op de klok, dan snap je waarom”, antwoord ik. Twintig juli. Er verschijnt een frons op haar gezicht. “Ben jij jarig?”, vraagt ze met enige aarzeling. “Ik niet, Betty.” “Ja, dat is waar. Hoe oud zou ze nu geworden zijn?” “Achtenveertig.” Een week na haar negenendertigste verjaardag werd mijn zusje ziek, een paar weken later overleed ze.
Mijn moeder pakt de bordjes, ik snijd de taart aan. “Zullen we ieder een halve nemen”, stelt ze voor. Een kwart lijkt mij al ruim genoeg. Uiteindelijk vinden we ieder een zesde deel al voldoende. De rest blijft in de doos.
Met koffie en taart zitten we even later tegenover elkaar. “Lekker he?” “Nou!” “Proost dan maar! Op Betty!”, zeg ik. We heffen onze bordjes op. “Ja”, zegt mijn moeder, “lang zal ze leven!” “Nou ja, dat nou net niet!” "Nee, he?" Proestend beginnen we aan de aardbeienvlaai.
Mijn moeder pakt de bordjes, ik snijd de taart aan. “Zullen we ieder een halve nemen”, stelt ze voor. Een kwart lijkt mij al ruim genoeg. Uiteindelijk vinden we ieder een zesde deel al voldoende. De rest blijft in de doos.
Met koffie en taart zitten we even later tegenover elkaar. “Lekker he?” “Nou!” “Proost dan maar! Op Betty!”, zeg ik. We heffen onze bordjes op. “Ja”, zegt mijn moeder, “lang zal ze leven!” “Nou ja, dat nou net niet!” "Nee, he?" Proestend beginnen we aan de aardbeienvlaai.
woensdag 14 juli 2010
De barbecue
Sinds mijn moeder in het verzorgingshuis woont, heeft ze een helder dagritme met vaste koffie- en etenstijden. Ik zou er van gruwen, maar mijn moeder vaart er wel bij. Sterker nog: die had ze vroeger ook altijd al. Mijn moeder houdt van de klok, ze heeft er dan ook minstens drie in haar kamer staan, plus een wekker en natuurlijk een horloge.
Dat nieuwe ritme is er dan ook al snel ingesleten. Wanneer ik haar eens aan de telefoon heb, wordt er aan haar deur gebeld. “Gaat u mee naar beneden, koffie drinken?”, vraagt een vriendelijke stem. “Dat vragen ze anders nooit hoor”, verklapt mijn moeder mij. Dat verbaast me niets. Uit de verhalen weet ik dat mijn moeder al voor koffietijd keurig zit te wachten bij de koffiekamer. Want aan te laat komen heeft ze een hekel. De vriendelijke stem staat dus dagelijks voor niets aan de deur.
Omdat ik weet dat ze al vroeg op pad gaat, bel ik haar net na het ontbijt. Net na háár ontbijt, het mijne is vandaag wat later. Vrolijk neemt ze op. “Warm is het he?”, zegt ze. “Ja, hier ook. Is het een beetje uit te houden daar?”, vraag ik. “Gelukkig heb ik de zon pas laat”, weet ze. “Maar als het me te erg word, ga ik even op de gang lopen. Die is koeler, daar zitten bijna geen ramen in.” Zo babbelen we verder, over alledaagse dingen. Dit keer heb ik ook een gerichte vraag. “Ik heb post gekregen, of je mee wil doen aan een landendag en aan een barbecue.” “O, wat raar dat ze dat naar jou sturen. Ik heb niets gehad!” “Dat is omdat ik het moet betalen”, reageer ik snel. “Dus wil ik even weten of je wil gaan.” “Wat is het dan? Wat doen ze daar?” De vorige landendagen zijn alweer weggezakt. In plaats van zomaar wat muziek, wordt er een hele dag rondom een thema verzorgd. Met dans, muziek, een modeshow en eten uit het land waar het om gaat. Een uitje in eigen huis voor de bewoners. Voorgaande keren heeft mijn moeder ervan genoten, dus neem ik aan dat ze dit keer ook zal willen. “De rest van de groep gaat ook, weet ik van de vorige keer.” “O. En wanneer is dat dan?” Na wat geharrewar over data roer ik toch ook de barbecue maar aan. De laatste barbecue met haar die ik me herinner is alweer jaren geleden. De verjaardag van haar man, bowlen met barbecue toe. Als een ware wachter stond ik naast haar bij de doe-het-zelf-grillplaat, want haar gevoel voor tijd was ze toen al kwijt. Uit angst voor aangebrand vlees gaf ze het niet eens de kans om warm te worden.
