In het winkelcentrum is een nieuwe Hema geopend en daar wandelen we kalmpjes doorheen. “Kijk mam, grijze speldjes. Heb je die nog nodig?” Ik houd ze naast haar opgestoken haar en zie dat ze er goed bij kleuren. “Altijd handig. Maar ik heb geen tas bij me en dus ook geen geld.” “Ik schiet wel even voor.” “Dat is goed, maar ik betaal het straks terug hoor.” Ik loop achter de rolstoel met uitzicht op mijn moeders kapsel. Iedere medewerkster is altijd weer verbaasd als ze hoort dat mijn moeder dat dagelijks zelf voor elkaar maakt. Voor ze de deur uitgaat, wil ze ook altijd van me weten of haar haar nog wel goed zit.
Misschien is dat wel de reden dat de receptioniste vandaag tegen me zegt: “Ah, u bent de dochter van mevrouw Van Dijk”, als ik haar een invulstrookje overhandig. “Leuke vrouw, een beetje een dame.” “Ja, dat klopt wel. Ik ben de gewone in de familie”, grap ik maar. Mijn moeder een dame? Ik zie het niet direct, maar deze middag schittert het er af en toe inderdaad doorheen. Net even anders, maar niet hautain. Vind ik dan, maar ik kan bevooroordeeld zijn.
Het zit er al generaties in weet ik, als ik me zo de foto’s van mijn moeders voorouders in gedachten neem. Haar vader had het en haar grootvader, die toch, volgens de neef die ik gisteren sprak, een gewone vlasboer was. Maar ik herinner mij foto’s van mijn overgrootvader naast zijn broer: beiden vlasboer, maar ieder met een heel andere manier van staan. De ene als boer, een sterke werker, de ander ook sterk, maar vooral aanwezig. Het is mij totaal duidelijk: met mijn overgrootvader viel niet te spotten. Net zo min als met mijn grootvader, al had ik, als jongste en meest dwarse kleindochter, daar soms maling aan, iets wat hij ook wel kon waarderen, want was hij zelf ook niet zo?
Mijn moeder is milder, of meer: toont milder. Als dingen haar werkelijk niet zinnen, zal ze dat laten blijken. Altijd in het nette, nooit met grove taal, maar vooral in haar houding. Dan recht ze haar rug en krijgen haar ogen de felheid die haar tante al in haar baby-blik zag. Het is waar, daarin zie je de dame nog.
En in haar kapsel natuurlijk. Wanneer we in de groep zitten waar ze aan het eind van de middag koffie drinkt, kijkt ze me ineens nadenkend aan. “Krijg jij niet nog iets van mij?”, vraagt ze. Ik denk even na en herinner me dan de haarspeldjes. “Het was ongeveer een euro, maar ik kan het je ook schenken.” “Nee hoor, ik betaal het even terug.” In stilte verbaas ik me. Ze weet precies wat ze uit haar portemonnee tovert, maar bovenal is blijven hangen dat ze mij nog iets verschuldigd was. Meestal zeg ik “Ik schiet het wel even voor”, om vervelende situaties te voorkomen, maar blijkbaar moet ik daar toch mee uit gaan kijken. Mijn moeder onthoudt meer dan ik denk.
vrijdag 11 november 2011
Klein baby'tje
“Ik weet nog dat je moeder geboren werd.” De man aan de andere kant van de lijn heeft het over bijna 78 jaar geleden. Ver, ver, ver voor mijn bestaan en hij praat erover alsof het gisteren is. “Als mijn moeder bij mijn oom en tante, jouw grootouders dus, op de thee ging, moest ik mee. Dat deden we vaak en het was een heel gedoe.” Al woonden ze dan in dezelfde stad, het moet in die tijd een fikse reis geweest zijn. “Toen lag op een keer jouw moeder in de wieg, een heel klein kindje. Ze was veel te vroeg geboren.” Mijn moeder was niet de eerste baby die haar grote neef gezien had in zijn jonge leven, want hij was de oudste van alle neefjes en nichtjes in een hechte familie. Dus bij alle kraambezoeken zat hij erbij, de vorige nog geen anderhalf jaar eerder, toen mijn moeders grote zus werd geboren. Dat dat volgende nichtje zo klein was, is hem altijd bijgebleven.
“De doktoren vonden het wel zorgelijk, zo’n klein baby’tje, vertelde je oma. Maar mijn moeder antwoordde toen: kijk maar naar haar ogen, hele felle ogen. Dat is een goed teken.” Ik schiet in de lach. “Zo kan ze nog steeds kijken.” Dat verbaast hem niets. “Ze was heel energiek en dat is ze altijd geweest. Hoe is het eigenlijk met haar?”
