“Zal ik even de rolstoel halen”, biedt David aan. Ik heb mijn ogen nog bijna dicht. “Ik moet toch mee.” En dus ga ik zelf, terwijl hij andere dingen doet. Met de rolstoel leen ik een fijn, dik kussen, bedoeld voor decubituspatiënten, dus dat zit ongetwijfeld heerlijk. Na thuiskomst bel ik nog even met Heleen. “Nou, ze wist het hoor”, vertelt ze. “Toen ik binnenkwam, kwam ze uit de badkamer en begon meteen te huilen.” Het voelt nu extra goed dat we morgen naar de begrafenis gaan. De kleren hangen klaar en de schoenen zijn gepoetst. “Ik heb ook je moeder even verzorgd, zodat ze er morgen goed uitziet,” besluit Heleen. Wat vullen we elkaar toch vaak mooi aan; ik zou daar totaal niet aan gedacht hebben tot het moment dat we er waren. Bovendien geeft het mij een zetje om eens aan mijn eigen kleding te gaan denken. De wasmachine kan meteen aan de slag.
Na mijn afspraken van vandaag fiets ik even snel langs Blokker. Daar hebben ze wel fleecedekens, meende Heleen. En inderdaad, turquoise fleecedekens liggen er buiten in een bak. Niet echt een goede begrafeniskleur, maar wel beter dan niets. Bij navraag blijken er binnen nog meer te zijn, ook effen grijs, kleurend bij de kleding van mijn moeder. Ik vind het zo koud dat ik er meteen maar twee meeneem.
Eenmaal thuis ga ik serieus rekenen. Om 13 uur is de uitvaart. Het is ruim een uur rijden, we moeten nog lunchen en misschien is er nog een sanitaire stop nodig. Ik bel de verzorging. “Je moeder gaat om 9 uur ontbijten”, weet ze. Ik besluit om die tijd van huis te vertrekken, even aan te schuiven als dat nodig is en om uiterlijk 10 uur te vertrekken vanaf mijn moeder. Dan zit er voldoende speling in het programma. Niets gaat immers snel: even in- en uitstappen duurt achtmaal zo lang als bij mij, nog exclusief het uit- en invouwen van de rolstoel.
Zo, de planning is klaar, de warme fleecedekens staan klaar in een tas en ik heb nog wat drinken voor onderweg meegenomen. Er is nog maar een klein restje middag en het weer is koud maar prachtig. Misschien een mooi moment om nu even naar het postkantoor te fietsen. Postkantoor?? Dat zit vlak bij de bloemenzaak! Bloemen!!! Ik ren naar de buurvrouw om haar auto te lenen en haast me naar de bloemenwinkel. Bloemen uitkiezen, midden in de winter. Het valt me even niet mee. Gelukkig begrijpt de verkoopster het na lange tijd en begint ze mee te denken. Terwijl ze geschikt worden tot een mooie bos, loop ik even langs het postkantoor. Daar kom ik nog net op tijd binnen. Op de terugweg neem ik van een andere winkel nog een paar warme handschoenen mee, want waar mijn moeder die heeft, zou ik niet weten.
Met een prachtig boeket haast ik me naar huis. Intussen is David thuisgekomen met de auto, waar ik meteen weer mee vertrek om te gaan tanken. Ondanks alles moet ik lachen om mezelf: zo georganiseerd ga ik nooit van huis. Maar op pad met iemand met dementie vraagt om een heldere planning met voldoende speling. Dus alles wat niet per se morgen hoeft, doe ik nu.
Wanneer ik eindelijk toe ben aan de bank, komt de buurvrouw nog even een wijntje drinken. Goed idee. Even ontspannen zitten en het geheel doorspreken. “Reservekleding”, oppert ze. “Goed idee, ik noteer het meteen.” En dan ben ik eindelijk startklaar.
Dat zegt wat!
Blog over leven met dementie
woensdag 18 januari 2012
zondag 15 januari 2012
Een brief met een rand - vervolg
Mijn moeder zit al in de grote huiskamer als ik aankom. Misschien ook wel goed. Dan is ze in ieder geval niet alleen wanneer ik weer wegga. “Heb je iets voor me meegenomen?”, vraagt ze al snel. Hoe kan ze dat weten, schiet door me heen, maar het maakt niet uit, ik open mijn tas. Ik geef haar de kopie van de rouwkaart.
