zaterdag 9 oktober 2010

Mam

“Zou jij je moeder zo laten zien in een documentaire?”, vraagt een collega mij. De documentaire, of film, Mam van Adelheid Roosen heb ik de avond ervoor de tv gezien. Mam schilderend met haar jongste zus, mam in bad met haar oudste dochter – waarbij ik meteen denk aan de Bros-reclame van weleer “welnee, er is niets te zien” –, mam met haar schoonzoon chocola etend en mam met dochter Adelheid, liggend op de grond. Beelden van rust, waarin je als kijker alle tijd hebt naar mam te luisteren en te kijken naar haar beleving. Met haar schoonzoon en met Adelheid is mam gekleed in een bh, een luier en een panty. Zo zou ze zich helder van geest nooit hebben laten filmen, daarvan ben ik als kijker overtuigd. Toch voel ik me geen voyeur. Schoonzoon zit met hopelijk nog een broek aan achter zijn schoonmoeder op een bed. Verder is hij bloot. Samen genieten ze van een zakje chocolaatjes, waarbij hij de regie van het delen helemaal bij haar laat. Zij een hapje, hij een hapje, zakje dicht, zakje weer open, nog een chocolaatje. Intens genot en intense rust.

Adelheid ligt naast haar moeder op de grond, ook in bh,luier en panty. Moeder vertelt voor het oor onsamenhangende verhalen, maar ze beleeft ze wel. Ook hier heerst weer rust, alle tijd om te liggen, om te luisteren om samen te zijn.

Ervoor, erna en tussendoor vertellen deskundigen over hun beleving van dementie. Zelfs tussen hun blijkt er één te zijn die niet anders kan dan kijken vanuit zijn kader als denkend mens. Die dat niet los kan laten, die niet de stap terug kan doen om te kijken naar wie de ander geworden is, onder invloed van dementie, maar die blijft spiegelen aan wie diegene ooit geweest is.

En ineens zie ik de bedoeling van Adelheid Roosen. Nee, ik zou mijn moeder nooit in bh en luier willen filmen. Als het niet voor haar is, dan op zijn minst voor de mensen om haar heen, die van haar houden. Maar ik ben blij dat Adelheid het wel aandurfde, want zij raakt precies de kern. Zij laat zien hoe intens en intiem het contact met een demente moeder kan zijn, als je je eigen verwachtingen en patronen loslaat en meegaat in haar wereld, in haar beleving. Als je dat kunt bereiken, bereik je ook de mens die je vader, moeder, partner, broer, zus, vriend of vriendin geworden is. Dan kun je weer samen genieten.

woensdag 22 september 2010

Gezien: “Verdwaald in het Geheugenpaleis”

Voorzichtig neemt Louise een paar slokken van de melk. Met de rand van de beker veegt ze de druppel weg die anders van haar lip op tafel gevallen zou zijn. Beheerst zet ze de beker weer terug. Of nou ja, beker. Eigenlijk is het het kannetje met melk voor in de thee. Daarvoor heeft ze met evenveel geduld en precisie haar boterham, zonder beleg, afgeknabbeld.

Even eerder stond ze nog te dansen op de feestavond. En toch staan haar dozen met spullen klaar om naar een andere afdeling te verhuizen, naar “De Bijster”, de schrik van de bewoners die achterblijven, want wie naar “De Bijster” gaat.....

En toch voelt het bij Louise ineens goed. Als ze daar net zo geduldig en liefdevol met de bewoners omgaan als hier, is dat de beste plaats voor haar. Daar zal ze iemand vinden die haar brood voor haar smeert en thee inschenkt. Zaken die ze zelf niet meer overziet. De andere bewoners blijven bedrukt achter, net als ik in mijn stoel.

