zondag 2 januari 2011

Kwijt

Voorzichtig probeer ik me te verzoenen met de gedachte dat mijn moeder achteruit gaat. Ze wist een keer niet wie ik was, tijdens het kerstdiner verwarde ze me met zoon en haar korte termijn-geheugen is beslist nog korter geworden. Of verbeeld ik het me nu toch allemaal? Zelfs het weer is immers niet zo grillig als dementie.

Ik sta voor haar boekenkast en scan alle ruggen met mijn ogen. “Wat zoek je?”, vraagt mijn moeder. “Ik heb een boek cadeau gedaan en diegene is helemaal enthousiast. Nu moet ik het ook maar eens gaan lezen, denk ik.” “Wie heeft het geschreven?” “Marianne Frederiksson”, antwoord ik. “En daar heb je er veel van.” “Ja, hier een stapel en daar nog een. Welke zoek je?” “Anna, Hanna en Johanna. Maar ik zie het niet. In die stapel ligt het niet.” “Ja, dat klopt, die heb ik. Zit ‘ie er niet tussen?” Mijn moeder kijkt mee langs de planken. We turen nog één keer van boven naar beneden en dan besluit ik dat het uitgeleend is. “Dat zou ook best kunnen, kijk maar”, verklaar ik. “Op deze plank staan de boeken scheef, het lijkt alsof er een tussenuit is.” “Tja, dat weet ik niet meer”, zegt mijn moeder. “Dat is toch zo lastig, met dit soort dingen ook.” Ik beaam het, al lijkt lastig mij nog een zachte uitdrukking voor de werkelijke ervaring.

Ik beloof dat ik thuis in mijn kast zal kijken of het er toevallig staat, maar ik weet al dat dat niet het geval is. En ik weet ook zeker dat het boek meeverhuisd is, want haar verzameling boeken van Frederiksson heeft mijn moeder met liefde bij elkaar gespaard. Dus iemand moet het meegenomen hebben. Nu maar hopen dat diegene het ook weer terugbrengt. En nog harder hopen dat mijn moeder het niet onbedoeld weggegeven heeft, zoals bij opa ooit ineens de eikenhouten kast verdwenen was die hij mij beloofd had.

Maar, troost ik me, mijn moeder weet dan misschien niet meer waar het boek gebleven is, dát ze het heeft, heeft ze toch maar mooi onthouden.

zondag 26 december 2010

Kerst 2010

Natuurlijk hebben we ons dit jaar ook weer aangemeld voor het kerstdiner en zo zitten we met ons drieën aan een ronde tafel in het restaurant van het huis, mijn moeder, zoon en ik. Het loopt aardig vol, maar toch zijn niet alle stoelen bezet. Mij deert het niet, maar voor al die mensen die zich zo inzetten op eerste kerstdag zou ik het fijn vinden als de opkomst groter was. Al vind ik het aantal bezoekende familieleden hoog dit jaar. Officieel mag je als bewoner twee gasten hebben, maar vrijwel overal zijn het er meer. Zo heeft een vrouw haar kinderen, kleinkinderen én achterkleinkinderen op bezoek. Drie hartveroverende meisjes, die van vader en moeder na een tijdje door de zaal mogen lopen. Als ze ook daarvan genoeg hebben, gaan ze met oma kerstliedjes zingen.

Mijn moeders buurvrouw heeft drie van haar kleinkinderen te eten. Ze babbelen met zijn vieren vrolijk de middag door. Het maakt dat ik me meer dan voorheen realiseer dat dat bij ons nooit meer zo zal zijn. Elke paar minuten geniet mijn moeder opnieuw van de versiering, wijst ze ons op de dingen die haar opvallen, de rekjes aan het plafond, de kersttakken die overal hangen en de zilverkleurige kandelaar met drie kaarsen, midden op tafel. Leuk dat die er staat. Mijn moeder brandde altijd veel kaarsen voor ze in dit huis kwam wonen. Tot grote zorg van haar overburen, die elke avond controleerden of ze ze wel uitgeblazen had. Maar kaarsen zijn verboden in dit huis. De waxinelichtjes zijn vervangen door batterijgestuurde exemplaren, maar ze vergeet hoe die ook alweer werken en steekt ze rustig aan als ze maar even aan vuur kan komen. Alleen branden ze niet. Daarom gun ik haar die kaarsen op tafel zo. Eindelijk weer eens gezellige vlammetjes.