Ze schrikt. Even denkt ze dat het mijn neef betreft, maar dan begrijpt ze dat het zijn vader is, haar zwager. Ze schrikt opnieuw, want in haar beleving is hij nog niet zo oud. “Wat erg voor Anne”, verzucht ze. “Ze heeft al zoveel meegemaakt. Nu is ze helemaal alleen.” Ik slik een brok weg. Anne is nu net zo alleen als mijn moeder, zou ze dat bedoelen? Zou ze bedoelen dat ze het zelf elke ochtend zo zwaar vindt om in haar eentje wakker te worden, zonder iemand die zachtjes “goedemorgen” prevelt? Die alvast het koffiezetapparaat aanzet terwijl zij haar haren schikt en die haar boterham gesmeerd en gesneden voor haar neerzet wanneer ze op haar plekje op de bank neerzakt, met de krant naast zich.
Dat ben ik, die al die plaatjes op elkaar plakt. Mijn moeder denkt alleen maar aan haar zus. “Ga jij erheen?”, vraagt ze. Ik knik. “Dan wil ik wel graag met je mee. Ik zie er niet overheen om alleen te gaan.” “Nee, natuurlijk niet. Je gaat daar toch niet alleen naar toe, dan haal ik je op”, stel ik haar gerust. “Op dit soort momenten moet je achter elkaar staan”, zegt ze beslist. “Dat klopt niet he? Achter elkaar klinkt een beetje vreemd. Naast elkaar, dat bedoel ik. Je snapt me wel he?” “Ja mam, ik begrijp het helemaal. Achter elkaar vind ik ook mooi klinken.”
“O, o, overleden. Hoe oud was hij? Drieëntachtig? Dat is ook al een hele leeftijd.” Ik realiseer me dat het niet eens zoveel ouder is dan mijn moeder zelf, maar gelukkig lijkt mijn moeder daar nog ver van verwijderd. “Ga jij naar de begrafenis? Dan wil ik graag meerijden.” “Ja, mam, dat is goed. Maar ik wil nog even met Anne overleggen.” “Dat is een goed idee. Misschien vindt ze het veel fijner als ik een ander moment kom”, bedenkt mijn moeder. “Ik zal haar in ieder geval bellen.” Ik vermoed dat ze dat over een paar uur wel vergeten zal zijn, maar ik neem me voor toch met Anne te overleggen wat ze wil.
De volgende dag bel ik mijn nicht en leg haar mijn dilemma voor. We komen er niet helemaal uit. “Mail mijn moeder”, stelt ze voor. “Ik spreek haar straks, dan heeft ze even tijd om erover na te denken.” Annes antwoord is snel en helder. Ik begin mijn planning voor de dag van de begrafenis. Eerst een telefoontje naar Heleen. Die denkt meteen mee en belooft de kleding klaar te hangen. “En dan ga ik later deze week nog even langs om te kijken hoe het gaat. Ze zal wel een paar dagen van slag zijn.” Wanneer ik David spreek, blijkt dat hij op de dag van de uitvaart een officiële bespreking met zijn projectgroep heeft. “Ik zal wel kijken of het ook zonder mij kan”, belooft hij. Ik plan alvast dat ik een rolstoel haal en langzaam groeit de dag in mijn hoofd. Ik krijg de tijden nog niet helemaal helder. Rust in het programma is belangrijk, om onrust bij mijn moeder te voorkomen. Maar als we al uren op pad zijn voordat het begint, vrees ik dat mijn moeder volkomen verward zal zijn van vermoeidheid, nog voor er een woord gesproken is. Ik besluit haar in ieder geval de rouwkaart in handen te geven onderweg, zodat ze steeds weer even kan zien waar we heengaan.
Ze schrikt. Even denkt ze dat het mijn neef betreft, maar dan begrijpt ze dat het zijn vader is, haar zwager. Ze schrikt opnieuw, want in haar beleving is hij nog niet zo oud. “Wat erg voor Anne”, verzucht ze. “Ze heeft al zoveel meegemaakt. Nu is ze helemaal alleen.” Ik slik een brok weg. Anne is nu net zo alleen als mijn moeder, zou ze dat bedoelen? Zou ze bedoelen dat ze het zelf elke ochtend zo zwaar vindt om in haar eentje wakker te worden, zonder iemand die zachtjes “goedemorgen” prevelt? Die alvast het koffiezetapparaat aanzet terwijl zij haar haren schikt en die haar boterham gesmeerd en gesneden voor haar neerzet wanneer ze op haar plekje op de bank neerzakt, met de krant naast zich.