Maar bij deze barbecue hoeft ze zelf niet aan de slag. Hier staan koks achter het rooster en is het haar taak om de hapjes samen met alle andere bewoners gezellig weg te werken. “De barbecue is eind augustus.” Maar haar aandacht is allang verslapt. “Hoe is het met de mannen?” vraagt ze me. “Goed hoor, ook warm natuurlijk.” “Ja, het is erg warm he. Hier ook. Bij jou ook?” Ze voelt zich weer op vertrouwd terrein en babbelt vrolijk verder. Over die barbecue heb ik het maar niet meer. Ik meld haar wel aan, als de rest van haar groep ook gaat tenminste.
Dat nieuwe ritme is er dan ook al snel ingesleten. Wanneer ik haar eens aan de telefoon heb, wordt er aan haar deur gebeld. “Gaat u mee naar beneden, koffie drinken?”, vraagt een vriendelijke stem. “Dat vragen ze anders nooit hoor”, verklapt mijn moeder mij. Dat verbaast me niets. Uit de verhalen weet ik dat mijn moeder al voor koffietijd keurig zit te wachten bij de koffiekamer. Want aan te laat komen heeft ze een hekel. De vriendelijke stem staat dus dagelijks voor niets aan de deur.
Omdat ik weet dat ze al vroeg op pad gaat, bel ik haar net na het ontbijt. Net na háár ontbijt, het mijne is vandaag wat later. Vrolijk neemt ze op. “Warm is het he?”, zegt ze. “Ja, hier ook. Is het een beetje uit te houden daar?”, vraag ik. “Gelukkig heb ik de zon pas laat”, weet ze. “Maar als het me te erg word, ga ik even op de gang lopen. Die is koeler, daar zitten bijna geen ramen in.” Zo babbelen we verder, over alledaagse dingen. Dit keer heb ik ook een gerichte vraag. “Ik heb post gekregen, of je mee wil doen aan een landendag en aan een barbecue.” “O, wat raar dat ze dat naar jou sturen. Ik heb niets gehad!” “Dat is omdat ik het moet betalen”, reageer ik snel. “Dus wil ik even weten of je wil gaan.” “Wat is het dan? Wat doen ze daar?” De vorige landendagen zijn alweer weggezakt. In plaats van zomaar wat muziek, wordt er een hele dag rondom een thema verzorgd. Met dans, muziek, een modeshow en eten uit het land waar het om gaat. Een uitje in eigen huis voor de bewoners. Voorgaande keren heeft mijn moeder ervan genoten, dus neem ik aan dat ze dit keer ook zal willen. “De rest van de groep gaat ook, weet ik van de vorige keer.” “O. En wanneer is dat dan?” Na wat geharrewar over data roer ik toch ook de barbecue maar aan. De laatste barbecue met haar die ik me herinner is alweer jaren geleden. De verjaardag van haar man, bowlen met barbecue toe. Als een ware wachter stond ik naast haar bij de doe-het-zelf-grillplaat, want haar gevoel voor tijd was ze toen al kwijt. Uit angst voor aangebrand vlees gaf ze het niet eens de kans om warm te worden.