In de anderhalf uur durende documentaire “Verdwaald in het Geheugenpaleis” sluit je ze in je hart, Louise en haar medebewoonsters Alice en Anita. Net als de andere bewoners van hun afdeling lijden ze aan dementie. “En dat is verdomd lastig”, weet Anita. Filmer Klara van Es mocht een tijdje meekijken in hun leven. En wij krijgen op onze beurt een kijkje in het dagelijks leven van een groep dementiepatiënten. Er ontspint zich een groepsleven, met een eigen dynamiek. Iedere bewoonster heeft een eigen kamer, piepklein, waar behalve een bed en een klein kastje amper iets kan staan. Het leven speelt zich af in de ruime huiskamer en de keuken. En soms daarbuiten, want als het carnaval is in het dorp, staan ze met zijn allen mee te deinen langs de kant van de weg wanneer de optocht voorbijkomt. Voor Anita een primeur: “ik heb in mijn leven nog nooit carnaval gevierd”. Er wordt gezwommen en gefietst, op een meerpersoonsfiets op vier wielen, stabiel en gezellig. En eenmaal gaan ze naar het strand, op blote voeten door de branding stappen.

Er wordt gefeest en gezongen, maar ook gekat op elkaar. Het blijven tenslotte gewone mensen, al gaat alles niet meer vanzelf. Maar zolang ze dat kunnen helpen ze gewoon in de keuken met aardappels schillen en groente snijden en staan ze de strijk weg te werken.

Het is niet allemaal treurnis wat je ziet. Dat zit zelfs amper in de documentaire, al kun je niet anders dan intens meevoelen met de vrouwen als ze even tot zich laten doordringen tot welk lot zij zijn veroordeeld. Het verlies van de vrijheid om zelf te bepalen wat ze doen, het verlies vooral van de mogelijkheid om dat te doen en de wetenschap dat het alleen maar slechter wordt. Want dat is duidelijk: ze weten maar al te goed wat er eigenlijk gebeurt. Maar ze pakken zich weer op en maken plezier en grapjes. Er wordt gezongen en gelachen. En soms kun je als kijker niet anders dan even om hen lachen, zoals wanneer Alice bij de test door de psychologe gevraagd wordt naar het jaartal. Na lang denken roept ze ineens, met een vrolijke schittering in haar ogen: “Anita, weet jij welk jaar het is?”.

Voor wie ook graag wil gaan kijken: www.geheugenpaleis.nl

woensdag 4 augustus 2010

Taart en eten

Tegenwoordig doe ik het niet meer, mijn moeder vertellen dat ik de volgende dag kom.Ik gun haar best de voorpret, een belangrijk ingrediënt van geluk las ik onlangs, maar die is steeds vaker overschaduwd door de onrust die ze erdoor voelt.

Als je hoofd niet meer precies doet wat het deed, gooit het tijden en dagen door elkaar. Ook al staat de datumklok te tikken op de kast, hoe kun je zeker weten dat je het goed opgeschreven hebt? Beter kun je het nog maar een keertje checken en dus bel je even. En als je een kwartier later – wat is eigenlijk een kwartier – het briefje nog eens tegenkomt, kun je dan zeker weten dat het klopt wat daar staat? Een telefoontje brengt altijd uitkomst. Al groeit meteen ook weer de twijfel. Heb ik wel gebeld? En waar hebben we het dan over gehad? Moeten we nog iets afspreken?

Dat de telefoon om de haverklap gaat is wat onhandig voor mij, maar het tekent vooral de onrust aan de andere kant van de lijn. En dus doe ik zoveel mogelijk bij verrassing tegenwoordig. Maar nu is er een dilemma. Taart en eten. Voor de meesten is allebei erg goed mogelijk, maar voor mijn moeder is het net wat teveel. Dus overleggen we hier thuis wat het beste is. En daarna overleg ik met haar wat zij het liefste zou willen. Uiteindelijk blijkt mijn inschatting te kloppen. Natuurlijk had ik haar liever naast me aan tafel gehad bij het eten. Pratend en luid lachend zoals ze dat altijd deed. Aanstekelijk genietend. Ze zou wel genieten, van het mooie uitzicht, of, zoals vorig jaar, van de grote kroonluchter. Maar ze zou ook snel moe worden van de geluiden, van alle beelden, van de constant nieuwe indrukken, elke minuut weer. En na een half uur zou ze toch wel erg graag, als het niet teveel moeite is, terug naar huis.