“De doktoren vonden het wel zorgelijk, zo’n klein baby’tje, vertelde je oma. Maar mijn moeder antwoordde toen: kijk maar naar haar ogen, hele felle ogen. Dat is een goed teken.” Ik schiet in de lach. “Zo kan ze nog steeds kijken.” Dat verbaast hem niets. “Ze was heel energiek en dat is ze altijd geweest. Hoe is het eigenlijk met haar?”
maandag 31 oktober 2011
"'Cliënten' zeggen we tegenwoordig"
“’Cliënten’ zeggen we tegenwoordig, geen ‘bewoners’ meer”, vertelt de vrouw in het rood tijdens de rondleiding. Na een uitgebreid verhaal over mijn moeder, haar levendigheid, haar behoefte om bezig te zijn, mensen om zich heen te hebben, maar ook behoefte aan privacy en natuurlijk haar dagelijkse wandeling in de frisse buitenlucht, neemt zij ons mee naar de afdeling. Dat het een gesloten afdeling is, vindt zij logisch. Mijn moeder verdwaalt immers wel eens. “Ik wil toch een onderscheid maken tussen dwalen en verdwalen”, merk ik even op. Ja, dat is niet hetzelfde, geeft zij toe. Toch klikken de deuren achter ons direct weer in het slot.
Aan de binnenkant hangt een soort activitycenter naast de deur. Ik ken het nog uit de tijd dat mijn zoon in de box lag. Hartstikke hip waren ze toen, met geluiden, vrolijke kleuren, bewegende delen. “Het leidt af van de deur”, vertelt de vrouw. Ik snap het. En met wat geluk vergeten mensen dat ze eigenlijk de deur uit wilden.
Cliënten, dreunt het nog na door mijn hoofd. Ik ben een cliënt bij de kapper en de fysiotherapeut, bij de pedicure, de diëtiste (ja, ook ik) en ooit één keer bij een psycholoog (wat vooral gezellig werd). Kortom: op allerlei plekken waar ik na een behandeling van hooguit een paar uur weer vertrek, naar huis meestal. Elders ben ik een bewoner, in mijn eigen huis. Mijn moeder is ook een bewoner, maar dan in het verzorgingshuis. Als deze mensen hier geen bewoner zijn, waar dan wel?
Bij de cliënten die we onderweg tegenkomen is bovendien helemaal geen sprake van een behandeling, ze zitten te slapen in hun stoel. Wanneer ik opmerk dat mijn moeder hier totaal niet past, knikt de vrouw begrijpend. “Iedereen die hier voor het eerst komt schrikt en vindt dat hun eigen moeder hier nog niet hoort.” Wat ze niet weet, is dat ik al meer verpleeghuizen van binnen heb gezien, het is niet bepaald de eerste keer dat ik een afdeling met dementerende ouderen betreed. Ik schrik niet van de mensen, ik schrik van de gedachte van mijn moeder tussen hen in. Mijn moeder heeft, ondanks haar haperende geheugen, behoefte aan een goed gesprek, aan mensen met niveau om zich heen, en de vrijheid om zich terug te trekken in haar kamer wanneer ze moe is en even wil slapen.
Slechts in één van de drie huiskamers is een klein beetje leven: een vrouw bladert in de Telegraaf. De andere stoelen zijn bezet met slapers. Twee verzorgenden doen de afwas. Er komt een man aangelopen, in een vrolijke bui. Hij komt op onze stemmen af, want stemmen betekent dat hij een gesprek kan voeren. O, hij weet best dat hij veel vergeet. “Als u mij nu iets vertelt, ben ik het over tien minuten helemaal vergeten.” Heleen herkent de man uit Het Huis. “Dat klopt, daar woont mijn vrouw nog”, vertelt hij. “Maar ik kan er niet naar toe lopen, ik zou hopeloos verdwalen.” En dus leeft hij nu opgesloten, hoewel ik dat volgens de vrouw in het rood vast niet zo moet zien. Hij is immers een cliënt, geen bewoner. Maar weg kan hij niet. Nooit meer.
Aan de binnenkant hangt een soort activitycenter naast de deur. Ik ken het nog uit de tijd dat mijn zoon in de box lag. Hartstikke hip waren ze toen, met geluiden, vrolijke kleuren, bewegende delen. “Het leidt af van de deur”, vertelt de vrouw. Ik snap het. En met wat geluk vergeten mensen dat ze eigenlijk de deur uit wilden.
Cliënten, dreunt het nog na door mijn hoofd. Ik ben een cliënt bij de kapper en de fysiotherapeut, bij de pedicure, de diëtiste (ja, ook ik) en ooit één keer bij een psycholoog (wat vooral gezellig werd). Kortom: op allerlei plekken waar ik na een behandeling van hooguit een paar uur weer vertrek, naar huis meestal. Elders ben ik een bewoner, in mijn eigen huis. Mijn moeder is ook een bewoner, maar dan in het verzorgingshuis. Als deze mensen hier geen bewoner zijn, waar dan wel?