Maar bij deze barbecue hoeft ze zelf niet aan de slag. Hier staan koks achter het rooster en is het haar taak om de hapjes samen met alle andere bewoners gezellig weg te werken. “De barbecue is eind augustus.” Maar haar aandacht is allang verslapt. “Hoe is het met de mannen?” vraagt ze me. “Goed hoor, ook warm natuurlijk.” “Ja, het is erg warm he. Hier ook. Bij jou ook?” Ze voelt zich weer op vertrouwd terrein en babbelt vrolijk verder. Over die barbecue heb ik het maar niet meer. Ik meld haar wel aan, als de rest van haar groep ook gaat tenminste.
dinsdag 6 juli 2010
Op tafel ligt steevast een stapeltje
Op tafel ligt steevast een stapeltje. De krant ligt bovenop, in de stapel eronder ligt ergens de televisiegids, een boek met mandala’s, het activiteitenblaadje van het huis, een paar nummers van Volzin en soms ook een leesboek. Het is het stapeltje dat vroeger, toen leven nog een drukke activiteit was, op het kleine tafeltje onder de leeslamp lag, naast mijn moeders vaste plaats op de bank. Dezelfde bank waar ze nu nog op zit.
Wanneer ik op bezoek kom, blader ik soms door de stapel, plus door de stapels die op de eettafel verzameld zijn. Wanneer je geen idee meer hebt van dagen, maanden en jaartallen, gooi je geen oud-papier weg. Want hoe kun je weten of het oud is? Mijn moeder vertelde tot mijn verbazing altijd dat ze niet zo netjes was, slordig vond ze zichzelf. Ik kende ons huis vroeger en haar huis in later jaren alleen als een toonbeeld van nette gezelligheid. Bloemetjes op tafel, waxinelichtjes in lieve glaasjes en natuurlijk een stapel actueel leesvoer. Eén stapel, meer niet.
Stiekem lijkt haar ware aard zich nu meer te vertonen in alle stapels die ze heeft. En hoewel ik die eigenschap zonder verhullende factor geërfd heb, ruim ik bij haar die stapels op. Het leidt ook tot vragen en voorzichtig stel ik die. Dat ze de krant leest, weet ik zeker. Ook mijn opa, toen al wonend in het verpleeghuis, las nog dagelijks de krant. Maar al die tijdschriften en vooral die leesboeken? Wat doet ze daar mee? “Lees je nog veel?”, vraag ik daarom. “Ja hoor”, antwoordt ze. “Maar is het dan niet lastig om de draad vast te houden?” “Ja, dat natuurlijk wel. Vraag me ook niet wat ik gelezen heb, dat kan ik je niet meer vertellen. Maar het plezier van het lezen blijft hetzelfde, ook als je het verhaal niet kunt onthouden.” Ze pakt een boekje uit de stapel, van Yvonne Kronenberg, waar ze altijd hartelijk om moest lachen. Deze ken ik nog niet. “Hier, dit is een leuk boek. Wil je het lenen?”
Terwijl ik het in mijn tas laat glijden, knijpt mijn keel zich even dicht. Dat mijn belezen moeder mij nog eens een boek aan zou prijzen, dat had ik nooit meer verwacht.
Wanneer ik op bezoek kom, blader ik soms door de stapel, plus door de stapels die op de eettafel verzameld zijn. Wanneer je geen idee meer hebt van dagen, maanden en jaartallen, gooi je geen oud-papier weg. Want hoe kun je weten of het oud is? Mijn moeder vertelde tot mijn verbazing altijd dat ze niet zo netjes was, slordig vond ze zichzelf. Ik kende ons huis vroeger en haar huis in later jaren alleen als een toonbeeld van nette gezelligheid. Bloemetjes op tafel, waxinelichtjes in lieve glaasjes en natuurlijk een stapel actueel leesvoer. Eén stapel, meer niet.
