Ineens voel je je glijden, het leven van een mantelzorger in. Misschien hebben sommige mensen een keuze, ik had die niet voor mijn gevoel. Als enig overgebleven kind van mijn moeder landde de verantwoordelijkheid voor haar als vanzelfsprekend op mijn schouders.
Dat is wel zo, maar toch is dat verleden tijd, vindt de vrouw met wie ik in gesprek ben. Ik begrijp het niet helemaal, hoezo verleden tijd? “Je moeder heeft nu een ander leven, er wordt voor haar gezorgd, dus nu moet jij weer terug naar een gewoon contact.” “Ja maar”, breng ik er meteen tegenin. “Een gewoon contact, ik weet niet eens meer wat dat is.” Niet meer van alles moeten en elke week op de stoep moeten staan, meent zij. Gewoon af en toe gezellig op de koffie. En verder vooral je eigen leven leiden.
Ik beloof dat ik het van harte zal proberen. Het valt niet mee. Je glijdt in die rol en kom er dan nog maar eens uit. Maar nu prent ik mezelf in: mijn eigen leven leiden en gewoon voor de gezelligheid op de koffie gaan. Eigenlijk is het een ontzettend bevrijdende gedachte. Zoals vroeger wordt het nooit, maar weer helemaal mijn eigen leven leiden moet heerlijk zijn.
En dan word ik wakker. Het duurt nog even voordat de droom tot me doordringt. In elk geval hoef ik me dus niet druk te maken over de verbazing en verwarring die ik tijdens mijn slaap voelde. Maar een teken is het wel: ergens diep weggestopt drijven een voortdurend schuldgevoel en een constante alertheid. Hoe vaak ik ook op bezoek ga, ik vind het altijd te weinig. Als ik naar de huishoudwinkel ga, neem ik meteen even een emmertje voor m’n moeder mee, want het is me opgevallen dat ze dat niet heeft. En in het tuincentrum is mijn kar zo vol omdat ik ineens bedenk dat er nog planten in de bloembakken op het balkon moeten.
Maar de vrouw had gelijk. Dat schuldgevoel mag onderhand weleens overboord. Laat ik dat dan toch maar eens proberen. Vandaag is het nog niet gelukt. Morgen probeer ik het weer.
woensdag 14 april 2010
maandag 5 april 2010
Het nieuwe paspoort
Nooit in paniek raken, dat leer je vanzelf. Want als ik in paniek raak of paniekerig klink, geef ik dat driedubbel over aan mijn moeder. Dus als zij op de vraag of ze haar nieuwe paspoort heeft antwoordt dat ze wel zoiets voorbij heeft zien komen, maar geen idee heeft waar het is, blijf ik kalm. “Het ligt vast wel ergens, gelukkig woon je niet groot, dus het zoeken duurt niet al te lang.” “Ja maar”, probeert ze zelf nog even. “En wat nou als ik het nodig heb?” “Mam, je gaat nooit naar het buitenland!” “O nee, dat is zo.”
Maar ik besluit in stilte om bij mijn volgende bezoek alle laatjes en vakjes even grondig door te kijken. Want zelfs al ga je nooit op reis en zet je nergens een handtekening, toch willen ze in allerlei dossiers een kopie van je paspoort. Een beetje doorgeschoten?
Maar ik besluit in stilte om bij mijn volgende bezoek alle laatjes en vakjes even grondig door te kijken. Want zelfs al ga je nooit op reis en zet je nergens een handtekening, toch willen ze in allerlei dossiers een kopie van je paspoort. Een beetje doorgeschoten?
zondag 28 maart 2010
Het paspoort
Mijn moeder moet een nieuw paspoort. Ze gaat nooit meer op reis, een middag bij mij op bezoek is eigenlijk al te veel, maar toch moet ze een paspoort hebben. ‘Even’ met haar naar het gemeentehuis voor de aanvraag en een week later om het document weer op te halen, is een karwei waar ik namens haar huizenhoog tegenop zie. En dus schuif ik het stiekem steeds weer voor me uit.