Bij de cliënten die we onderweg tegenkomen is bovendien helemaal geen sprake van een behandeling, ze zitten te slapen in hun stoel. Wanneer ik opmerk dat mijn moeder hier totaal niet past, knikt de vrouw begrijpend. “Iedereen die hier voor het eerst komt schrikt en vindt dat hun eigen moeder hier nog niet hoort.” Wat ze niet weet, is dat ik al meer verpleeghuizen van binnen heb gezien, het is niet bepaald de eerste keer dat ik een afdeling met dementerende ouderen betreed. Ik schrik niet van de mensen, ik schrik van de gedachte van mijn moeder tussen hen in. Mijn moeder heeft, ondanks haar haperende geheugen, behoefte aan een goed gesprek, aan mensen met niveau om zich heen, en de vrijheid om zich terug te trekken in haar kamer wanneer ze moe is en even wil slapen.
Slechts in één van de drie huiskamers is een klein beetje leven: een vrouw bladert in de Telegraaf. De andere stoelen zijn bezet met slapers. Twee verzorgenden doen de afwas. Er komt een man aangelopen, in een vrolijke bui. Hij komt op onze stemmen af, want stemmen betekent dat hij een gesprek kan voeren. O, hij weet best dat hij veel vergeet. “Als u mij nu iets vertelt, ben ik het over tien minuten helemaal vergeten.” Heleen herkent de man uit Het Huis. “Dat klopt, daar woont mijn vrouw nog”, vertelt hij. “Maar ik kan er niet naar toe lopen, ik zou hopeloos verdwalen.” En dus leeft hij nu opgesloten, hoewel ik dat volgens de vrouw in het rood vast niet zo moet zien. Hij is immers een cliënt, geen bewoner. Maar weg kan hij niet. Nooit meer.
maandag 10 oktober 2011
Verdwenen gezichten
Wanneer de vrouw op Heleen en mij af komt lopen, aarzel ik toch even. Haar uiterlijk klopt niet met het beeld dat ik had van haar aan de telefoon. Ik wil niet onbeleefd lijken en sta toch alvast maar op. “Wilt u ook koffie?”, vraagt ze aan Heleen. “Het is zo onhartelijk als ik de een wel koffie geef en de ander niet.” Ik babbel gezellig mee, maar het is alsof ik een klap in mijn gezicht krijg. Okee, mijn gevoel dat dit niet de vrouw kan zijn op wie ik zit te wachten, klopt dus wel, maar deze vrouw moet ik een paar minuten geleden gezien hebben. En niet alleen gezien, maar ook gesproken. Dat laatste weet ik allemaal nog wel, maar haar gezicht komt me nog geen seconde bekend voor. Haar ogen, haar haar, haar mond en neus, niets. In een paar minuten is ze volkomen uit mijn geheugen gewist.
Dat kan natuurlijk gebeuren, maar twee dagen eerder is me precies hetzelfde overkomen. Nu kan ik roepen dat het grijze muizen betreft, maar zelfs van een grijze muis onthoud je op zijn minst nog het puntige snuitje. Maar niets, totaal niets…
Ik neem voorzichtigheidshalve maar niet aan dat ik dementie heb. Ik vertrouw er maar op dat er een andere oorzaak is, maar ik neem de ervaring wel mee. Ik zie het regelmatig gebeuren, zoals die keer dat mijn moeder de vriendin van mijn zoon David voor het eerst ontmoet. Ze komt zich voorstellen als mijn moeder en ik in de tuin thee drinken. David en zijn vriendin vertrekken naar binnen en na een kwartiertje volgen wij ook. “Hee, jou ken ik nog niet!”, roept mijn moeder enthousiast. De vriendin staat op en geeft mijn moeder een hand. “Ik ben Carolien.” “De vriendin van David”, leg ik uit. “Wat leuk je nu eens te ontmoeten”, zegt mijn moeder. Wanneer we even later wegrijden in de richting van mijn moeders huis, is Carolien alweer helemaal vergeten.
Een paar weken later duikt ze ineens op. "Hoe is het met David? Zeg, heeft hij nou een vriendin?" "Ja, Carolien." "Zie je wel, dat dacht ik al." Ik hoop dat ik over een paar weken nog weet wat ik moet met de koffiejuffrouw die ineens in mijn hoofd op popt.