Stiekem lijkt haar ware aard zich nu meer te vertonen in alle stapels die ze heeft. En hoewel ik die eigenschap zonder verhullende factor geërfd heb, ruim ik bij haar die stapels op. Het leidt ook tot vragen en voorzichtig stel ik die. Dat ze de krant leest, weet ik zeker. Ook mijn opa, toen al wonend in het verpleeghuis, las nog dagelijks de krant. Maar al die tijdschriften en vooral die leesboeken? Wat doet ze daar mee? “Lees je nog veel?”, vraag ik daarom. “Ja hoor”, antwoordt ze. “Maar is het dan niet lastig om de draad vast te houden?” “Ja, dat natuurlijk wel. Vraag me ook niet wat ik gelezen heb, dat kan ik je niet meer vertellen. Maar het plezier van het lezen blijft hetzelfde, ook als je het verhaal niet kunt onthouden.” Ze pakt een boekje uit de stapel, van Yvonne Kronenberg, waar ze altijd hartelijk om moest lachen. Deze ken ik nog niet. “Hier, dit is een leuk boek. Wil je het lenen?”
Terwijl ik het in mijn tas laat glijden, knijpt mijn keel zich even dicht. Dat mijn belezen moeder mij nog eens een boek aan zou prijzen, dat had ik nooit meer verwacht.
woensdag 30 juni 2010
Eigenlijk doe ik het niet meer
Eigenlijk doe ik het niet meer, van tevoren vertellen dat ik op bezoek kom. Nog niet zo lang geleden leidde dat namelijk tot een stroom telefoontjes: Wanneer kom je ook alweer? Wat hebben nu precies afgesproken? Ik zit hier te wachten, wanneer kom je nu? O, morgen pas? Voor mij waren de telefoontjes soms hooguit lastig (net op de wc, gaat ie weer, toch maar snel opnemen want je kan vanaf de wc niet zien wie er belt), maar voor mijn moeder betekende het vooral uiting geven aan een enorme onrust die in haar woedde.
En dus bel ik hooguit als ik al op het punt sta van huis te vertrekken. Maar vaak, dankzij de mobieltjes, ook pas als ik al op de parkeerplaats sta. “Ben je thuis? Heb je toevallig zin in koffiebezoek?” “O, gezellig!”. “Ik ben er over een minuut.” “Zo snel al? Waar ben je dan? O ja, ik zie je!”, zwaait ze dan vanachter haar raam.
Dit keer kondig ik mijn komst toch maar even aan, wanneer ze voor de vierde keer belt over een brief die ze gekregen heeft. “Ik kom morgen langs, dan kom ik ‘m halen.” Vervolgens ontstaat wat gesteggel over het tijdstip, maar gelukkig kan ik melden dat ik haar altijd wel ergens op kan duikelen als ik haar niet direct zie.
Bij binnenkomst vraag ik of mijn moeder toevallig aan het wandelen is. Nee, niet gezien. Ook zit ze niet bij de kapper, daar dutten een paar andere dames met krullers in het haar. Dus neem ik, ondanks de warmte, toch maar de trap naar boven. Het is rustig in de gang. Ik bel aan en denk een geluid te horen. Maar wanneer ik beter luister, merk ik dat de muren en het plafond sowieso veel geluid maken. Ergens gebruikt iemand een kraan, want er stroomt water. Er zijn ook geluiden die ik niet thuis kan brengen, maar die ook geen richting lijken te hebben. Ik bel nog eens en leg mijn oor tegen de deur. Ondanks de stilte ben ik er van overtuigd dat ze binnen moet zijn. Leve de mobiele telefoon: ik bel haar op. Direct neemt ze op. “O, sta je voor de deur? Ik kom je wel even halen.” Ze schrikt zich een hoedje als ze mij ineens voor haar deur treft. “Ik dacht dat je beneden stond. Ik vond het ook al vreemd!” Maar natuurlijk mag ik binnenkomen en met een heerlijk glas water zak ik op de stoel.
Toch verwondert het me dat ze me niet gehoord heeft. Het is geen bescheiden pling-ploing-bel, maar een ferme tring. “Heb je er wel meer last van dat je dingen niet hoort?”, vraag ik. Domme vraag natuurlijk, wat je niet hoort, hoor je niet, dus dat weet je niet. “Nee hoor”, zegt ze dan ook. En tijdens ons bijna roepende gesprek daarna bedenk ik me dat ik maar weer eens aan de bel moet trekken. Die van de verzorging dit keer, zodat de huisarts weer eens in haar oren kijkt.