En dan ligt er ineens een brief: bewoners van zorginstellingen moeten een geldig identiteitsbewijs hebben. Slik. Ja, ik weet het. Ik buig beschaamd mijn hoofd al een beetje, maar lees toch maar even verder. En dus heeft de organisatie bedacht dat het veel handiger is als de bewoners niet naar de gemeente hoeven, maar de gemeente even langskomt bij de bewoners. En zelfs de fotograaf wil komen. Of ik daar belangstelling voor heb. Belangstelling? Direct maak ik een rondedansje door de kamer met de antwoordstrook als wimpel.
En zo komt het dat we een paar weken later keurig zitten te wachten in het restaurant van het huis. Intussen bedenk ik dat we sneller geweest waren als we naar het gemeentehuis gereisd zouden zijn, maar dit is ongetwijfeld aangenamer. Om ons heen zien we voortdurend verwarring bij bewoners en bij de medewerksters die het geheel in banen leiden. Zij hebben de pasfoto’s klaarliggen en zien daardoor direct wie er nog niet geweest zijn. En dat is nog een hele lijst. We mogen blij zijn dat al die dames hun belangrijke afspraak vergeten zijn!
Omdat ik weet dat je vingerafdrukken moet geven tegenwoordig, hebben we al uitgebreid gelachen over de sporen die mijn moeder na haar paspoortavontuur zou nalaten in het huis. Een kleine tegenvaller is het dan ook wel dat er een vingerafdrukleesapparaatje blijkt te bestaan. Maar verder verloopt het soepel en vrolijk. Het formulier ontbreekt: geen nood, dat maken ze straks op kantoor wel even.
Ik hoop nu alleen maar dat mijn moeder niet schrikt van het grote gat in haar paspoort. Voor de zekerheid heb ik dat er in laten knippen, omdat ze het anders in moest leveren en ze de hele tijd op zoek zou gaan naar het document. Nog een paar dagen, dan heeft ze een nieuw exemplaar. Met een strenge nieuwe foto. Nou ja, streng. Mijn moeders gezicht staat nu eenmaal altijd op zon, dus twee grote, ondeugende ogen staren je recht aan door de camera.
Gelukkig komt het geen douanebeambte meer onder ogen.
En dan ligt er ineens een brief: bewoners van zorginstellingen moeten een geldig identiteitsbewijs hebben. Slik. Ja, ik weet het. Ik buig beschaamd mijn hoofd al een beetje, maar lees toch maar even verder. En dus heeft de organisatie bedacht dat het veel handiger is als de bewoners niet naar de gemeente hoeven, maar de gemeente even langskomt bij de bewoners. En zelfs de fotograaf wil komen. Of ik daar belangstelling voor heb. Belangstelling? Direct maak ik een rondedansje door de kamer met de antwoordstrook als wimpel.
En zo komt het dat we een paar weken later keurig zitten te wachten in het restaurant van het huis. Intussen bedenk ik dat we sneller geweest waren als we naar het gemeentehuis gereisd zouden zijn, maar dit is ongetwijfeld aangenamer. Om ons heen zien we voortdurend verwarring bij bewoners en bij de medewerksters die het geheel in banen leiden. Zij hebben de pasfoto’s klaarliggen en zien daardoor direct wie er nog niet geweest zijn. En dat is nog een hele lijst. We mogen blij zijn dat al die dames hun belangrijke afspraak vergeten zijn!
Omdat ik weet dat je vingerafdrukken moet geven tegenwoordig, hebben we al uitgebreid gelachen over de sporen die mijn moeder na haar paspoortavontuur zou nalaten in het huis. Een kleine tegenvaller is het dan ook wel dat er een vingerafdrukleesapparaatje blijkt te bestaan. Maar verder verloopt het soepel en vrolijk. Het formulier ontbreekt: geen nood, dat maken ze straks op kantoor wel even.