Dat kan natuurlijk gebeuren, maar twee dagen eerder is me precies hetzelfde overkomen. Nu kan ik roepen dat het grijze muizen betreft, maar zelfs van een grijze muis onthoud je op zijn minst nog het puntige snuitje. Maar niets, totaal niets…
Ik neem voorzichtigheidshalve maar niet aan dat ik dementie heb. Ik vertrouw er maar op dat er een andere oorzaak is, maar ik neem de ervaring wel mee. Ik zie het regelmatig gebeuren, zoals die keer dat mijn moeder de vriendin van mijn zoon David voor het eerst ontmoet. Ze komt zich voorstellen als mijn moeder en ik in de tuin thee drinken. David en zijn vriendin vertrekken naar binnen en na een kwartiertje volgen wij ook. “Hee, jou ken ik nog niet!”, roept mijn moeder enthousiast. De vriendin staat op en geeft mijn moeder een hand. “Ik ben Carolien.” “De vriendin van David”, leg ik uit. “Wat leuk je nu eens te ontmoeten”, zegt mijn moeder. Wanneer we even later wegrijden in de richting van mijn moeders huis, is Carolien alweer helemaal vergeten.
Een paar weken later duikt ze ineens op. "Hoe is het met David? Zeg, heeft hij nou een vriendin?" "Ja, Carolien." "Zie je wel, dat dacht ik al." Ik hoop dat ik over een paar weken nog weet wat ik moet met de koffiejuffrouw die ineens in mijn hoofd op popt.
donderdag 6 oktober 2011
Naar het Openluchtmuseum
Vandaag is het drukker dan druk. Al bij aankomst zien we het. De parkeerplaats is bomvol en dus moeten we uitladen voor de deur en rijd ik alleen verder voor een parkeerplek langs een achterafweggetje. Als ik bij de ingang aankom heeft zoon de kaartjes al gekocht en zit mijn moeder startklaar in de geleende rolstoel. Het weer is ons waanzinnig goed gezind. Na een week met regen is het vandaag droog en warm. De meegebrachte jassen zitten dan ook in tassen gepropt. Behalve die van mijn moeder natuurlijk, die ligt netjes opgevouwen op haar schoot.
Net wanneer we het museum binnenlopen, komt de Rotterdamse tram er aan. Met rolstoelrijtuig, dus schuiven we mijn moeder gezellig naast een andere dame. “Als je bij de volgende halte uitstapt, ben je op het hoogste punt”, vertelt de dochter van de dame. “Dan hoef je alleen nog maar naar beneden.” Heel praktisch natuurlijk, maar wij zitten niet vanwege het praktische in de tram, maar omdat het de Rotterdamse is. Weliswaar niet zo oud als het rijtuig uit mijn moeders jeugd, maar de kleuren zijn al goed. En dus stappen we twee haltes verder pas uit en lopen we bergop, zoon achter de rolstoel, mijn moeder erin, vol bewondering voor de bomen. Zoons vriendin en ik komen er slenterend achteraan.
Het kruisgebouw, dat is een leuke start, lijkt me. Mijn moeder vindt het echter verwarrend. “Moet ik in bad?”, vraagt ze bij het zien van de bad- en douchecellen. “Herken je de geur?”, vraag ik. “Nee, ik herken helemaal niets.” Niet helemaal het succes waar ik op hoop, blijkbaar liggen het oude kruisgebouw en mijn moeders tijd in de verpleging nog een eind uit elkaar. Zelfs de verhalen over mijn jeugd komen niet meer boven. Dan wordt het tijd voor humor, dat klaart de lucht altijd. “Beetje stijve dokter, vind ik”, toeter ik richting mijn moeder. Het pad is smal en er staan twee mensen tussen ons in. “Nou!” Haar ogen beginnen te glimmen. “Hij zegt ook niet veel.” “Je hebt gelijk, een beetje een nietszeggend figuur.” “En die bril op tafel”, merkt zoon op. “Geen wonder dat hij zo’n onleesbaar handschrift heeft!” Lachend laten we de plastic dokter achter wanneer we weer naar buiten rollen. Op naar de Tilburgse huisjes. Met mijn arm ter ondersteuning probeert mijn moeder het jongste huisje door te lopen, maar gelukkig komt zoon erachteraan met de rolstoel. Lopen én rondkijken is toch wat veelgevraagd en moe laat mijn moeder zich achterover zakken.
Ik loop de andere huisjes nog door met zoons vriendin en vertel kort over de perioden en de bijzonderheden van de huisjes. Dan doen we tenminste nog een beetje historisch verantwoord en kunnen we met een gerust gemoed richting pannenkoeken. Die vinden we op het terras van de herberg. Wanneer de ober de bestelling op komt nemen, noemt ieder zijn of haar keuze. “Met appel en kaneel.” “De Veluwse, maar dan met kaas.” “De Veluwse, wel gewoon met ei.” “Een pannenkoek”, zegt mijn moeder. “Jij wilde geloof ik graag een spekpannenkoek, he mam?” “Ja, een spekpannenkoek graag”, herhaalt ze voor de ober. Met grote ogen kijk ik een tijdje later naar mijn moeders bord. Het is leeg. Helemaal leeg. En het hele flesje cola dat ze erbij dronk is ook leeg. Beslist iets om te melden aan Het Huis. Meestal bereiken me geluiden over “te weinig gegeten, niet voldoende gedronken”, maar pannenkoek en cola zijn in een mum van tijd verdwenen. Is het de buitenlucht? Of is het een kwestie van smaak?