Dat ben ik, die al die plaatjes op elkaar plakt. Mijn moeder denkt alleen maar aan haar zus. “Ga jij erheen?”, vraagt ze. Ik knik. “Dan wil ik wel graag met je mee. Ik zie er niet overheen om alleen te gaan.” “Nee, natuurlijk niet. Je gaat daar toch niet alleen naar toe, dan haal ik je op”, stel ik haar gerust. “Op dit soort momenten moet je achter elkaar staan”, zegt ze beslist. “Dat klopt niet he? Achter elkaar klinkt een beetje vreemd. Naast elkaar, dat bedoel ik. Je snapt me wel he?” “Ja mam, ik begrijp het helemaal. Achter elkaar vind ik ook mooi klinken.”
“O, o, overleden. Hoe oud was hij? Drieëntachtig? Dat is ook al een hele leeftijd.” Ik realiseer me dat het niet eens zoveel ouder is dan mijn moeder zelf, maar gelukkig lijkt mijn moeder daar nog ver van verwijderd. “Ga jij naar de begrafenis? Dan wil ik graag meerijden.” “Ja, mam, dat is goed. Maar ik wil nog even met Anne overleggen.” “Dat is een goed idee. Misschien vindt ze het veel fijner als ik een ander moment kom”, bedenkt mijn moeder. “Ik zal haar in ieder geval bellen.” Ik vermoed dat ze dat over een paar uur wel vergeten zal zijn, maar ik neem me voor toch met Anne te overleggen wat ze wil.
De volgende dag bel ik mijn nicht en leg haar mijn dilemma voor. We komen er niet helemaal uit. “Mail mijn moeder”, stelt ze voor. “Ik spreek haar straks, dan heeft ze even tijd om erover na te denken.” Annes antwoord is snel en helder. Ik begin mijn planning voor de dag van de begrafenis. Eerst een telefoontje naar Heleen. Die denkt meteen mee en belooft de kleding klaar te hangen. “En dan ga ik later deze week nog even langs om te kijken hoe het gaat. Ze zal wel een paar dagen van slag zijn.” Wanneer ik David spreek, blijkt dat hij op de dag van de uitvaart een officiële bespreking met zijn projectgroep heeft. “Ik zal wel kijken of het ook zonder mij kan”, belooft hij. Ik plan alvast dat ik een rolstoel haal en langzaam groeit de dag in mijn hoofd. Ik krijg de tijden nog niet helemaal helder. Rust in het programma is belangrijk, om onrust bij mijn moeder te voorkomen. Maar als we al uren op pad zijn voordat het begint, vrees ik dat mijn moeder volkomen verward zal zijn van vermoeidheid, nog voor er een woord gesproken is. Ik besluit haar in ieder geval de rouwkaart in handen te geven onderweg, zodat ze steeds weer even kan zien waar we heengaan.
Labels:
contact,
familie,
hulpmiddelen,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning
zaterdag 14 januari 2012
Een brief met een rand
Als ik de post uit de brievenbus haal, zie ik het al. Het handschrift herken ik uit duizenden en de zwarte rand eromheen vertelt me alles wat ik niet wil weten. De envelop is aan mij en aan David gestuurd, dus mijn moeder heeft haar eigen kaart gekregen. In één seconden schiet er zoveel door mijn hoofd, maar de grote bal die plotseling in mijn maag landt, verdooft alle gedachten. Verlies went niet.
Na de eerste tranen dringt de situatie tot me door. Ik ga naar de uitvaart, dat staat vast. De afspraak voor die dag moet ik zo snel mogelijk verzetten. Maar dan. David kan niet mee, zegt hij. Ik antwoord wat hij mij in zulke situaties vertelt: laat het even bezinken en bekijk het even rustig. Wil je mee, zo ja, dan moet je schuiven met je afspraken. Voor afscheid krijg je geen tweede kans.