Ik hoop nu alleen maar dat mijn moeder niet schrikt van het grote gat in haar paspoort. Voor de zekerheid heb ik dat er in laten knippen, omdat ze het anders in moest leveren en ze de hele tijd op zoek zou gaan naar het document. Nog een paar dagen, dan heeft ze een nieuw exemplaar. Met een strenge nieuwe foto. Nou ja, streng. Mijn moeders gezicht staat nu eenmaal altijd op zon, dus twee grote, ondeugende ogen staren je recht aan door de camera.
Gelukkig komt het geen douanebeambte meer onder ogen.
zondag 28 februari 2010
Vraagbaak
Mijn moeder was mijn vraagbaak, vooral vanaf het moment dat ik zelf moeder werd. “Hij heeft rare vlekjes. ” “Hij luistert soms zo slecht.” “Het tandenpoetsen is elke dag zo’n drama.” Overal wist mijn moeder raad op.
Ze was er op de dag dat ik ging scheiden. Man weg, halve huisraad weg en moeder die kwam troosten en helpen de boel weer op de rails te zetten. En passant lapte ze de ramen en gaf ze de huiskamer een beurt.
En ze was er alle jaren op 5 december. Met een ‘verkeerd bezorgde’ tas met pakjes, voor mij en zoon. En toevallig hadden zoon en ik ook zo’n tas, met pakjes voor haar.
En toen ineens belde zij mij met haar vragen. “Welke dag is het vandaag?” “Ik ben mijn sleutels kwijt, heb jij ze?” “Ik weet even niet meer waar ik ben.” En het drong tot mij door dat mijn moeder mijn kind aan het worden was. Steeds meer begon zij op mij te steunen. Ineens voelde ik verdriet. Verdriet om iemand die er nog wel is, maar niet meer zoals het was.
Ze was er op de dag dat ik ging scheiden. Man weg, halve huisraad weg en moeder die kwam troosten en helpen de boel weer op de rails te zetten. En passant lapte ze de ramen en gaf ze de huiskamer een beurt.
En ze was er alle jaren op 5 december. Met een ‘verkeerd bezorgde’ tas met pakjes, voor mij en zoon. En toevallig hadden zoon en ik ook zo’n tas, met pakjes voor haar.
En toen ineens belde zij mij met haar vragen. “Welke dag is het vandaag?” “Ik ben mijn sleutels kwijt, heb jij ze?” “Ik weet even niet meer waar ik ben.” En het drong tot mij door dat mijn moeder mijn kind aan het worden was. Steeds meer begon zij op mij te steunen. Ineens voelde ik verdriet. Verdriet om iemand die er nog wel is, maar niet meer zoals het was.
dinsdag 23 februari 2010
Uit
“En hoe is het met, hoe heet ie ook alweer?”
“Goed, hoor.”
“Is het nog aan?” Mijn moeder kent mij duidelijk al heel erg lang.
“Nee, het is uit.” Het blijft een tijdje stil aan de andere kant.
“Tja, soms is dat beter.”
Ik wil ineens wel even uitleggen waarom het nu soms is. Ik zie in een flits haar huwelijk voorbijkomen, waarin ze haar man, mijn vader, soms moest delen met een ander. En met ongekende helderheid geeft ze me groot gelijk.
“En hoe is het met jou? Je klinkt vrolijk.”
“Ja hoor, dat ben ik ook wel.”
“Gelukkig.”
We praten nog wat verder. Over acclamatiseren, want het is toch wel wennen, vindt ze, alleen zijn. Soms is het prima, maar soms, zoals vanavond, vindt ze het te stil. Ik vermoed dat ze veel van dat soort avonden heeft, maar zelf heeft ze geen idee.
“En hoe is het met eh... ?”
“Goed verwacht ik, maar het is uit.”
“O, nou ja, soms is dat beter. Als je me zou vragen wat ik nou vandaag gedaan heb, ik heb geen idee. Soms weet ik het wel, maar vandaag, ik zou het niet weten.”