Het wordt tijd om ons op te splitsen. Zoon heeft nog wat wensen en zijn vriendin bezoekt het Openluchtmuseum zelfs pas voor het eerst. Ik neem mijn moeder in de rolstoel mee. Over hobbelige keien duw ik haar naar de kerk. Zelf zit ik er graag, zolang er geen dominee is, en voor mijn moeder lijkt het me zo vlak na het eten een fijn, rustig plekje. “Laat maar hoor”, klinkt ze hobbelig. “Ik ga wel lopen.” “Nee joh, het gaat prima. Of is het voor jou vervelend?” “Nee, maar het lijkt me zo lastig voor jou om me te duwen.” Elke vijf meter herhaalt dit gesprek zich en ik ben dan ook trots dat het me lukt mijn moeder met rolstoel en al over hobbelkeien bergop de kerk in de krijgen. Alleen wacht ons daar geen rust. Het is hoogzomer en hartje schoolvakantie, dus het is ook in het Zeeuwse kerkje druk. Menig ouderling denkt verlangend aan zoveel belangstelling voor zijn of haar kerk. Lang blijven de bezoekers niet, maar direct worden zij afgewisseld door nieuwe belangstellenden.
“Ik wil nu wel weer eens naar huis”, zegt mijn moeder ineens. Oei! Dat we maar drie dingen gezien en een pannenkoek gegeten hebben, vind ik geen punt. Mijn doel vandaag is niet om zoveel mogelijk te bekijken, maar om samen met mijn moeder te genieten van het museum. En dat genieten zouden we onder andere in de Rotterdamse tram doen. Niet die ene waarin we naar boven gesnord zijn, maar de echte oude tram die mijn moeder als jong meisje van school naar huis voerde. Lijn 2 naar Charlois, in een tijd dat dat nog een mooie, jonge buitenwijk in aanbouw was. Mijn moeder weet het niet, maar de mensen van de tram laten deze wagen speciaal voor haar rijden vandaag, omdat ik op mijn verjaardag samen met mijn moeder wil genieten in ‘haar’ trammetje. Op weg naar de halte vertel ik het haar. Nou vooruit, dat wil ze nog wel, al is ze inmiddels wel toe aan haar middagslaap. We laten lijn 1 uit Arnhem voorbijgaan, maar daarna schuurt de onze in de verte de bocht om. De conducteur helpt mijn moeder aan boord en we vouwen de rolstoel op. Deze rit gaan we op een echt bankje, vlakbij de machinist. Dat blijkt de medewerker te zijn die deze tram geregeld heeft. Al snel begrijpt hij dat hij de hooggeplaatste passagiere aan boord heeft. “Vindt uw moeder het leuk?”, vraagt hij. Ik kijk naar haar tevreden en kalme gezicht. Het uitzicht mag dan anders zijn dan dat op de huizen en schepen in de Maasstad destijds, maar in een scherpe bocht lacht ze me toe. “Dit geluid vergeet ik nooit”, roept ze boven de gierende wielen uit. We rijden nog een extra rondje. De wens om naar huis te gaan is even verdwenen. Of nee, niet verdwenen, vervuld. Meer thuis dan haar eigen huis is dit bankje in de tram. Haar tram. En ik mag ernaast zitten.
De verjaardag is geslaagd, mijn moeder is moe. Zoon en zijn vriendin wachten bij de uitgang. Voldaan rijden we in de middagzon weer naar huis.
Net wanneer we het museum binnenlopen, komt de Rotterdamse tram er aan. Met rolstoelrijtuig, dus schuiven we mijn moeder gezellig naast een andere dame. “Als je bij de volgende halte uitstapt, ben je op het hoogste punt”, vertelt de dochter van de dame. “Dan hoef je alleen nog maar naar beneden.” Heel praktisch natuurlijk, maar wij zitten niet vanwege het praktische in de tram, maar omdat het de Rotterdamse is. Weliswaar niet zo oud als het rijtuig uit mijn moeders jeugd, maar de kleuren zijn al goed. En dus stappen we twee haltes verder pas uit en lopen we bergop, zoon achter de rolstoel, mijn moeder erin, vol bewondering voor de bomen. Zoons vriendin en ik komen er slenterend achteraan.