En dan mijn moeder. Het is haar zwager die op de kaart staat. Bijna zestig jaar kent ze hem. Nog maar kort geleden bekeek ik foto’s waarop mijn moeder, haar zus en de beide geliefden hun spullen inladen voor een vakantie in het buitenland. Jong zijn ze nog, zorgeloos. Inmiddels zijn de beide zussen niet meer in staat elkaar te bezoeken. Ze hebben elkaar dan ook al een paar jaar niet meer gezien. Jaren waarin mijn moeder veel verloren heeft, maar wie haar zwager is, weet ze maar al te goed.
Ik overleg met de verzorging. Kan mijn moeder nog mee? De uitvaart is op de tijd dat ze normaal slaapt. “De maaltijden zijn misschien een probleem”, oppert de verzorgende. Het is de minste van mijn zorgen. Eten verzorg ik wel. Maar het hele ritme wordt overhoop gegooid. “Ze weet nog wie hij is? Dan moet ze zeker gaan”, vindt de verzorgende. In dat geval moet David mee, dan heb ik hem nodig. Iedere minuut is mijn moeder kwijt waar we naar toe gaan en waarom. Het is ruim anderhalf uur rijden…
Hoe kom ik toe aan mijn eigen verdriet als ik mijn moeder moet ondersteunen? Alles in mij protesteert, maar het mag niet om mij gaan. Het gaat om de beide zussen. Ik ga overleggen met mijn moeder en zoek mijn tante. Uiteindelijk hebben zij tweeën de laatste stem. Of meer nog: de stem van mijn tante zal de doorslag geven. Wil zij juist nu haar zusje bij zich hebben? Of wordt die confrontatie teveel op deze toch al zo verdrietige dag?
Eerst mijn moeder. Misschien weet ze nog van niets. “Rouwkaarten halen we er altijd tussenuit”, vertelt de verzorgende me. “Die brengen we persoonlijk aan de mensen, zodat ze niet alleen zijn als ze ze open maken. Je moeder heeft er nog geen gehad.” Ik zal de mijne maar meenemen.
Na de eerste tranen dringt de situatie tot me door. Ik ga naar de uitvaart, dat staat vast. De afspraak voor die dag moet ik zo snel mogelijk verzetten. Maar dan. David kan niet mee, zegt hij. Ik antwoord wat hij mij in zulke situaties vertelt: laat het even bezinken en bekijk het even rustig. Wil je mee, zo ja, dan moet je schuiven met je afspraken. Voor afscheid krijg je geen tweede kans.
En dan mijn moeder. Het is haar zwager die op de kaart staat. Bijna zestig jaar kent ze hem. Nog maar kort geleden bekeek ik foto’s waarop mijn moeder, haar zus en de beide geliefden hun spullen inladen voor een vakantie in het buitenland. Jong zijn ze nog, zorgeloos. Inmiddels zijn de beide zussen niet meer in staat elkaar te bezoeken. Ze hebben elkaar dan ook al een paar jaar niet meer gezien. Jaren waarin mijn moeder veel verloren heeft, maar wie haar zwager is, weet ze maar al te goed.
Ik overleg met de verzorging. Kan mijn moeder nog mee? De uitvaart is op de tijd dat ze normaal slaapt. “De maaltijden zijn misschien een probleem”, oppert de verzorgende. Het is de minste van mijn zorgen. Eten verzorg ik wel. Maar het hele ritme wordt overhoop gegooid. “Ze weet nog wie hij is? Dan moet ze zeker gaan”, vindt de verzorgende. In dat geval moet David mee, dan heb ik hem nodig. Iedere minuut is mijn moeder kwijt waar we naar toe gaan en waarom. Het is ruim anderhalf uur rijden…
Hoe kom ik toe aan mijn eigen verdriet als ik mijn moeder moet ondersteunen? Alles in mij protesteert, maar het mag niet om mij gaan. Het gaat om de beide zussen. Ik ga overleggen met mijn moeder en zoek mijn tante. Uiteindelijk hebben zij tweeën de laatste stem. Of meer nog: de stem van mijn tante zal de doorslag geven. Wil zij juist nu haar zusje bij zich hebben? Of wordt die confrontatie teveel op deze toch al zo verdrietige dag?