En dus bel ik hooguit als ik al op het punt sta van huis te vertrekken. Maar vaak, dankzij de mobieltjes, ook pas als ik al op de parkeerplaats sta. “Ben je thuis? Heb je toevallig zin in koffiebezoek?” “O, gezellig!”. “Ik ben er over een minuut.” “Zo snel al? Waar ben je dan? O ja, ik zie je!”, zwaait ze dan vanachter haar raam.
Dit keer kondig ik mijn komst toch maar even aan, wanneer ze voor de vierde keer belt over een brief die ze gekregen heeft. “Ik kom morgen langs, dan kom ik ‘m halen.” Vervolgens ontstaat wat gesteggel over het tijdstip, maar gelukkig kan ik melden dat ik haar altijd wel ergens op kan duikelen als ik haar niet direct zie.
Bij binnenkomst vraag ik of mijn moeder toevallig aan het wandelen is. Nee, niet gezien. Ook zit ze niet bij de kapper, daar dutten een paar andere dames met krullers in het haar. Dus neem ik, ondanks de warmte, toch maar de trap naar boven. Het is rustig in de gang. Ik bel aan en denk een geluid te horen. Maar wanneer ik beter luister, merk ik dat de muren en het plafond sowieso veel geluid maken. Ergens gebruikt iemand een kraan, want er stroomt water. Er zijn ook geluiden die ik niet thuis kan brengen, maar die ook geen richting lijken te hebben. Ik bel nog eens en leg mijn oor tegen de deur. Ondanks de stilte ben ik er van overtuigd dat ze binnen moet zijn. Leve de mobiele telefoon: ik bel haar op. Direct neemt ze op. “O, sta je voor de deur? Ik kom je wel even halen.” Ze schrikt zich een hoedje als ze mij ineens voor haar deur treft. “Ik dacht dat je beneden stond. Ik vond het ook al vreemd!” Maar natuurlijk mag ik binnenkomen en met een heerlijk glas water zak ik op de stoel.
Toch verwondert het me dat ze me niet gehoord heeft. Het is geen bescheiden pling-ploing-bel, maar een ferme tring. “Heb je er wel meer last van dat je dingen niet hoort?”, vraag ik. Domme vraag natuurlijk, wat je niet hoort, hoor je niet, dus dat weet je niet. “Nee hoor”, zegt ze dan ook. En tijdens ons bijna roepende gesprek daarna bedenk ik me dat ik maar weer eens aan de bel moet trekken. Die van de verzorging dit keer, zodat de huisarts weer eens in haar oren kijkt.
dinsdag 22 juni 2010
Dilemma in Berlijn
Aan verplichtingen deden we niet bij ons in de familie. Feestdagen en verjaardagen waren ieder jaar weer anders, net zoals het uitkwam. Geen gedwongen reizen langs vader en moeder met kerst, geen verplichte taart op verjaardagen. Integendeel. Mijn vader plande de wintersport altijd zorgvuldig met zijn verjaardag er middenin en ook mijn zus en ik verjaarden in vakantietijd. Mijn moeder had op haar verjaardag al helemaal geen zin in een huis vol uitgefeest bezoek, zo kort na de decembermaand.
Maar één ding sloop er al jong in. Het voelde niet als dwang, al dook het iedere reis, kort of lang, op: het sturen van kaarten. Graag wilde ik iedereen die me lief was laten meegenieten van wat ik meemaakte, zelfs al was ik maar een mini-weekend weg. En dus ging er een kaart naar mijn ouders, naar mijn zus, naar m’n oma en natuurlijk naar opa. En bij langere reizen ook naar de rest van de familie.
Na het overlijden van opa was het wel kaal dat ik hem niets meer kon sturen. Daarna viel stukje bij beetje de rest van de familie weg. Nu is er alleen nog mijn moeder en inmiddels zoon om een kaart te sturen.