Vlammetjes ziet ze ook in de gordijnen. Het is het zonlicht dat er af en toe zacht doorheen flakkert. De gordijnen zijn dicht getrokken om een avond-sfeer te creëren. In de hoek met dementerende bewoners hebben ze ze juist weer opengetrokken, want het dagritme is vaak al zo moeilijk te volgen voor hen. Mijn moeder maakt het niet uit. Ze geniet. We lopen samen met haar langs het buffet. Voor het eerst, bedenk ik me. Voorgaande jaren wilde ze liever dat ik het voor haar haalde. Dit keer stelde ik haar gewoon voor om zelf mee te gaan en dat deed ze als vanzelf. Maar wachten in een rij valt niet meer mee. Tot ze het systeem doorkrijgt. Als ze bij de borden staat, geeft ze zoon en mij een bord en pakt er zelf een. Bij de verschillende schotels kiest ze wat lekkere hapjes uit en samen met haar loop ik weer terug naar de tafel.

Ze geniet, van het eten, het gezelschap en de feestelijke aankleding. En van het feit dat het zo druk is. Maar dat is het altijd als er iets georganiseerd wordt, vertelt ze. Want soms weet ze best waar ze zit, daar beneden, waar gegeten wordt. "We zaten hier pas ook", vertelt ze. "Toen werd er gezongen, allemaal liedjes die we kenden, dan konden we meezingen. Het was erg gezellig." Ik moet lachen. Nee, ze is niet grappig al is ze wel vrolijk. Ma ar ik weet dat ze die avond heeft gehad, want ik moest haar daarvoor opgeven. Zelden hoor ik terug wat er gedaan is, want dat blijft in haar hoofd niet hangen. En met dit soort dagen blijft nog minder hangen. Ze verwart mij met mijn zoon en denkt even later dat zoon mijn man is. Okee, hij is groot, maar overduidelijk heel wat jaren jonger dan ik. Maar ze wist al vanaf dat ze ons zag dat wij bij haar horen, dus dat stemt mij voor vandaag al tevreden. Hoewel, heel even zou ik mijn oude moeder terugwillen, met wie we meer kunnen delen dan lekker eten en bewondering voor de kerstversiering.

maandag 6 december 2010

En de groeten aan je zoon!

Na onze gezellige pakjesmiddag nemen we afscheid bij de eetgroep. Tweemaal daags komen de dementerende mensen bij elkaar in een groep. Tegenwoordig zijn er zelfs drie groepen, een kleine groep met een ruime ovalen tafel waar mensen zitten die veel behoefte aan stilte hebben. De meesten zijn er veel verder dementerend dan mijn moeder. Die zit dan ook in een grotere groep waar activiteiten worden gedaan. Kleuren – net als bij de kinderopvang van zoon destijds vraag ik me af waarom er niet gewoon getekend wordt –, lezen, het nieuws bespreken, tv kijken, soms ook handwerken. De derde groep is een heel levendige. Er zitten vrijwel uitsluitend vrouwen, net als in het hele huis, die nog gezellig uitgebreid met elkaar kletsen, borduren, breien en haken. Toen mijn moeder in het huis kwam wonen was die groep er helaas nog niet. Ze zou er toen prima gepast hebben.

Belangrijke activiteiten in alle groepen zijn koffiedrinken en vooral eten. Het is gezellig om samen te eten, dat vindt mijn moeder in ieder geval. Het voordeel is dat ze dan in ieder geval iets eet. In de tijd dat ze alleen woonde, viel ze de eerste tijd alarmerend snel af. Deels door de voortdurende beweging die ze had omdat ze in huis liep te rommelen, maar voornamelijk omdat ze geen goede maaltijden meer at. Dus bleef ik regelmatig eten. Dan nam ik een klein beetje en zij de rest. Voor mij was het minder gezond: eenmaal thuis begon ik opnieuw aan de maaltijd. Nu met zoon, die ik niet alleen wilde laten eten.

Maar nu eet mijn moeder in een groep, met begeleiding. Ze eet zelf, maar de begeleiding signaleert wel of ze goed eet of dat het een tijdje minder gaat. Goed om te weten, want de koekjes verdwijnen soms met een noodgang uit de kast.