Eerst mijn moeder. Misschien weet ze nog van niets. “Rouwkaarten halen we er altijd tussenuit”, vertelt de verzorgende me. “Die brengen we persoonlijk aan de mensen, zodat ze niet alleen zijn als ze ze open maken. Je moeder heeft er nog geen gehad.” Ik zal de mijne maar meenemen.
zondag 25 december 2011
Kerst 2011
“Is opa al weg?” Een beetje verwijtend kijkt mijn moeder me aan. Opa? Waar haalt ze die ineens vandaan? “Ja, die is al weg.” “Ik heb het helemaal niet gemerkt”, moppert ze. “Hij heeft gegroet hoor”, pleit ik mijn grootvader vrij. Die groet vond ruim twintig jaar geleden plaats, maar wat is twintig jaar in een mensenhoofd? Peanuts, in elk geval bij mijn moeder.
“Wil je zo even gaan slapen? Het is allemaal wel vermoeiend he?”, probeer ik alvast. “Nee, laat ik dat maar niet doen, dat is niet nodig.” Maar als ik haar aan de arm meevoer naar het toilet, kan ze met moeite op haar benen blijven staan. Eenmaal terug aan tafel is het op. Een groepsleidster biedt aan mijn moeder naar haar kamer te brengen, maar nee, dat zal ik vandaag zelf wel doen. Zo kan zij in de tussentijd beneden helpen, waar alle handen welkom zijn. Even later schuift mijn moeder uitgeput tussen de lakens. Ik geef haar nog een paar dikke knuffels en stop haar lekker toe.
En dat terwijl mijn moeder zojuist voor het eerst in haar leven een spelletje op de smartphone speelde. Weliswaar had ze geen idee dat ze vier vakjes op een rij moest kleuren, maar gedwee liet ze zich door David instrueren. Ze begreep zelfs de bedoeling toen ik zei dat het schermpje reageerde op de warmte van haar vinger. Ah, geen nagel dus, maar je vingertop gebruiken.
Het was slechts een korte opleving en wat ik al vreesde, gebeurt: ver voor het dessert lopen we naar boven. Mijn moeder in een rolstoel en ik erachter. Terwijl David en zijn vriendin de auto halen, leg ik mijn moeder in bed. “Hoe gaat het nu als ik wakker word?” “Dan komt de zuster, je herkent haar wel. Zij komt straks ook nog even kijken.” Bij de deur kan ik nog met moeite “welterusten” zeggen. Mijn keel zit dicht.
“Wil je zo even gaan slapen? Het is allemaal wel vermoeiend he?”, probeer ik alvast. “Nee, laat ik dat maar niet doen, dat is niet nodig.” Maar als ik haar aan de arm meevoer naar het toilet, kan ze met moeite op haar benen blijven staan. Eenmaal terug aan tafel is het op. Een groepsleidster biedt aan mijn moeder naar haar kamer te brengen, maar nee, dat zal ik vandaag zelf wel doen. Zo kan zij in de tussentijd beneden helpen, waar alle handen welkom zijn. Even later schuift mijn moeder uitgeput tussen de lakens. Ik geef haar nog een paar dikke knuffels en stop haar lekker toe.
En dat terwijl mijn moeder zojuist voor het eerst in haar leven een spelletje op de smartphone speelde. Weliswaar had ze geen idee dat ze vier vakjes op een rij moest kleuren, maar gedwee liet ze zich door David instrueren. Ze begreep zelfs de bedoeling toen ik zei dat het schermpje reageerde op de warmte van haar vinger. Ah, geen nagel dus, maar je vingertop gebruiken.
Het was slechts een korte opleving en wat ik al vreesde, gebeurt: ver voor het dessert lopen we naar boven. Mijn moeder in een rolstoel en ik erachter. Terwijl David en zijn vriendin de auto halen, leg ik mijn moeder in bed. “Hoe gaat het nu als ik wakker word?” “Dan komt de zuster, je herkent haar wel. Zij komt straks ook nog even kijken.” Bij de deur kan ik nog met moeite “welterusten” zeggen. Mijn keel zit dicht.
woensdag 14 december 2011
Verdwaald
“Het kan dus goed zijn dat wij dat helemaal niet mogen.” De vrouw zit tegenover me en kijkt me begripvol aan. “Je hebt het nog niet gekocht, toch?”, vraagt ze nog even voor de zekerheid. Nee, ik heb me alleen nog maar georiënteerd. Ik zoek een gps-systeem zodat mijn moeder traceerbaar is wanneer ze verdwaald is. Verdwaald betekent in dit geval: al wel erg lang aan het wandelen. Het is de eerste actie die ik nam nadat het verzorgingshuis me belde met de mededeling dat ik moest gaan uitkijken voor een ander huis voor mijn moeder, omdat ze steeds meer wandelt en soms blijkt te verdwalen.