Ik opper dat ze een dagboek bij kan gaan houden. Dat vindt ze een prima idee. Ik neem me voor een duidelijk schrift of een agenda voor haar mee te nemen, waarin ze kan zetten wat ze gedaan heeft of wat haar gedachten zijn.
“We gaan zo maar eens ophangen, maar vertel even: hoe is het met je zoon?”
“Goed hoor, die heeft vakantie.”
“Wat heerlijk. En hoe is het met je man?” Gelukkig kan ze mijn glimlach niet zien.
“Ook goed.”
“Fijn. Slaap lekker straks he?”
“Doe ik. Jij ook!”
“Goed, hoor.”
“Is het nog aan?” Mijn moeder kent mij duidelijk al heel erg lang.
“Nee, het is uit.” Het blijft een tijdje stil aan de andere kant.
“Tja, soms is dat beter.”
Ik wil ineens wel even uitleggen waarom het nu soms is. Ik zie in een flits haar huwelijk voorbijkomen, waarin ze haar man, mijn vader, soms moest delen met een ander. En met ongekende helderheid geeft ze me groot gelijk.
“En hoe is het met jou? Je klinkt vrolijk.”
“Ja hoor, dat ben ik ook wel.”
“Gelukkig.”
We praten nog wat verder. Over acclamatiseren, want het is toch wel wennen, vindt ze, alleen zijn. Soms is het prima, maar soms, zoals vanavond, vindt ze het te stil. Ik vermoed dat ze veel van dat soort avonden heeft, maar zelf heeft ze geen idee.
“En hoe is het met eh... ?”
“Goed verwacht ik, maar het is uit.”
“O, nou ja, soms is dat beter. Als je me zou vragen wat ik nou vandaag gedaan heb, ik heb geen idee. Soms weet ik het wel, maar vandaag, ik zou het niet weten.”
Ik opper dat ze een dagboek bij kan gaan houden. Dat vindt ze een prima idee. Ik neem me voor een duidelijk schrift of een agenda voor haar mee te nemen, waarin ze kan zetten wat ze gedaan heeft of wat haar gedachten zijn.
“We gaan zo maar eens ophangen, maar vertel even: hoe is het met je zoon?”
“Goed hoor, die heeft vakantie.”
“Wat heerlijk. En hoe is het met je man?” Gelukkig kan ze mijn glimlach niet zien.
“Ook goed.”
“Fijn. Slaap lekker straks he?”
“Doe ik. Jij ook!”
donderdag 4 februari 2010
Net zoals je
Net zoals je met je groter wordende kind meegroeit, krimp je mee met iemand voor wie het leven steeds kleiner wordt. In beide gevallen geeft dat mooie momenten van trots dat iets eindelijk lukt of toch nog kan. Je staat er naast en tast af in hoeverre je moet vasthouden en bijsturen en wat je moet loslaten. En nooit is er een status quo. Net ben je aan een situatie gewend als hij weer verandert. Het kind groeit en kan weer meer, de volwassene krimpt een beetje.
Bijzonder hoezeer het toch hetzelfde voelt. Het is dezelfde lijn, van moeder naar kind, van kind naar moeder, de verticale lijn in de verhoudingen. Ik houd de touwtjes vast en moet steeds een stukje laten vieren. Dan snijdt het even in mijn handen, een vlammende, stekende pijn. De wonden helen, maar de pijn verdwijnt nooit helemaal. Onder de oppervlakte wacht hij tot een onbewaakt ogenblik om nog even te laten voelen dat het niet meer is zoals het was. In melancholie en soms heel gewoon even in verdriet.
Bijzonder hoezeer het toch hetzelfde voelt. Het is dezelfde lijn, van moeder naar kind, van kind naar moeder, de verticale lijn in de verhoudingen. Ik houd de touwtjes vast en moet steeds een stukje laten vieren. Dan snijdt het even in mijn handen, een vlammende, stekende pijn. De wonden helen, maar de pijn verdwijnt nooit helemaal. Onder de oppervlakte wacht hij tot een onbewaakt ogenblik om nog even te laten voelen dat het niet meer is zoals het was. In melancholie en soms heel gewoon even in verdriet.
maandag 1 februari 2010
Bloemen
Ik bel mijn moeder:
“Heleen is bijna jarig.”