Na de pakjesmiddag nemen we bij de groep afscheid. Zoon zoent haar gedag en ik volg. “Het was gezellig”, zegt mijn moeder. “Dat vind ik ook!” “Doe je de groeten aan je zoon van me?”, vraagt ze nog. “Ja, hoor, dat zal ik doen.” Ze wil al weglopen, maar bedenkt zich. Dan kijkt ze op naar zoon die naast me staat en trekt een frons. “Nee, wacht, dát is je zoon!” “Ja, maar ik wil hem best de groeten doen, hoor.” “Ik zie nog steeds dat kleine ventje voor me”, verontschuldigt ze zich. We moeten alledrie lachen. Inmiddels is zoon twee keer zo groot als het ventje in haar gedachten. Maar nog net zo slim. “Doe jij de groeten aan mijn moeder?”, vraagt hij zijn oma. Die lacht schalks terug. “Ja hoor, zal ik doen.”

zondag 5 december 2010

Het lijkt wel pakjesavond!

“Het lijkt wel pakjesavond”, lacht mijn moeder als ze om zich heenkijkt. “Het is ook vijf december”, antwoordt zoon. Inmiddels is de tafel bezaaid met hapjes, drankjes, papier, gedichten en uitgepakte cadeaus. Sint heeft dit jaar vooral praktisch ingekocht. Zakdoeken, een nieuw horlogebandje, een nieuwe portemonnee. De man weet precies waar behoefte aan is. Voor zoon zijn het vooral grappige cadeaus en ik krijg heel toevallig precies een paar dingen die ik erg leuk vind. Okee, iets minder toevallig, daar heb ik wel heel erg de hand in gehad, want zoon kwam niet erg in beweging en mijn moeder had er geen idee van dat Sinterklaas naderde.

Het leuke van Sinterklaas is, behalve die paar uur plezier met elkaar, vooral de voor- en de napret. En dat is nu net wat weg is als je dementeert. Er is een nu en er is een heel ver verleden, maar de pret over de Sinterklaasavond is weg zodra de visite de deur uit is. En dus krijgt mijn moeder bij elk pakje een gedicht. Niet dat ze nog weet welk cadeau er bij elk gedicht hoorde, maar waar de cadeaus opgaan in het dagelijks leven, blijven de gedichten iets opvallends. Napret op papier.

Het is winter!

Zo af en toe bellen Heleen en ik met elkaar. Eens even overleggen of wat doorgeven. Uiteindelijk blijkt het altijd veel meer te worden dan waarvoor we eigenlijk belden. Ook dit keer. Ik wil alleen even doorgeven dat de bewoners voortaan hun wc-papier van het huis krijgen. Dat scheelt een boel ruimte in de kast, al is het een zeer praktische kast, constateren we. Met bovenin een gedeelte waar je de zomerkleren weg kunt bergen zonder dat mijn moeder daar bij kan. En dat is nodig, want haar pyjama had ze toch weer uit een onzichbaar hoekje gepeuterd en zo loopt ze ineens in gekortwiekt nachtgoed, hartje winter, een korte broek en een hempje.

Winter, zomer, herfst, lente, het zich op de seizoenen is ze kwijt, ook al kijkt ze hele dagen naar buiten naar de bomen en de vogels. Als je doorpraat snapt ze wel dat het winter moet zijn omdat de bomen voor haar raam kaal zijn. Maar die gedachte schiet niet door haar heen als ze de deur uit stapt. En dus traint Heleen haar nu: altijd een vest aan als je ergens heen gaat. Niet bepaald onnodig, ondanks de soms tropische temperaturen in het huis, want datzelfde huis kent ook openslaande deuren en ramen en soms glijdt er een kille luchtvlaag over je schouders. Voor ons hooguit irritant, maar voor kwakkelende ouderen kan het dodelijk zijn. En op zijn minst de reden van wéér een schrapende verkoudheid.

Maar ja, Heleen staat niet altijd bij de deur, dus maak ik een briefje: “Geheugensteuntje: Het is winter. Vest aan.” Vorige winter heb ik uitgebreid foto’s gemaakt van de sneeuw. Ik kies er de mooiste uit en plak die erbij. Als de tekst onopgemerkt voorbijglijdt, trekt in elk geval de foto nog haar oog. En van al die sneeuw gaat ze vanzelf rillen.

zondag 28 november 2010

De eerste keer

Zondagochtend. Redelijk op tijd word ik wakker, dus heb ik alle tijd om naar een koffieconcert te gaan. Een vriend speelt in het orkest, maar vanwege alle drukte van de voorbije dagen heb ik vooral niet toegezegd te komen. Maar nu ik toch al wakker ben, kan ik net zo goed in actie komen.
Ik vind een plekje op de achterste rij, bij de verwarming. Welkom op deze koude dag. Het orkest zit al klaar. De vriend kijkt wat moe rond. De vorige avond is het laat geworden. Maar ineens begint zijn gezicht te stralen. Tussen alle hoofden ziet hij ineens een bekende, dat van mij.