Daar sta ik dan, bij de kaarten in Berlijn.’Zal ik?’, vraag ik mezelf af. Eigenlijk wil ik haar er wel een sturen, maar het gevolg zal zijn dat mijn moeder me maandenlang niet meer belt, weet ik inmiddels uit ervaring. Al de tijd dat de kaart op tafel staat, wat gerust een half jaar kan zijn, zal ze denken dat ik in Berlijn vertoef. Zo wordt ieder uitstapje van mij in haar hoofd een emigratie.
En toch, bij ieder kaartenrek overvalt me weer even de aarzeling. Ik onderdruk de drang en koop een paar mooie kralen voor haar, waar ik thuis een hanger van zal maken. En ik neem me voor gauw op bezoek te gaan.
Dan bewijst ze, tot mijn grote opluchting, meteen mijn gelijk. Ik ga op een ochtend langs. Een paar uur later gaat de telefoon. “Ik zie dat er zulke overstromingen zijn in Zuid-Frankrijk. A. heeft toch precies in dat gebied een huis? Zou het allemaal wel goed gaan?” Ik ben perplex. Ze weet dat ik thuis ben, is op de hoogte van de actualiteit en weet ook nog waar het huis van A staat, waar ze bijna dertig jaar geleden eens geweest is. Alleen weet ze even niet dat A. er nooit meer komt. Gelukkig weet ik dat wel en kan ik haar weer even geruststellen.
Ik neem me meteen voor om alleen nog maar kaarten te sturen als ik echt lang op reis ben. Of beter nog: dan koop ik ze alleen maar en stuur ik ze als ik eenmaal thuis ben, zodat ze meteen weet dat ik er weer ben. Daarnaast zoek ik natuurlijk op elke reis naar een klein, warm kadootje. Om haar te laten meegenieten van de mooie dingen die ik zie.
Maar één ding sloop er al jong in. Het voelde niet als dwang, al dook het iedere reis, kort of lang, op: het sturen van kaarten. Graag wilde ik iedereen die me lief was laten meegenieten van wat ik meemaakte, zelfs al was ik maar een mini-weekend weg. En dus ging er een kaart naar mijn ouders, naar mijn zus, naar m’n oma en natuurlijk naar opa. En bij langere reizen ook naar de rest van de familie.
Na het overlijden van opa was het wel kaal dat ik hem niets meer kon sturen. Daarna viel stukje bij beetje de rest van de familie weg. Nu is er alleen nog mijn moeder en inmiddels zoon om een kaart te sturen.
Daar sta ik dan, bij de kaarten in Berlijn.’Zal ik?’, vraag ik mezelf af. Eigenlijk wil ik haar er wel een sturen, maar het gevolg zal zijn dat mijn moeder me maandenlang niet meer belt, weet ik inmiddels uit ervaring. Al de tijd dat de kaart op tafel staat, wat gerust een half jaar kan zijn, zal ze denken dat ik in Berlijn vertoef. Zo wordt ieder uitstapje van mij in haar hoofd een emigratie.
En toch, bij ieder kaartenrek overvalt me weer even de aarzeling. Ik onderdruk de drang en koop een paar mooie kralen voor haar, waar ik thuis een hanger van zal maken. En ik neem me voor gauw op bezoek te gaan.
Dan bewijst ze, tot mijn grote opluchting, meteen mijn gelijk. Ik ga op een ochtend langs. Een paar uur later gaat de telefoon. “Ik zie dat er zulke overstromingen zijn in Zuid-Frankrijk. A. heeft toch precies in dat gebied een huis? Zou het allemaal wel goed gaan?” Ik ben perplex. Ze weet dat ik thuis ben, is op de hoogte van de actualiteit en weet ook nog waar het huis van A staat, waar ze bijna dertig jaar geleden eens geweest is. Alleen weet ze even niet dat A. er nooit meer komt. Gelukkig weet ik dat wel en kan ik haar weer even geruststellen.