Het kruisgebouw, dat is een leuke start, lijkt me. Mijn moeder vindt het echter verwarrend. “Moet ik in bad?”, vraagt ze bij het zien van de bad- en douchecellen. “Herken je de geur?”, vraag ik. “Nee, ik herken helemaal niets.” Niet helemaal het succes waar ik op hoop, blijkbaar liggen het oude kruisgebouw en mijn moeders tijd in de verpleging nog een eind uit elkaar. Zelfs de verhalen over mijn jeugd komen niet meer boven. Dan wordt het tijd voor humor, dat klaart de lucht altijd. “Beetje stijve dokter, vind ik”, toeter ik richting mijn moeder. Het pad is smal en er staan twee mensen tussen ons in. “Nou!” Haar ogen beginnen te glimmen. “Hij zegt ook niet veel.” “Je hebt gelijk, een beetje een nietszeggend figuur.” “En die bril op tafel”, merkt zoon op. “Geen wonder dat hij zo’n onleesbaar handschrift heeft!” Lachend laten we de plastic dokter achter wanneer we weer naar buiten rollen. Op naar de Tilburgse huisjes. Met mijn arm ter ondersteuning probeert mijn moeder het jongste huisje door te lopen, maar gelukkig komt zoon erachteraan met de rolstoel. Lopen én rondkijken is toch wat veelgevraagd en moe laat mijn moeder zich achterover zakken.
Ik loop de andere huisjes nog door met zoons vriendin en vertel kort over de perioden en de bijzonderheden van de huisjes. Dan doen we tenminste nog een beetje historisch verantwoord en kunnen we met een gerust gemoed richting pannenkoeken. Die vinden we op het terras van de herberg. Wanneer de ober de bestelling op komt nemen, noemt ieder zijn of haar keuze. “Met appel en kaneel.” “De Veluwse, maar dan met kaas.” “De Veluwse, wel gewoon met ei.” “Een pannenkoek”, zegt mijn moeder. “Jij wilde geloof ik graag een spekpannenkoek, he mam?” “Ja, een spekpannenkoek graag”, herhaalt ze voor de ober. Met grote ogen kijk ik een tijdje later naar mijn moeders bord. Het is leeg. Helemaal leeg. En het hele flesje cola dat ze erbij dronk is ook leeg. Beslist iets om te melden aan Het Huis. Meestal bereiken me geluiden over “te weinig gegeten, niet voldoende gedronken”, maar pannenkoek en cola zijn in een mum van tijd verdwenen. Is het de buitenlucht? Of is het een kwestie van smaak?
Het wordt tijd om ons op te splitsen. Zoon heeft nog wat wensen en zijn vriendin bezoekt het Openluchtmuseum zelfs pas voor het eerst. Ik neem mijn moeder in de rolstoel mee. Over hobbelige keien duw ik haar naar de kerk. Zelf zit ik er graag, zolang er geen dominee is, en voor mijn moeder lijkt het me zo vlak na het eten een fijn, rustig plekje. “Laat maar hoor”, klinkt ze hobbelig. “Ik ga wel lopen.” “Nee joh, het gaat prima. Of is het voor jou vervelend?” “Nee, maar het lijkt me zo lastig voor jou om me te duwen.” Elke vijf meter herhaalt dit gesprek zich en ik ben dan ook trots dat het me lukt mijn moeder met rolstoel en al over hobbelkeien bergop de kerk in de krijgen. Alleen wacht ons daar geen rust. Het is hoogzomer en hartje schoolvakantie, dus het is ook in het Zeeuwse kerkje druk. Menig ouderling denkt verlangend aan zoveel belangstelling voor zijn of haar kerk. Lang blijven de bezoekers niet, maar direct worden zij afgewisseld door nieuwe belangstellenden.
“Ik wil nu wel weer eens naar huis”, zegt mijn moeder ineens. Oei! Dat we maar drie dingen gezien en een pannenkoek gegeten hebben, vind ik geen punt. Mijn doel vandaag is niet om zoveel mogelijk te bekijken, maar om samen met mijn moeder te genieten van het museum. En dat genieten zouden we onder andere in de Rotterdamse tram doen. Niet die ene waarin we naar boven gesnord zijn, maar de echte oude tram die mijn moeder als jong meisje van school naar huis voerde. Lijn 2 naar Charlois, in een tijd dat dat nog een mooie, jonge buitenwijk in aanbouw was. Mijn moeder weet het niet, maar de mensen van de tram laten deze wagen speciaal voor haar rijden vandaag, omdat ik op mijn verjaardag samen met mijn moeder wil genieten in ‘haar’ trammetje. Op weg naar de halte vertel ik het haar. Nou vooruit, dat wil ze nog wel, al is ze inmiddels wel toe aan haar middagslaap. We laten lijn 1 uit Arnhem voorbijgaan, maar daarna schuurt de onze in de verte de bocht om. De conducteur helpt mijn moeder aan boord en we vouwen de rolstoel op. Deze rit gaan we op een echt bankje, vlakbij de machinist. Dat blijkt de medewerker te zijn die deze tram geregeld heeft. Al snel begrijpt hij dat hij de hooggeplaatste passagiere aan boord heeft. “Vindt uw moeder het leuk?”, vraagt hij. Ik kijk naar haar tevreden en kalme gezicht. Het uitzicht mag dan anders zijn dan dat op de huizen en schepen in de Maasstad destijds, maar in een scherpe bocht lacht ze me toe. “Dit geluid vergeet ik nooit”, roept ze boven de gierende wielen uit. We rijden nog een extra rondje. De wens om naar huis te gaan is even verdwenen. Of nee, niet verdwenen, vervuld. Meer thuis dan haar eigen huis is dit bankje in de tram. Haar tram. En ik mag ernaast zitten.