Voordeel van een koffieconcert is dat het vroeg afgelopen is en dat geeft me een lange middag om nog wat te ondernemen. Met mijn buurvrouw rijd ik daarom naar het huis waar mijn moeder woont. Die zit echter niet in haar kamer zoals normaal op dit uur, maar beneden in de grote zaal, waar een verhalenvertelster de mensen in haar ban houdt. We willen niet storen en wachten in de hal, terwijl we nieuwsgierig de zaal in turen. Na een tijdje schuift een moeder met een zoon bij ons aan op het bankje. Ook zij wachten op moeder en oma. Ineens staat mijn moeder op en loopt de zaal uit. Hoestend komt ze de hal in. Ze groet iedereen vriendelijk en gaat op een stoel zitten. Een man reikt een glas water aan en ze kijkt mij aan. “Weet je wie ik ben?”, vraag ik. “Nee”, zegt mijn moeder. “Ik heb geen idee.” “Dan wordt het tijd voor een nieuwe bril”, kaats ik terug, maar ik sta meteen even op om dichterbij te komen. En dan ziet ze het ineens. Ze is helemaal verrast. Het duurt even voordat blijft hangen dat degene die ik meegenomen heb mijn buurvrouw is, maar dat ik ik ben, is nu wel duidelijk. Later realiseer ik me dat we nu dus de eerste keer hebben gehad. De eerste keer waarvan ik al die jaren al weet dat die ooit zal komen: het moment waarop ze me vriendelijk groet, als een vreemde. Overigens gaat ze hartelijk met vreemden om, constateer ik tevreden.

zondag 14 november 2010

Anne komt dichterbij

We bellen weer eens. Over een brief dit keer, van de verzekering. Gelukkig heeft mijn moeder eerder al gebeld en haar verhaal op de voicemail achtergelaten. Daardoor weet ik precies wat ze nu van me wil horen. “Het gaat over de inboedelwaardemeter, he?” “Ja, inderdaad. Heb jij die brief ook gehad?” “Nee, en ik snap ook niet waarom, want normaal sturen ze alles wel naar mij.” “Vreemd. Maar het gaat over eh, iets met onderverzekering.” “Nou, daar hoef je niet bang voor te zijn. De premie is nog steeds vastgesteld op toen je in je vorige huis woonde, dus je bent ruim oververzekerd. We passen het binnenkort wel aan.” Gelukkig kan mijn moeder mijn franse slag tegenwoordig verdragen. Uiteindelijk komt het goed, dat weet ze ook.

“Is het huis verkocht dan?”, vraagt ze. “Ja, ruim een jaar geleden.” “Nou, dat is vast een pak van je hart, dat scheelt een boel werk.” “Zeg dat wel, daar ben ik blij mee.” “En dan heeft Anne je daarmee geholpen?” “Lieve mam, je zus Anne is inmiddels ook een oude dame, die doet dat soort dingen ook niet meer.” Ik zeg maar niet dat ze onlangs vertelde dat ze een tijd in een verpleeghuis had gelegen, samen met haar man die herstelde van een dubbele heupoperatie. Dat soort alarmerende berichten zijn niet nodig. “Ach nee, je hebt ook gelijk. Die loopt natuurlijk ook al tegen de tachtig.” Dit keer is het waar, al is alles boven de zeventig bij mijn moeder “tegen de tachtig”. “De zoon van Jaap heeft geholpen.” “Ja, maar ging dan de helft van het huis naar Anne?”, wil ze nog weten. “Nee, naar de kinderen van Jaap”, leg ik nog maar even uit. “Oh. O ja.”

We nemen afscheid en als ik opleg realiseer ik me dat er weer een stap gezet is. Er begint een generatie te verdwijnen. Wanneer ben ik aan de beurt? Ik ben dichtbij genoeg om nog een tijdje in haar hoofd te wonen, maar ik vrees de dag dat ook dat niet meer het geval is. Voor mij, maar vooral voor haar. Want nu ben ik nog haar houvast, maar hoe moet de wereld er wel niet uitzien als dat ook niet meer zo is? Als niets en niemand meer stevigheid geeft aan het bestaan.