Ik neem me meteen voor om alleen nog maar kaarten te sturen als ik echt lang op reis ben. Of beter nog: dan koop ik ze alleen maar en stuur ik ze als ik eenmaal thuis ben, zodat ze meteen weet dat ik er weer ben. Daarnaast zoek ik natuurlijk op elke reis naar een klein, warm kadootje. Om haar te laten meegenieten van de mooie dingen die ik zie.
zondag 30 mei 2010
Moederdag
Het is moederdag. Niet dat dat hier in huis tot grote feesten leidt en ook vroeger was het geen reden om de trein te pakken voor een dagje pa en ma. Maar om het nu helemaal ongemerkt voorbij te laten gaan stuit me inmiddels toch tegen de borst en dus kondig ik aan dat we pannenkoeken gaan eten met oma. Okee, prima, doen we. Vlak voor vertrek bel ik uit voorzorg toch maar naar het pannenkoekenrestaurant. Want al is het dan moederdag, ik verdenk al die gezinnen ervan dat ze voor de gezelligheid achter die wagenwielen neerstrijken, met als bonus voor moeder dat ze niet hoeft te koken en af te ruimen cq –wassen.
En ik heb gelijk, zegt mijn gevoel. Het pannenkoekenhuis tuuttuuttuut veelvuldig en nogal snel, elke keer als ik bel. Okee, ander pannenkoekenhuis. Weet ik het te vinden, is de eerste vraag die ik mezelf stel. En dan weer mijn belrondje. Weer tuut tuut tuut, een stuk langzamer nu, maar tijd om op te nemen blijkt er niet te zijn. Of de tent is inmiddels als gevolg van de crisis gesloten, dat sluit ik niet uit. Tijd voor een heel snel plan b, maar dat tover ik gezwind uit mijn hoed. “Zoon, blijf maar thuis, ik haal oma op en haal chinees. Vindt ze ook heerlijk.”
Zoon verdwijnt weer naar boven, ik klim in de telefoon om mijn komst in het verzorgingshuis aan te kondigen en spring in de auto. Wanneer ik aankom, stapt net mijn moeder de hoek om. “Ha, ben je daar?” Ze staat al helemaal klaar. Ik vertel haar van het plan. “Gezellig en lekker. Ik houd wel van chinees.”
Net als al die andere moeders die geen al te kleine kinderen meer hebben, blijkt als ik bij ‘onze’ chinees binnenstap. Ze maken beslist in één avond een jaaromzet. “Hoe lang gaat het duren?”, vraag ik als ik bestel. “Twintig minuten”, antwoordt het meisje achter de balie resoluut. “Dan ben ik over twintig minuten terug.”
Ik verdwijn naar de auto, waar mijn moeder keurig zit te wachten. Het geeft ons heerlijke praattijd en een kleine twintig minuten later keer ik terug in de zaak. Mijn menu staat nog niet klaar en ik zie ook niet direct heel andere gezichten dan daarnet. Ik besluit nog maar even rustig te wachten. Af en toe kijk ik bezorgd buiten om te zien of mijn moeder niet is gaan dwalen, maar nee, die blijft rustig zitten. Het nummersysteem is mijn volkomen onduidelijk, dus weggaan durf ik niet. Uiteindelijk krijg ik een tasje eten, na 55 minuten wachten. Blij keer ik terug bij de auto, alvast roepend dat het zo vreselijk druk was.
“O kind, wat ben ik blij dat je er bent!”, roept mijn moeder uit terwijl haar blik benauwder is dan ik ooit gezien heb. “Was je me kwijt?” “Nee, maar ik moet zo vreselijk naar de wc”, brengt ze nog net uit. “Gauw naar huis.” Gelukkig is het niet ver, maar wel bedekt met verkeersdrempels, de route naar mijn huis. Ze vertelt dat ze nog even geprobeerd had om ergens een wc te vinden, maar ze was bang dat ik haar kwijt zou zijn. Ik beaam het en ben zielsblij dat ze dat niet gedaan heeft. Niet alleen zou ik haar kwijt zijn, maar zij mij ook en hoe konden we elkaar dan weer vinden? Dat ik bij de Chinees was, was ze inmiddels alweer vergeten.