Mijn moeder wandelt omdat ze van lopen en van de buitenlucht houdt en omdat ze niet meer kan fietsen. Voorheen, toen haar hoofd nog helder was, fietste ze dagelijks vele kilometers. Uitwaaien langs het kanaal, met halverwege een kopje koffie bij een restaurant op de route. Ze weet niet dat ze niet meer fietst, maar ze weet wel dat ze loopt. Want dat prijkt vet bovenaan haar lijst “Dingen die ik graag doe”. De mensen van Het Huis gunnen haar haar wandelrondjes wel, maar kunnen haar niet steeds gaan zoeken als ze na een uur nog niet is teruggekeerd. Met een gps-systeem hoeft er op zijn minst niet meer gezocht te worden, maar geeft de computer of een hippe smartphone meteen duidelijkheid over de verblijfplaats van mijn moeder. Met nog wat meer techniek kan ze vervolgens teruggepraat worden naar huis, zonder dat er iemand achter een balie vandaan hoeft te gaan. Sterker nog, dat kan ik zelfs, vanachter mijn bureau kilometers verderop.
Maar nu kan het dus zijn dat er een stokje voor gestoken wordt. “Het klinkt als een vrijheidsbeperkende maatregel en die mogen wij niet uitvoeren”, vertelt de vrouw. “Dus als ik het goed begrijp mag zo’n gps-systeem niet omdat het vrijheidsbeperkend is, met als gevolg dat mijn moeder naar een gesloten afdeling moet, waar ze helemaal niet meer kan wandelen, want gesloten afdelingen hebben vanwege de kosten nooit een tuin.” “Precies, zo zit het.”
Inmiddels is het een paar maanden later. Ik krijg een mail en ja, het is zoals de vrouw al vreesde. Het mag niet. Ze biedt me de maas in de wet, maar ik wil meer: een betere wet. Want wie die maas niet kan gebruiken wordt opgesloten, weggestopt.
Mijn moeder wandelt omdat ze van lopen en van de buitenlucht houdt en omdat ze niet meer kan fietsen. Voorheen, toen haar hoofd nog helder was, fietste ze dagelijks vele kilometers. Uitwaaien langs het kanaal, met halverwege een kopje koffie bij een restaurant op de route. Ze weet niet dat ze niet meer fietst, maar ze weet wel dat ze loopt. Want dat prijkt vet bovenaan haar lijst “Dingen die ik graag doe”. De mensen van Het Huis gunnen haar haar wandelrondjes wel, maar kunnen haar niet steeds gaan zoeken als ze na een uur nog niet is teruggekeerd. Met een gps-systeem hoeft er op zijn minst niet meer gezocht te worden, maar geeft de computer of een hippe smartphone meteen duidelijkheid over de verblijfplaats van mijn moeder. Met nog wat meer techniek kan ze vervolgens teruggepraat worden naar huis, zonder dat er iemand achter een balie vandaan hoeft te gaan. Sterker nog, dat kan ik zelfs, vanachter mijn bureau kilometers verderop.
Maar nu kan het dus zijn dat er een stokje voor gestoken wordt. “Het klinkt als een vrijheidsbeperkende maatregel en die mogen wij niet uitvoeren”, vertelt de vrouw. “Dus als ik het goed begrijp mag zo’n gps-systeem niet omdat het vrijheidsbeperkend is, met als gevolg dat mijn moeder naar een gesloten afdeling moet, waar ze helemaal niet meer kan wandelen, want gesloten afdelingen hebben vanwege de kosten nooit een tuin.” “Precies, zo zit het.”