De verjaardag is geslaagd, mijn moeder is moe. Zoon en zijn vriendin wachten bij de uitgang. Voldaan rijden we in de middagzon weer naar huis.
woensdag 13 juli 2011
Waar zijn we geweest?
Mijn moeder staat voor het raam en zwaait. Ik kijk met de afwaskwast al in mijn hand even met haar mee naar mijn oom en tante die in de diepte naar hun auto lopen. “Ga jij maar even zitten, we hebben het druk gehad. Dan doe ik intussen even de afwas.” Moe zakt ze op de bank neer. “Ik ben ook wel duizelig.” “Dat komt van de vermoeidheid, denk ik.”
Snel was ik de mokken en de lepeltjes, neem en passant nog een paar glazen mee die volgens mij niet zo vaak in een sopje belanden. Ik droog het en zet het in de kast. Even later zit ik tegenover mijn moeder. “Waar zijn we nu vanmiddag geweest?”, vraagt ze mij. “We zijn niet weggeweest, we hebben bezoek gehad. Tante Nel en oom Klaas.” “Meen je dat? Daar weet ik niets meer van.” “We hebben ze net uitgezwaaid.” “Ging het goed, het bezoek?” “Ja, het was erg gezellig.” “Wat is dat toch jammer, daar weet ik nu niets meer van.” “Dat vind ik ook erg jammer voor je. Maar hoe voel je je?” “Goed, wel vrolijk.” “Voelt het alsof je een fijne middag hebt gehad?” “Ja, zo voel ik me wel.” “Dan is de herinnering wel weg, maar het heeft toch effect op je. Het is blijkbaar wel goed, want je voelt je fijn.”
“Hoe laat is het eigenlijk? Ik moet gaan eten”, zegt mijn moeder. De aanvangstijden van de activiteitengroep hebben zich sinds haar komst in Het Huis in haar brein genesteld. Dat er begonnen wordt met koffie, een praatje en een activiteit voordat het eten op tafel komt, is er niet naast geplakt. Door het bezoek was ze afgeleid van de klok, maar nu dringt die zich weer op. “Ik loop even mee, want het kan zijn dat de anderen er nog niet zijn.” De leidster had me eerder al verteld dat de groep vanmiddag een ijsje zou gaan eten. Vrolijk lopen we samen naar de groepskamer.
Snel was ik de mokken en de lepeltjes, neem en passant nog een paar glazen mee die volgens mij niet zo vaak in een sopje belanden. Ik droog het en zet het in de kast. Even later zit ik tegenover mijn moeder. “Waar zijn we nu vanmiddag geweest?”, vraagt ze mij. “We zijn niet weggeweest, we hebben bezoek gehad. Tante Nel en oom Klaas.” “Meen je dat? Daar weet ik niets meer van.” “We hebben ze net uitgezwaaid.” “Ging het goed, het bezoek?” “Ja, het was erg gezellig.” “Wat is dat toch jammer, daar weet ik nu niets meer van.” “Dat vind ik ook erg jammer voor je. Maar hoe voel je je?” “Goed, wel vrolijk.” “Voelt het alsof je een fijne middag hebt gehad?” “Ja, zo voel ik me wel.” “Dan is de herinnering wel weg, maar het heeft toch effect op je. Het is blijkbaar wel goed, want je voelt je fijn.”
“Hoe laat is het eigenlijk? Ik moet gaan eten”, zegt mijn moeder. De aanvangstijden van de activiteitengroep hebben zich sinds haar komst in Het Huis in haar brein genesteld. Dat er begonnen wordt met koffie, een praatje en een activiteit voordat het eten op tafel komt, is er niet naast geplakt. Door het bezoek was ze afgeleid van de klok, maar nu dringt die zich weer op. “Ik loop even mee, want het kan zijn dat de anderen er nog niet zijn.” De leidster had me eerder al verteld dat de groep vanmiddag een ijsje zou gaan eten. Vrolijk lopen we samen naar de groepskamer.
zaterdag 9 juli 2011
Kennen jullie elkaar?