“Ik kom liever taart eten”, zegt ze dan ook als ik haar de keuze voorleg. “Gewoon gezellig bij jullie.” Een wijs besluit, ons thuis is voor haar al uit. En toch ook een beetje thuis, doordat de sfeer, de meubels en de lange rijen boeken in de kamer, voelen als iets wat ze al heel lang kent. En dat is een wonder in de wereld die in haar hoofd elke dag verandert.

woensdag 28 juli 2010

Het mooiste cadeau

Zelden nog belt ze uit zichzelf, maar nu staat er echt MAM in het venster van mijn telefoon. Ik neem op, verwacht verwarring of een moeilijke vraag. “Morgen heb je het vast druk, dus ik bel nu alvast. Van harte gefeliciteerd!” Een half uur later belt ze weer. “Ik was abuis, geloof ik he? Een dag te vroeg.” “Nee hoor, je belde alvast voor morgen, zei je.” En zo herhaalt zich dat nog een paar keer.

De volgende ochtend echter gaat de telefoon voor dag en dauw. “Van harte gefeliciteerd!” “Zo, jij bent er vroeg bij.” “Ja, ik dacht: straks ben je vast op pad, dus ik bel maar vroeg.” Dat ik nu eigenlijk nog had willen slapen, vertel ik maar even niet. Het is ook niet nodig. Het mooiste cadeau heeft nooit een ‘maar’. En dit is, al sinds een paar jaar, het allermooiste cadeau dat ik kan krijgen, dat mijn moeder op deze dag weet dat ik jarig ben.

dinsdag 20 juli 2010

Er is er één jarig

Afgelopen jaren was ik op deze dag vaak in het buitenland, maar nu ik gewoon nog aan het werk ben, besluit ik met een taartje naar mijn moeder te rijden. “Lekker, taart!”, reageert ze blij. “Kijk maar op de klok, dan snap je waarom”, antwoord ik. Twintig juli. Er verschijnt een frons op haar gezicht. “Ben jij jarig?”, vraagt ze met enige aarzeling. “Ik niet, Betty.” “Ja, dat is waar. Hoe oud zou ze nu geworden zijn?” “Achtenveertig.” Een week na haar negenendertigste verjaardag werd mijn zusje ziek, een paar weken later overleed ze.

Mijn moeder pakt de bordjes, ik snijd de taart aan. “Zullen we ieder een halve nemen”, stelt ze voor. Een kwart lijkt mij al ruim genoeg. Uiteindelijk vinden we ieder een zesde deel al voldoende. De rest blijft in de doos.

Met koffie en taart zitten we even later tegenover elkaar. “Lekker he?” “Nou!” “Proost dan maar! Op Betty!”, zeg ik. We heffen onze bordjes op. “Ja”, zegt mijn moeder, “lang zal ze leven!” “Nou ja, dat nou net niet!” "Nee, he?" Proestend beginnen we aan de aardbeienvlaai.

woensdag 14 juli 2010

De barbecue

Sinds mijn moeder in het verzorgingshuis woont, heeft ze een helder dagritme met vaste koffie- en etenstijden. Ik zou er van gruwen, maar mijn moeder vaart er wel bij. Sterker nog: die had ze vroeger ook altijd al. Mijn moeder houdt van de klok, ze heeft er dan ook minstens drie in haar kamer staan, plus een wekker en natuurlijk een horloge.

Dat nieuwe ritme is er dan ook al snel ingesleten. Wanneer ik haar eens aan de telefoon heb, wordt er aan haar deur gebeld. “Gaat u mee naar beneden, koffie drinken?”, vraagt een vriendelijke stem. “Dat vragen ze anders nooit hoor”, verklapt mijn moeder mij. Dat verbaast me niets. Uit de verhalen weet ik dat mijn moeder al voor koffietijd keurig zit te wachten bij de koffiekamer. Want aan te laat komen heeft ze een hekel. De vriendelijke stem staat dus dagelijks voor niets aan de deur.