Inmiddels is het een paar maanden later. Ik krijg een mail en ja, het is zoals de vrouw al vreesde. Het mag niet. Ze biedt me de maas in de wet, maar ik wil meer: een betere wet. Want wie die maas niet kan gebruiken wordt opgesloten, weggestopt.
Labels:
hulpmiddelen,
mantelzorg,
moeder,
ondersteuning,
wandelen,
woonvormen
dinsdag 29 november 2011
With anyone else but me
“Ik ga je een moeilijke, pijnlijke vraag stellen”, zegt mijn moeder. We zitten naast elkaar op een bankje te praten over van alles en nog wat, tussendoor zingend “Don’t sit under the appletree with anyone else but me”. En dat tweestemmig, als vanouds. Bijna als vanouds, mijn moeder zingt over papier. “Ik verstond het niet goed”, verontschuldigt ze zich als ik in de lach schiet.
“Zeg het maar, wat wil je vragen?”, zeg ik. Ze kijkt me kalm aan. “Leeft papa nog?” “Ik vind de vraag niet pijnlijk, maar het antwoord wel”, begin ik voorzichtig. Geduldig wacht ze op mijn antwoord. “Nee, papa leeft niet meer. Hij is zevenenhalf jaar geleden overleden.”
“He, nou heb ik je verdrietig gemaakt”, zegt ze. “Nee hoor, ik mis hem gewoon nog steeds en soms word ik daar verdrietig van. Dat geeft niet.” We zuchten allebei en zitten even stil. “Was hij er nog maar. Maar ja, dan woonde ik niet zo fijn als nu”, concludeer ik cru. Daar moeten we dan toch wel weer om lachen.
En we doen nog een rondje: “Don’t sit under the appletree, with anyone else but me, with anyone else but me, with anyone else but me”. En over papier dus. Wat zitten we daar samen goed, op het appelgroene bankje.
“Zeg het maar, wat wil je vragen?”, zeg ik. Ze kijkt me kalm aan. “Leeft papa nog?” “Ik vind de vraag niet pijnlijk, maar het antwoord wel”, begin ik voorzichtig. Geduldig wacht ze op mijn antwoord. “Nee, papa leeft niet meer. Hij is zevenenhalf jaar geleden overleden.”
“He, nou heb ik je verdrietig gemaakt”, zegt ze. “Nee hoor, ik mis hem gewoon nog steeds en soms word ik daar verdrietig van. Dat geeft niet.” We zuchten allebei en zitten even stil. “Was hij er nog maar. Maar ja, dan woonde ik niet zo fijn als nu”, concludeer ik cru. Daar moeten we dan toch wel weer om lachen.
En we doen nog een rondje: “Don’t sit under the appletree, with anyone else but me, with anyone else but me, with anyone else but me”. En over papier dus. Wat zitten we daar samen goed, op het appelgroene bankje.
vrijdag 11 november 2011
Speldjes
In het winkelcentrum is een nieuwe Hema geopend en daar wandelen we kalmpjes doorheen. “Kijk mam, grijze speldjes. Heb je die nog nodig?” Ik houd ze naast haar opgestoken haar en zie dat ze er goed bij kleuren. “Altijd handig. Maar ik heb geen tas bij me en dus ook geen geld.” “Ik schiet wel even voor.” “Dat is goed, maar ik betaal het straks terug hoor.” Ik loop achter de rolstoel met uitzicht op mijn moeders kapsel. Iedere medewerkster is altijd weer verbaasd als ze hoort dat mijn moeder dat dagelijks zelf voor elkaar maakt. Voor ze de deur uitgaat, wil ze ook altijd van me weten of haar haar nog wel goed zit.
Misschien is dat wel de reden dat de receptioniste vandaag tegen me zegt: “Ah, u bent de dochter van mevrouw Van Dijk”, als ik haar een invulstrookje overhandig. “Leuke vrouw, een beetje een dame.” “Ja, dat klopt wel. Ik ben de gewone in de familie”, grap ik maar. Mijn moeder een dame? Ik zie het niet direct, maar deze middag schittert het er af en toe inderdaad doorheen. Net even anders, maar niet hautain. Vind ik dan, maar ik kan bevooroordeeld zijn.