"Kennen jullie elkaar eigenlijk?", vraagt mijn moeder aan de man en vrouw tegenover haar. De vrouw kijkt even verschrikt. De man antwoordt olijk: "we zijn nu 57 jaar getrouwd, dus ja, ik denk dat we elkaar wel kennen." Even fronst mijn moeder haar wenkbrauwen. Moet ze deze mensen zelf ook kennen dan? "Ik ben Nel, de zus van Jan", zegt de vrouw. "Ben jij Nel? Ik herken je helemaal niet", zegt mijn moeder tegen haar vroegere schoonzus. Pas als Nel even later moet lachen om de luchtige grapjes van haar man, reageert mijn moeder enthousiast: "ja, nu zie ik het, je lach, die herken ik!"
Intussen zie ik op de wang van Nel iets glinsteren. Ik hoop dat het de lichtval is. "Ik begrijp het wel", probeer ik wat te verzachten. "Bij je kleinzoon heb je hetzelfde. Je hebt een oud plaatje in je hoofd en inmiddels zijn we allemaal ouder geworden. Dat past niet meer bij dat plaatje." Het is een schrale troost. Maar mijn tante begrijpt het helemaal. Wanneer ze oude herinneringen op gaat halen, nog van voor mijn geboorte, kan mijn moeder volop meepraten. De oude pastorie met het ijs op de ramen, de moestuin die onderhouden werd door de dorpsbewoners, maar meteen ook grotendeels leeggegeten, de ijzige verhouding tussen mijn grootouders en hun oudste zoon, mijn vader. Niet alleen voor mijn moeder is dit bijzonder, ook ik luister met interesse. Zo heb ik mijn tante nog nooit horen praten. Mijn vader wilde het niet hebben over het verleden en daarmee verdween alles van voor mijn tijd in de doofpot.
Na mijn vaders overlijden had die pot best geopend kunnen worden, maar mijn moeder kon er zelf al niet meer bij. Met de hulp van mijn tante en oom, die ineens zo vrij vertellen over een tijd waarin een eigen wil ondergeschikt was aan wat de mensen konden denken, krijg ik ineens een inkijkje in het leven van toen, en een blik op mijn mooie, moedige, eigenwijze ouders, die tegen de wens van hun (schoon)ouders in hun eigen koers voeren. Het kwam de sfeer niet ten goede, vertelde mijn tante. Mijn moeder lacht geheimzinnig. "Weet je wat je altijd zei over mijn ouderlijk huis?", zegt tante Nel. "Als wij hier binnenkomen hangen de ijspegels aan het plafond." Dat weet mijn moeder nog wel, al te goed.
Intussen zie ik op de wang van Nel iets glinsteren. Ik hoop dat het de lichtval is. "Ik begrijp het wel", probeer ik wat te verzachten. "Bij je kleinzoon heb je hetzelfde. Je hebt een oud plaatje in je hoofd en inmiddels zijn we allemaal ouder geworden. Dat past niet meer bij dat plaatje." Het is een schrale troost. Maar mijn tante begrijpt het helemaal. Wanneer ze oude herinneringen op gaat halen, nog van voor mijn geboorte, kan mijn moeder volop meepraten. De oude pastorie met het ijs op de ramen, de moestuin die onderhouden werd door de dorpsbewoners, maar meteen ook grotendeels leeggegeten, de ijzige verhouding tussen mijn grootouders en hun oudste zoon, mijn vader. Niet alleen voor mijn moeder is dit bijzonder, ook ik luister met interesse. Zo heb ik mijn tante nog nooit horen praten. Mijn vader wilde het niet hebben over het verleden en daarmee verdween alles van voor mijn tijd in de doofpot.
Na mijn vaders overlijden had die pot best geopend kunnen worden, maar mijn moeder kon er zelf al niet meer bij. Met de hulp van mijn tante en oom, die ineens zo vrij vertellen over een tijd waarin een eigen wil ondergeschikt was aan wat de mensen konden denken, krijg ik ineens een inkijkje in het leven van toen, en een blik op mijn mooie, moedige, eigenwijze ouders, die tegen de wens van hun (schoon)ouders in hun eigen koers voeren. Het kwam de sfeer niet ten goede, vertelde mijn tante. Mijn moeder lacht geheimzinnig. "Weet je wat je altijd zei over mijn ouderlijk huis?", zegt tante Nel. "Als wij hier binnenkomen hangen de ijspegels aan het plafond." Dat weet mijn moeder nog wel, al te goed.
Abonneren op:
Posts (Atom)