Omdat ik weet dat ze al vroeg op pad gaat, bel ik haar net na het ontbijt. Net na háár ontbijt, het mijne is vandaag wat later. Vrolijk neemt ze op. “Warm is het he?”, zegt ze. “Ja, hier ook. Is het een beetje uit te houden daar?”, vraag ik. “Gelukkig heb ik de zon pas laat”, weet ze. “Maar als het me te erg word, ga ik even op de gang lopen. Die is koeler, daar zitten bijna geen ramen in.” Zo babbelen we verder, over alledaagse dingen. Dit keer heb ik ook een gerichte vraag. “Ik heb post gekregen, of je mee wil doen aan een landendag en aan een barbecue.” “O, wat raar dat ze dat naar jou sturen. Ik heb niets gehad!” “Dat is omdat ik het moet betalen”, reageer ik snel. “Dus wil ik even weten of je wil gaan.” “Wat is het dan? Wat doen ze daar?” De vorige landendagen zijn alweer weggezakt. In plaats van zomaar wat muziek, wordt er een hele dag rondom een thema verzorgd. Met dans, muziek, een modeshow en eten uit het land waar het om gaat. Een uitje in eigen huis voor de bewoners. Voorgaande keren heeft mijn moeder ervan genoten, dus neem ik aan dat ze dit keer ook zal willen. “De rest van de groep gaat ook, weet ik van de vorige keer.” “O. En wanneer is dat dan?” Na wat geharrewar over data roer ik toch ook de barbecue maar aan. De laatste barbecue met haar die ik me herinner is alweer jaren geleden. De verjaardag van haar man, bowlen met barbecue toe. Als een ware wachter stond ik naast haar bij de doe-het-zelf-grillplaat, want haar gevoel voor tijd was ze toen al kwijt. Uit angst voor aangebrand vlees gaf ze het niet eens de kans om warm te worden.

Maar bij deze barbecue hoeft ze zelf niet aan de slag. Hier staan koks achter het rooster en is het haar taak om de hapjes samen met alle andere bewoners gezellig weg te werken. “De barbecue is eind augustus.” Maar haar aandacht is allang verslapt. “Hoe is het met de mannen?” vraagt ze me. “Goed hoor, ook warm natuurlijk.” “Ja, het is erg warm he. Hier ook. Bij jou ook?” Ze voelt zich weer op vertrouwd terrein en babbelt vrolijk verder. Over die barbecue heb ik het maar niet meer. Ik meld haar wel aan, als de rest van haar groep ook gaat tenminste.

dinsdag 6 juli 2010

Op tafel ligt steevast een stapeltje

Op tafel ligt steevast een stapeltje. De krant ligt bovenop, in de stapel eronder ligt ergens de televisiegids, een boek met mandala’s, het activiteitenblaadje van het huis, een paar nummers van Volzin en soms ook een leesboek. Het is het stapeltje dat vroeger, toen leven nog een drukke activiteit was, op het kleine tafeltje onder de leeslamp lag, naast mijn moeders vaste plaats op de bank. Dezelfde bank waar ze nu nog op zit.

Wanneer ik op bezoek kom, blader ik soms door de stapel, plus door de stapels die op de eettafel verzameld zijn. Wanneer je geen idee meer hebt van dagen, maanden en jaartallen, gooi je geen oud-papier weg. Want hoe kun je weten of het oud is? Mijn moeder vertelde tot mijn verbazing altijd dat ze niet zo netjes was, slordig vond ze zichzelf. Ik kende ons huis vroeger en haar huis in later jaren alleen als een toonbeeld van nette gezelligheid. Bloemetjes op tafel, waxinelichtjes in lieve glaasjes en natuurlijk een stapel actueel leesvoer. Eén stapel, meer niet.

Stiekem lijkt haar ware aard zich nu meer te vertonen in alle stapels die ze heeft. En hoewel ik die eigenschap zonder verhullende factor geërfd heb, ruim ik bij haar die stapels op. Het leidt ook tot vragen en voorzichtig stel ik die. Dat ze de krant leest, weet ik zeker. Ook mijn opa, toen al wonend in het verpleeghuis, las nog dagelijks de krant. Maar al die tijdschriften en vooral die leesboeken? Wat doet ze daar mee? “Lees je nog veel?”, vraag ik daarom. “Ja hoor”, antwoordt ze. “Maar is het dan niet lastig om de draad vast te houden?” “Ja, dat natuurlijk wel. Vraag me ook niet wat ik gelezen heb, dat kan ik je niet meer vertellen. Maar het plezier van het lezen blijft hetzelfde, ook als je het verhaal niet kunt onthouden.” Ze pakt een boekje uit de stapel, van Yvonne Kronenberg, waar ze altijd hartelijk om moest lachen. Deze ken ik nog niet. “Hier, dit is een leuk boek. Wil je het lenen?”
Terwijl ik het in mijn tas laat glijden, knijpt mijn keel zich even dicht. Dat mijn belezen moeder mij nog eens een boek aan zou prijzen, dat had ik nooit meer verwacht.