“O kind, dat wist ik niet.”
“Wil je een kaart sturen?”
“Ja, maar ik heb er geen.”
“Zal ik er dan een sturen, van ons samen?”
“Graag!”
Een paar dagen later zal Heleen langskomen, weet ik. Ik vraag wat mijn moeder haar cadeau zou willen geven. We komen uit op een mooie bos bloemen. Dus ga ik op maandagochtend naar de bloemist, die gelukkig nog wat mooie bossen heeft staan. Net een paar van mijn favorieten in zonnige kleuren. De bloemiste maakt er een vrolijk boeket van en met de bloemen en een bakje hyacinthen rijd ik naar mijn moeder. Die is blij verrast als ze me ziet. Maar Heleen blijkt er niet te zijn. Ik denk dat ik haar misgelopen ben, maar na een tijdje krijg ik het vermoeden dat ze nog helemaal niet geweest is. Er zit een vlek in mijn moeders bloes. Dat zou Heleen nooit hebben laten gebeuren.
Dan komt ze vast vanmiddag, verwacht ik.
“Laat de bloemen dan maar hier, dan geef ik ze wel”, zegt mijn moeder. Uit voorzorg schrijft ze er een kaartje bij en een grote H op het papier. Ik vind het een fijn idee, zo kan ze zelf een cadeau aan Heleen geven.
En ach, denk ik nog, als ze het helemaal vergeet, heeft mijn moeder er in elk geval zelf plezier van.
Uren later gaat de telefoon. Heleen. “Bedankt voor de bloemen.” Wat een schitterend cadeau! Niet die bloemen, al waren die ook mooi, maar het beste cadeau is dat mijn moeder even onthouden heeft dat Heleen jarig was en dat die bloemen voor haar waren. Ook al stond dat op het kaartje.
“Heleen is bijna jarig.”
“O kind, dat wist ik niet.”
“Wil je een kaart sturen?”
“Ja, maar ik heb er geen.”
“Zal ik er dan een sturen, van ons samen?”
“Graag!”
Een paar dagen later zal Heleen langskomen, weet ik. Ik vraag wat mijn moeder haar cadeau zou willen geven. We komen uit op een mooie bos bloemen. Dus ga ik op maandagochtend naar de bloemist, die gelukkig nog wat mooie bossen heeft staan. Net een paar van mijn favorieten in zonnige kleuren. De bloemiste maakt er een vrolijk boeket van en met de bloemen en een bakje hyacinthen rijd ik naar mijn moeder. Die is blij verrast als ze me ziet. Maar Heleen blijkt er niet te zijn. Ik denk dat ik haar misgelopen ben, maar na een tijdje krijg ik het vermoeden dat ze nog helemaal niet geweest is. Er zit een vlek in mijn moeders bloes. Dat zou Heleen nooit hebben laten gebeuren.
Dan komt ze vast vanmiddag, verwacht ik.
“Laat de bloemen dan maar hier, dan geef ik ze wel”, zegt mijn moeder. Uit voorzorg schrijft ze er een kaartje bij en een grote H op het papier. Ik vind het een fijn idee, zo kan ze zelf een cadeau aan Heleen geven.
En ach, denk ik nog, als ze het helemaal vergeet, heeft mijn moeder er in elk geval zelf plezier van.
Uren later gaat de telefoon. Heleen. “Bedankt voor de bloemen.” Wat een schitterend cadeau! Niet die bloemen, al waren die ook mooi, maar het beste cadeau is dat mijn moeder even onthouden heeft dat Heleen jarig was en dat die bloemen voor haar waren. Ook al stond dat op het kaartje.
Abonneren op:
Posts (Atom)