Thuisgekomen open ik de huisdeur en toiletdeur en haal dan het eten uit de auto. Helemaal opgelucht verschijnt mijn moeder aan tafel. Het benauwde avontuur verdwijnt als de borden staan en de geuren opstijgen. Vanaf dat moment genieten we vooral van een gezellige moederdagmaaltijd.
En ik heb gelijk, zegt mijn gevoel. Het pannenkoekenhuis tuuttuuttuut veelvuldig en nogal snel, elke keer als ik bel. Okee, ander pannenkoekenhuis. Weet ik het te vinden, is de eerste vraag die ik mezelf stel. En dan weer mijn belrondje. Weer tuut tuut tuut, een stuk langzamer nu, maar tijd om op te nemen blijkt er niet te zijn. Of de tent is inmiddels als gevolg van de crisis gesloten, dat sluit ik niet uit. Tijd voor een heel snel plan b, maar dat tover ik gezwind uit mijn hoed. “Zoon, blijf maar thuis, ik haal oma op en haal chinees. Vindt ze ook heerlijk.”
Zoon verdwijnt weer naar boven, ik klim in de telefoon om mijn komst in het verzorgingshuis aan te kondigen en spring in de auto. Wanneer ik aankom, stapt net mijn moeder de hoek om. “Ha, ben je daar?” Ze staat al helemaal klaar. Ik vertel haar van het plan. “Gezellig en lekker. Ik houd wel van chinees.”
Net als al die andere moeders die geen al te kleine kinderen meer hebben, blijkt als ik bij ‘onze’ chinees binnenstap. Ze maken beslist in één avond een jaaromzet. “Hoe lang gaat het duren?”, vraag ik als ik bestel. “Twintig minuten”, antwoordt het meisje achter de balie resoluut. “Dan ben ik over twintig minuten terug.”
Ik verdwijn naar de auto, waar mijn moeder keurig zit te wachten. Het geeft ons heerlijke praattijd en een kleine twintig minuten later keer ik terug in de zaak. Mijn menu staat nog niet klaar en ik zie ook niet direct heel andere gezichten dan daarnet. Ik besluit nog maar even rustig te wachten. Af en toe kijk ik bezorgd buiten om te zien of mijn moeder niet is gaan dwalen, maar nee, die blijft rustig zitten. Het nummersysteem is mijn volkomen onduidelijk, dus weggaan durf ik niet. Uiteindelijk krijg ik een tasje eten, na 55 minuten wachten. Blij keer ik terug bij de auto, alvast roepend dat het zo vreselijk druk was.
“O kind, wat ben ik blij dat je er bent!”, roept mijn moeder uit terwijl haar blik benauwder is dan ik ooit gezien heb. “Was je me kwijt?” “Nee, maar ik moet zo vreselijk naar de wc”, brengt ze nog net uit. “Gauw naar huis.” Gelukkig is het niet ver, maar wel bedekt met verkeersdrempels, de route naar mijn huis. Ze vertelt dat ze nog even geprobeerd had om ergens een wc te vinden, maar ze was bang dat ik haar kwijt zou zijn. Ik beaam het en ben zielsblij dat ze dat niet gedaan heeft. Niet alleen zou ik haar kwijt zijn, maar zij mij ook en hoe konden we elkaar dan weer vinden? Dat ik bij de Chinees was, was ze inmiddels alweer vergeten.
Thuisgekomen open ik de huisdeur en toiletdeur en haal dan het eten uit de auto. Helemaal opgelucht verschijnt mijn moeder aan tafel. Het benauwde avontuur verdwijnt als de borden staan en de geuren opstijgen. Vanaf dat moment genieten we vooral van een gezellige moederdagmaaltijd.
Abonneren op:
Posts (Atom)