Het zit er al generaties in weet ik, als ik me zo de foto’s van mijn moeders voorouders in gedachten neem. Haar vader had het en haar grootvader, die toch, volgens de neef die ik gisteren sprak, een gewone vlasboer was. Maar ik herinner mij foto’s van mijn overgrootvader naast zijn broer: beiden vlasboer, maar ieder met een heel andere manier van staan. De ene als boer, een sterke werker, de ander ook sterk, maar vooral aanwezig. Het is mij totaal duidelijk: met mijn overgrootvader viel niet te spotten. Net zo min als met mijn grootvader, al had ik, als jongste en meest dwarse kleindochter, daar soms maling aan, iets wat hij ook wel kon waarderen, want was hij zelf ook niet zo?
Mijn moeder is milder, of meer: toont milder. Als dingen haar werkelijk niet zinnen, zal ze dat laten blijken. Altijd in het nette, nooit met grove taal, maar vooral in haar houding. Dan recht ze haar rug en krijgen haar ogen de felheid die haar tante al in haar baby-blik zag. Het is waar, daarin zie je de dame nog.
En in haar kapsel natuurlijk. Wanneer we in de groep zitten waar ze aan het eind van de middag koffie drinkt, kijkt ze me ineens nadenkend aan. “Krijg jij niet nog iets van mij?”, vraagt ze. Ik denk even na en herinner me dan de haarspeldjes. “Het was ongeveer een euro, maar ik kan het je ook schenken.” “Nee hoor, ik betaal het even terug.” In stilte verbaas ik me. Ze weet precies wat ze uit haar portemonnee tovert, maar bovenal is blijven hangen dat ze mij nog iets verschuldigd was. Meestal zeg ik “Ik schiet het wel even voor”, om vervelende situaties te voorkomen, maar blijkbaar moet ik daar toch mee uit gaan kijken. Mijn moeder onthoudt meer dan ik denk.
Misschien is dat wel de reden dat de receptioniste vandaag tegen me zegt: “Ah, u bent de dochter van mevrouw Van Dijk”, als ik haar een invulstrookje overhandig. “Leuke vrouw, een beetje een dame.” “Ja, dat klopt wel. Ik ben de gewone in de familie”, grap ik maar. Mijn moeder een dame? Ik zie het niet direct, maar deze middag schittert het er af en toe inderdaad doorheen. Net even anders, maar niet hautain. Vind ik dan, maar ik kan bevooroordeeld zijn.
Het zit er al generaties in weet ik, als ik me zo de foto’s van mijn moeders voorouders in gedachten neem. Haar vader had het en haar grootvader, die toch, volgens de neef die ik gisteren sprak, een gewone vlasboer was. Maar ik herinner mij foto’s van mijn overgrootvader naast zijn broer: beiden vlasboer, maar ieder met een heel andere manier van staan. De ene als boer, een sterke werker, de ander ook sterk, maar vooral aanwezig. Het is mij totaal duidelijk: met mijn overgrootvader viel niet te spotten. Net zo min als met mijn grootvader, al had ik, als jongste en meest dwarse kleindochter, daar soms maling aan, iets wat hij ook wel kon waarderen, want was hij zelf ook niet zo?
Mijn moeder is milder, of meer: toont milder. Als dingen haar werkelijk niet zinnen, zal ze dat laten blijken. Altijd in het nette, nooit met grove taal, maar vooral in haar houding. Dan recht ze haar rug en krijgen haar ogen de felheid die haar tante al in haar baby-blik zag. Het is waar, daarin zie je de dame nog.
En in haar kapsel natuurlijk. Wanneer we in de groep zitten waar ze aan het eind van de middag koffie drinkt, kijkt ze me ineens nadenkend aan. “Krijg jij niet nog iets van mij?”, vraagt ze. Ik denk even na en herinner me dan de haarspeldjes. “Het was ongeveer een euro, maar ik kan het je ook schenken.” “Nee hoor, ik betaal het even terug.” In stilte verbaas ik me. Ze weet precies wat ze uit haar portemonnee tovert, maar bovenal is blijven hangen dat ze mij nog iets verschuldigd was. Meestal zeg ik “Ik schiet het wel even voor”, om vervelende situaties te voorkomen, maar blijkbaar moet ik daar toch mee uit gaan kijken. Mijn moeder onthoudt meer dan ik denk.
Abonneren op:
Berichten (Atom)